Markus 7:31-37
Onze Heere Jezus bleef zelden lang aan een zelfde plaats, want Hij wist waar Zijn werk was. Toen Hij de dochter der Kananese vrouw had genezen, had Hij wat Hij aan deze plaats te doen had gedaan, en daarom verliet Hij dadelijk deze landstreek en keerde terug naar de zee van Galilea, waaromtrent Hij zelf woonde. Toch ging Hij niet door den directen weg daarheen, maar langs een omweg door het midden der landpalen van Dekápolis, die grotendeels aan gene zijde der Jordaan lagen. Zulk een verren weg heeft onze Heere Jezus gewandeld, als Hij het land doorging goed doende. Nu hebben wij hier de geschiedenis van ene genezing, gewrocht door Christus, welke door geen der andere evangelisten is meegedeeld, de genezing namelijk van een doofstomme.
I. Zijn toestand was treurig, vers 32. Zij brachten tot Hem een dove, sommigen denken een doofgeborene, en dan moest hij natuurlijk ook stom zijn. Anderen denken dat hij door ene ongesteldheid of door een ongeval doof was geworden, of tenminste hardhorig, en daarbij ook zwaarlijk sprak. Hij was mogilalos. Sommigen denken dat hij geheel en al stom was, anderen dat hij slechts met grote moeite spreken kon, en dat hij zich voor anderen nauwelijks verstaanbaar kon maken. Hij was dus gans en al ongeschikt om een gesprek te voeren, en zodoende beroofd van het genot en het nut er van, hij kon noch het genoegen smaken van andere mensen te horen spreken, noch hun zijne gedachten mededelen. Laat ons hierin aanleiding vinden om God te danken, dat Hij ons het gehoor heeft gegeven en behouden, inzonderheid omdat wij zodoende instaat zijn het woord Gods te horen, en de gave der spraak, inzonderheid om instaat te zijn Gods lof te spreken, en laat ons medelijden hebben met hen, die doof of stom zijn, en hen met grote tederheid behandelen. Zij, die dezen armen man tot Christus brachten, smeekten Hem, dat Hij de hand op hem legde, zoals de profeten de hand legden op hen, die zij zegenden in den naam des Heeren. Er wordt niet gezegd, dat zij Hem baden hem te genezen, maar de hand op hem te leggen, ten einde kennis te nemen van zijn toestand, en Zijne kracht aan te wenden om hem te doen wat Hij goedvond.
II. Zijne genezing geschiedde op plechtige wijze, en sommige omstandigheden daarbij waren van zeer bijzonderen aard.
1. Christus nam hem alleen van de schare, vers 33. Gewoonlijk wrocht Hij Zijne wonderen in het openbaar, voor de ogen van al het volk, om te tonen dat zij het nauwkeurigst onderzoek konden doorstaan, maar dit wonder verrichtte Hij in afzondering, om te tonen dat Hij Zijn eigen eer niet zocht, en ons te leren alles te vermijden wat naar pronkerij of praalvertoning zweemt. Laat ons van Christus leren nederig te zijn, en goed te doen waar geen ander oog ons ziet dan het oog van den Alziende.
2. Bij deze genezing maakte Hij gebruik van meer zinnebeeldige handelingen dan gewoonlijk.
a. Hij stak Zijne vingeren in zijne oren, alsof Hij ze wilde inspuiten, of er het een of ander beletsel uit wilde verwijderen, dat verstopping teweegbracht.
b. Hij spoog op Zijn eigen vinger, en raakte toen zijne tong aan, alsof Hij zijn mond wilde bevochtigen om alzo los te maken hetgeen, waarmee zijne tong gebonden was. Dit waren gene oorzaken, die ook maar in het minst genezing konden teweegbrengen, het waren slechts tekenen van de aanwending der geneeskracht, die Christus had in zich zelven, ter bemoediging van zijn geloof en van het geloof dergenen, die hem gebracht hadden. Alles wat Hij gebruikte was van Hem zelven, het waren Zijn eigen vingers, die Hij in de oren van den dove stak, het was Zijn eigen speeksel, dat Hij op zijne tong deed, want Hij alleen geneest.
3. Hij zag opwaarts naar den hemel, om aan Zijn Vader den lof te geven voor hetgeen Hij deed, want Hij zocht Zijn lof, en deed Zijn wil en, als Middelaar, handelde Hij in afhankelijkheid van Hem en met het oog op Hem. Daarmee gaf Hij te kennen, dat het door Goddelijke kracht was, ene kracht en macht, die Hij bezat als Heere des hemels, en van daar met zich had gebracht, dat Hij dit gedaan heeft, want het horende oor en het ziende oog heeft de Heere gemaakt, ja die beide. Hiermede heeft Hij ook Zijn patiënt, die wel zien kon al kon hij niet horen, er op gewezen dat Hij moest opzien naar den hemel om hulp te verkrijgen. Mozes met zijn stamelende tong wordt ook derwaarts heen gewezen, Exodus 4:11.
