Markus 5:35-43
Krankheden en dood zijn in de wereld gekomen door de zonde en de ongehoorzaamheid van den eersten Adam, maar beiden worden door de genade van den tweeden Adam overwonnen. Christus, een ongeneeslijke kwaal genezen hebbende, gaat nu triomferen over den dood, gelijk Hij in het begin van dit hoofdstuk over een woesten duivel heeft getriomfeerd.
I. De treurige tijding komt tot Jaïrus, dat zijne dochter gestorven is, en indien Christus is als andere artsen, dan komt Hij dus te laat. Zolang er leven is, is er hoop, en kunnen de middelen gebruikt worden, maar als het leven gevloden is, is alles voorbij. Wat zijt gij den Meester nog moeilijk? vers 35. Gewoonlijk behoort men in zulk een geval te denken: "De zaak is beslist, de wil van God is geschied, ik onderwerp mij er aan en berust er in, De Heere heeft gegeven, en de Heere heeft genomen. Als het kind nog leefde, heb ik gevast en geweend, want ik zei: Wie weet, de Heere zou mij mogen genadig zijn, dat het kind levend bleve. Maar nu is het dood, waarom zou ik nu vasten? Ik zal wel tot hem gaan, maar hij zal tot mij niet wederkomen". Met zulke woorden moeten wij ons in zulke tijden tot kalmte brengen, opdat onze ziel stil zij gelijk een gespeend kind bij zijne moeder. Maar hier hebben wij een buitengewoon geval, de dood van het kind maakt niet, zoals gewoonlijk, een einde aan het verhaal.
II. Christus moedigt den bedroefden vader aan te hopen, dat hij zich niet tevergeefs ten behoeve van zijn kind tot Hem heeft gewend. Christus was opgehouden op den weg om ene genezing te werken, maar hij zal toch door het gewin van anderen niet verliezen.
Vrees niet, geloof alleenlijk. Wij kunnen ons voorstellen, dat Jaïrus nu niet recht wist of hij al of niet Christus zou vragen om voort te gaan, maar hebben wij de genade Gods en Zijne vertroostingen, en bijgevolg ook de gebeden van onze leraren en Christelijke vrienden niet evenzeer nodig als de dood in ons huis is, als wanneer er ziekte in is? Christus beslist dus spoedig de zaak. Vrees niet, dat Mijne komst nu doelloos is, geloof slechts, dat zij ten goede zal zijn. Wij moeten om onze gestorven vrienden of bloedverwanten tot gene wanhoop vervallen, en niet om hen treuren als degenen, die geen hope hebben. Zie, wat er gezegd werd tot Rachel, die weigerde vertroost te worden over hare kinderen, in de veronderstelling dat zij niet waren. Bedwing uwe stem van geween en uwe ogen van tranen, want daar is verwachting voor uwe nakomelingen, want uwe kinderen zullen wederkomen tot hun landpale, Jeremia 31:16, 17. Daarom vrees niet, bezwijk niet. 2.. In zulke tijden is geloof het enige geneesmiddel tegen ontroerende smart en vrees, daardoor moeten zij tot zwijgen worden gebracht. Geloof alleenlijk. Blijf vertrouwen stellen op Christus, blijf u afhankelijk gevoelen van Hem, en Hij zal doen wat het beste voor u is. Geloof in de opstanding, en dan, vreest niet.
III. Hij ging met een uitgelezen gezelschap naar het huis, waar het dode kind lag. Door de schare, die Hem vergezelde, had Hij aan de arme vrouw, die Hij het laatst had genezen, een goede gelegenheid gegeven om Hem ongemerkt te naderen, dit nu geschied zijnde, liet Hij de menigte van zich, en liet niemand toe Hem te volgen, "met Hem te volgen" betekent het oorspronkelijke woord, behalve Zijn drie boezem-discipelen, Petrus, Jakobus en Johannes, een voldoend getal om getuigen te zijn van het wonder, maar niet zulk een getal, als een schijn kon geven van ijdele roemzucht.
IV. Hij riep het dode kind terug tot het leven. De omstandigheden van het verhaal zijn tamelijk gelijk als bij Mattheus. Hier hebben wij slechts op te merken: 1. Dat het kind zeer bemind was, want de bloedverwanten en buren weenden en huilden zeer. Het is zeer smartelijk als een leven, dat gelijk ene bloem ontloken is, zo spoedig wordt afgesneden, verdord is, eer het nog is opgewassen, als wij smart hebben over hetgeen waarvan wij zeiden: Dit zal ons troosten.
2. Dat het blijkbaar en onbetwistbaar was, dat het kind was gestorven. Dat zij Christus belachten, omdat Hij zei, Het kind is niet gestorven maar het slaapt, was zeer laakbaar, maar het strekt ten bewijze hiervan.
