Markus 2:13-17
Hier is:
I. Christus predikende bij de zee, vers 13, waar Hij heenging om plaats of ruimte te hebben, omdat Hij bij die tweede proefneming bevond, dat geen huis of gene straat groot genoeg was om de hoorders te kunnen bevatten, maar aan het strand konden zo velen komen als maar wilden. Hieruit kan men opmaken, dat onze Heere Jezus een sterke stem had, luid kon spreken en ook gesproken heeft, want de opperste Wijsheid roept overluid daarbuiten, zij roept in het voorste van het gewoel. Waar Hij ook gaat, zij het ook naar den oever der zee, de schare komt tot Hem. Overal waar de leer van Christus getrouwelijk wordt gepredikt, al is het ook in afgelegen hoeken van stad of land, of in de woestijn, wij moeten haar volgen.
II. Zijne roeping van Levi, dezelfde als Mattheus, die plaatshad in het tolhuis te Kapernaum, waarnaar hij ook een tollenaar genoemd wordt. Zijne plaats was aan de zijde van het water, en daarheen ging Christus om hem te ontmoeten en hem krachtdadiglijk te roepen. Deze Levi wordt hier gezegd de zoon te zijn van Alfeus, of Kleopas, den man van die Maria, die na verwant was aan de maagd Maria. Indien dit zo was, dan was hij een eigen broeder van Jakobus den kleinere, en van Judas, en van Simon Kananites, zodat dan vier broeders apostelen zijn geweest. Mattheus was waarschijnlijk een losbandig, verkwistend jongmens geweest, want anders zou hij, een Jood nooit een tollenaar zijn geworden. Maar Christus riep hem om Hem te volgen. Paulus, hoewel een Farizeeër, is een der voornaamste zondaren geweest, en toch werd hij geroepen om een apostel te zijn. Door Christus is er bij God vergeving voor de grootste zonden en genade om de grootste zondaren heilig te maken. Mattheus, die een tollenaar geweest is, is een evangelist geworden, de eerste, die de pen op het papier zette en het leven van Christus het uitvoerigst heeft beschreven. Grote zonde en ergerlijkheid voor de bekering zijn geen hinderpalen voor grote gaven van verstand en gaven der genade na de bekering, ja God kan er zelfs te meer door verheerlijkt worden. Christus is hem door Zijne roeping voorgekomen. Voor genezingen van het lichaam werd Hij gewoonlijk gezocht, maar in deze geestelijke genezingen werd Hij gevonden van hen, die Hem niet zochten. Want dat is het grote kwaad en gevaar van de ziekte der zonde, dat zij, die er door aangetast zijn, niet begeren gezond gemaakt te worden.
III. Zijn gemeenzaam omgaan met tollenaren, vers 15. En wordt ons hier gezegd:
1. Dat Hij aanzat in Levi's huis, die Hem en Zijne discipelen genodigd had tot den afscheidsmaaltijd, dien hij voor zijne vrienden had aangericht, toen hij alles verliet om Christus te volgen. Het was een maaltijd, zoals Elisa er een bereid had, 1 Koningen 19:21, om te tonen niet alleen met hoeveel blijmoedigheid in zich zelven, maar ook met hoeveel dankbaarheid aan God hij, tengevolge van Christus' roeping, alles heeft verlaten. Zeer gepast maakte hij den dag van zijn ondertrouw met Christus tot een feestdag. Het was ook om te getuigen van zijn eerbied voor Christus en het dankbaar gevoel, dat hem bezielde, wijl Hij hem uit het tolhuis had weggerukt als een brandhout uit het vuur.