Wie heeft den mens den mond gemaakt, of wie heeft den stomme of dove of ziende of blinde gemaakt? Ben Ik het niet, de Heere?
4. Hij zuchtte, niet alsof Hij er zwarigheid in vond om dit wonder te werken, of om van Zijn Vader de macht te ver krijgen om het te doen, maar aldus gaf Hij uitdrukking aan Zijn medelijden met de ellende van het menselijk leven, en Zijn medegevoel met de beproefden in hun beproeving. En wat dezen man betreft, Hij zuchtte, niet omdat Hij er afkerig van was hem ene vriendelijkheid te bewijzen, of het ongaarne deed, maar vanwege de velerlei verzoekingen, waaraan hij blootgesteld zou zijn, en de zonden, die hij gevaar liep van te bedrijven, de zonden der tong, nadat hem de spraak was teruggegeven, en waarvan hij tevoren vrij was. Beter zou het voor hem zijn om nog stom te wezen, indien hem niet ook de genade geschonken werd, om zijn mond met een breidel te bewaren, Psalm 39:1.
5. Hij zei: Effatha! dat is, word geopend! Dit geleek in geen enkel opzicht op ene bezwering of toverformule, zoals de waarzeggers en duivelskunstenaars gebruikten, die piepten en binnensmonds mompelden, Jesaja 8:19. Christus spreekt als gezaghebbende, en er ging kracht uit met Zijn woord. Wordt geopend diende voor beide delen der genezing. Laat de oren geopend worden, laat de lippen geopend worden, laat hem vrijelijk horen en spreken, en de belemmering ophouden, en de uitwerking beantwoordde hieraan, vers 35, Terstond werden zijne oren geopend en de band zijner tong werd los, en alles was wel. En zalig hij die, zodra hij zijn gehoor en zijne spraak had, Jezus zo dicht bij zich had, om met Hem te spreken. Deze genezing nu was:
a. een bewijs, dat Christus de Messias was, want van Hem was voorzegd, dat door Zijne kracht der doven oren zullen geopend worden, en de tong des stommen zal juichen, Jesaja 36:5, 6.
b. Het was een voorbeeld, een proeve, van de werkingen Zijns Evangelies op het gemoed der mensen. Het grote Evangeliegebod en de genade van Christus jegens arme zondaren, is Effatha- Wordt geopend. Hugo de Groot past dit zo toe, dat door den Geest van Christus de innerlijke belemmeringen des gemoeds worden weggenomen zoals die lichamelijke belemmeringen werden weggenomen door het woord Zijner kracht. Hij opent het hart, zoals Hij het hart van Lydia geopend heeft, en daardoor opent Hij het oor om het Woord Gods te horen en opent Hij den mond tot gebed en tot lofzegging. 6. Hij gebood, dat zij dit niemand zeggen zouden, maar het werd toch zeer bekend gemaakt.
a. Het was Zijne nederigheid, dat Hij hun lieden gebood, dat zij het niemand zeggen zouden, vers 36. De meeste mensen zullen hun eigen goedheid uitbazuinen, of tenminste zullen zij gaarne hebben, dat anderen haar zullen verkondigen, maar Christus, hoewel zelf niet in gevaar van er door opgeblazen te worden, heeft, wetende wat wij zijn, ons een voorbeeld willen geven van zelfverloochening, evenals in andere dingen, zo ook in het bijzonder van lof en roem van mensen. Wij moeten behagen scheppen in goed doen, maar wij moeten er geen behagen in scheppen, dat het bekend wordt.
b. Het was hun ijver, dat, schoon Hij hun gebood er niets van te zeggen, zij het toch bekend gemaakt hebben, eer Christus wilde dat het bekend gemaakt zou worden. Maar hun bedoeling was goed, en daarom moet dit meer als ene daad van onbescheidenheid dan van ongehoorzaamheid aangemerkt worden, vers 36. Maar zij, die het verkondigden, en zij, die het hoorden, ontzetten zich bovenmate zeer -huperpe rissoos -meer dan bovenmate. Zij waren er ten zeerste door getroffen, en dit zei iedereen, het was het algemene gevoelen: Hij heeft alles welgedaan, vers 37. Terwijl er waren, die Hem haatten en vervolgden als een kwaaddoener, zijn zij bereid van Hem te getuigen, niet slechts dat Hij geen kwaad gedaan heeft, maar dat Hij zeer veel goed heeft gedaan, en het wèl gedaan heeft, bescheiden en nederig, zeer Godvruchtiglijk en geheel om niet, zonder geld en zonder prijs, hetgeen den luister Zijner goede werken nog zeer verhoogde. Hij maakt dat de doven horen en de stommen spreken, en dat is wel, het is wel voor hen, het is wel voor hun betrekkingen, voor wie zij een last zijn geweest, en daarom zijn zij niet te verontschuldigen, die kwaad van Hem spreken.