3. Dat Christus hen, die luidruchtig waren in hun droefheid, uitdreef als onwaardig om getuigen te zijn van het wonder, en zo onwetend in de dingen Gods, dat zij niet begrepen, dat Hij van den dood sprak als van slaap, of zo honend en minachtend, dat zij er Hem om bespotten.
4. Dat Hij de ouders van het kind medenam om getuigen te zijn van het wonder, omdat Hij hierin hun geloof op het oog had, en dit bedoelde tot vertroosting van hen, die de stille, maar ware rouwbedrijvenden waren.
5. Dat Hij het kind opwekte door een woord van macht, hetwelk hier vermeld wordt, en wel in het Syrisch, de taal waarin Christus sprak, Talitha kúmi, gij dochtertje, Ik zeg u sta op. Het was de gewoonte bij de Joden om, als zij een zieke geneesmiddelen toedienden, te zeggen: Sta op van uwe ziekte, bedoelende: Wij wensen dat gij moogt opstaan, maar Christus zei tot een gestorvene: Sta op van de doden, bedoelende: ik gebied u op te staan, ja, er is nog meer in- de doden hebben de macht niet om op te staan, daarom gaat er kracht uit met dat woord, ten einde er kracht van uitwerking aan te geven. Geef wat gij gebiedt, en gebied wat gij wilt. Christus werkt terwijl Hij gebiedt, en Hij werkt door het gebod, en daarom kan Hij gebieden wat Hij wil, zelfs aan de doden om op te staan. Zodanig is de Evangelieroeping tot hen, die van nature dood zijn in misdaden en zonden, en van dien dood niet meer door hun eigen kracht zouden kunnen opstaan dan dit kind het kon, en toch is dat woord: Ontwaak, en sta op van de doden, noch ijdel noch tevergeefs, als er onmiddellijk op volgt: Christus zal over u lichten, Efeze 5:14. Het is door het woord van Christus, dat geestelijk leven wordt geschonken: Ik zei tot u: leef. Ezechiël 16:6.
6. Dat het kind, zodra het leven was wedergekeerd, opstond en wandelde, vers 42. Geestelijk leven zal openbaar worden door ons opstaan van het bed der traagheid en onverschilligheid, en ons wandelen op den weg der Godsvrucht, ons wandelen in den naam en de kracht van Christus. Zelfs van hen, die twaalf jaren oud zijn, kan men verwachten dat zij zullen wandelen als degenen, die door Christus zijn opgewekt, en niet in de natuurlijke ijdelheid huns gemoeds.
7. Dat allen, die het zagen en er van hoorden, zich er over verbaasden en verwonderden, en Hem bewonderden, die het gewrocht had. Zij ontzetten zich met grote ontzetting. Zij konden niets anders dan erkennen, dat er iets buitengewoons en zeer groots in was, en toch wisten zij niet wat er van te denken, of welke gevolgtrekking er uit af te leiden. Hun verbazing had hen voorwaarts moeten brengen tot een levend geloof, maar het is bij een stomme verbazing gebleven.
8. Dat Christus poogde het te verbergen. Hij gebood hun zeer, dat niemand dat zou weten. Het was genoegzaam bekend aan een voldoend aantal personen, maar Hij wilde niet dat het vooralsnog verder verbreid zou worden, omdat Zijn eigen opstanding het grote voorbeeld en bewijs moest zijn van Zijne macht over den dood, en daarom moest de bekendmaking van andere voorbeelden hiervan bewaard blijven totdat dit grote bewijs geleverd zou wezen. Laat een deel van het getuigenis verborgen blijven, totdat het andere deel, dat het voornaamste is, gereed is.
9. Dat Christus er voor zorgde, dat haar iets te eten zou gegeven worden. Hieruit bleek, dat zij niet slechts in het leven was teruggeroepen, maar ook tot een goeden gezondheidstoestand, dat zij eetlust had, zelfs de nieuwgeboren kinderkens in het huis van Christus zijn zeer begerig naar de redelijke onvervalste melk, 1 Petrus 2:2. En het is opmerkelijk, dat, gelijk Christus, toen Hij het eerst den mens gemaakt had, hem dadelijk van voedsel had voorzien, en wel voedsel uit de aarde, waarvan hij gemaakt was, Genesis 1:29, Hij thans, nu Hij een nieuw leven had gegeven, zorg droeg, dat iets te eten gegeven werd, want indien Hij het leven heeft gegeven, dan kan men ook vertrouwen, dat Hij het levensonderhoud zal geven, want het leven is meer dan het voedsel, Mattheus 6:25. Waar Christus geestelijk leven heeft gegeven, daar zal Hij ook voorzien in voedsel om het te onderhouden ten eeuwigen leven, want Hij zal de werken Zijner handen niet laten varen.