2. Dat vele tollenaren en zondaren met Christus in Levi's huis aanzaten, (want er waren velen, die tot dat tolhuis behoorden) en Hem waren gevolgd. Zij waren Levi gevolgd, denken sommigen, in de onderstelling, dat hij, evenals Zacheus, een overste der tollenaren en rijk was, en dat dus de mindere beambten hem volgden om hetgeen zij zouden verkrijgen. Ik geloof veeleer, dat zij Jezus zijn gevolgd vanwege het gerucht, dat zij van Hem gehoord hadden. Zij hebben niet om des gewetens wil alles verlaten om Hem te volgen, maar uit nieuwsgierigheid zijn zij tot Levi's maaltijd gekomen om Hem te zien. Wat hen daar nu ook gebracht moge hebben, zij zaten aan met Jezus en Zijne discipelen. De tollenaren worden hier en elders gelijkgesteld met zondaren, de ergsten der zondaren.
a. Omdat zij gewoonlijk dit ook waren, zo algemeen was het bederf bij de waarneming van dat ambt, -verdrukking, afpersing, omkoperij en valse beschuldiging-Lukas 3:13, 14. Een tollenaar, die trouw en rechtschapen was in zijne handelingen, was zo zeldzaam, zelfs te Rome, dat een zekere Sabinus, die in dat ambt een eerlijken naam ophield, na zijn dood geëerd werd met dit grafschrift: Kaloos teloonêsanti, Hier ligt een eerlijke tollenaar.
b. Omdat de Joden een bijzonderen afkeer hadden van hen en van hun ambt, als ene belediging van de vrijheid van hun volk en een teken hunner slavernij, en daarom gaven zij hun allerlei slechte benamingen, en vonden zij het aanstotelijk om in hun gezelschap te worden aangetroffen. Met de zodanige heeft het onzen gezegenden Heere behaagd om te gaan, toen Hij in gelijkheid des zondigen vlezes is verschenen.
IV. Hoe de schriftgeleerden en Farizeeën hieraan geërgerd werden, vers 16. Zij wilden niet komen om Hem te horen prediken, waardoor zij overtuigd en gesticht hadden kunnen worden, maar zij wilden wel komen om Hem te zien aanzitten met tollenaren en zondaren, waardoor zij getergd en vertoornd werden. Zij poogden aan de discipelen een afkeer in te boezemen van hun Meester, als iemand, die niet zo heilig en streng van leven was als met Zijne hoedanigheid van leraar strookte, en daarom vragen zij hun: Wat is het, dat Hij met de tollenaren en zondaren eet en drinkt? Het is niets nieuws, dat hetgeen wèl gedaan en goed bedoeld is verkeerd wordt voorgesteld en tot versmaadheid van de wijste en beste der mensen wordt verkeerd.
V. Hoe Christus zich deswege rechtvaardigde, vers 17. Hoewel de Farizeeën geërgerd waren, volhardde Hij in hetgeen Hij deed, en onttrok zich niet, zoals Petrus later gedaan heeft, Galaten 2:12. Diegenen geven al te veel om hun goeden naam, die, om hem tegenover sommige kieskeurige mensen op te houden, een goed werk nalaten. Christus wilde dit niet doen. Zij dachten dat de tollenaren gehaat moesten worden. Neen, zegt Christus, zij moeten beklaagd worden, zij zijn ziek, en hebben een medicijnmeester van node, zij zijn zondaars en behoeven een Zaligmaker. Zij dachten, dat Christus' hoedanigheid als leraar Hem van hen afgezonderd moest houden, Neen, zegt Christus, Mijne zending, Mijne opdracht voert Mij tot hen: Ik ben niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars tot bekering. Indien de wereld rechtvaardig ware geweest, dan zou Mijne komst niet nodig zijn geweest, hetzij om bekering te prediken, of vergeving van zonde teweeg te brengen. Het is tot een zondige wereld, dat Ik ben gezonden, en daarom heb Ik het meest te doen met hen, die de grootste zondaars zijn. Of aldus: Ik ben niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, de trotse Farizeeën, die wanen rechtvaardig te zijn, en vragen: Waarin zullen wij wederkeren? Maleachi 3 : 7, Waarvan zullen wij ons bekeren? Maar arme tollenaren, die zich zondaars bekennen, en blijde zijn dat zij geroepen worden om zich te bekeren, en hiertoe worden aangemoedigd. Het is goed om te gaan met hen, voor wie men hoop kan koesteren, en er is meer verwachting van een zot dan van iemand, die wijs in zijne ogen is, Spreuken 26:12.