Richteren 8:18-21
Het oordeel begon van het huis Gods, in de rechtvaardige bestraffing van de lieden van Sukkoth en Pnuel, die Israëlieten waren, maar het eindigde er niet. Nadat de koningen van Midian gediend hadden om Gideons overwinning te bewijzen en zijn zegetocht te versieren, moet er nu met hen afgerekend worden.
1. Zij worden beschuldigd van moord op Gideons broeders, enige tijd geleden begaan op de berg Thabor. Toen de kinderen Israëls uit vrees voor de Midianieten zich holen maakten in de bergen, Hoofdstuk 6:2, hebben deze jongelingen waarschijnlijk in die berg een schuilplaats gezocht, waar zij door deze twee koningen gevonden werden die hen wreed en laaghartig in koelen bloede hebben gedood. Als hij hun vraagt wat het voor mannen waren? vers 18, dan is het niet, omdat hij niet zeker is van de zaak, of er bewijzen voor nodig had, hij was niet zo onverschillig voor het bloed van zijn broeders, dat hij daar niet reeds tevoren een onderzoek naar ingesteld had, en deze hoogmoedige tirannen waren ook geheel niet in zorg geweest om hun daad te verbergen. Maar hij doet hun deze vraag, opdat door hun eigen erkenning van de meer dan gewone schoonheid van deze door hen vermoorde jonge mannen, hun misdaad zoveel zwaarder zal blijken te zijn, en bijgevolg hun straf zoveel te meer rechtvaardig. Zij konden niet anders dan erkennen dat zij, hoewel in geringer ellendige toestand aangetroffen, toch een ongewone majesteit en grootheid hadden in de uitdrukking van hun gelaat, niet ongelijk aan Gideon zelf in deze tijd, van gedaante als koningszonen, tot iets groots geboren.
2. Volgens hun eigen bekentenis schuldig bevonden zijnde aan deze moord, geeft Gideon, hoewel hij hen, als Israëls richter ter dood had kunnen brengen wegens het kwaad, dat zij zijn volk hadden aangedaan in het algemeen, zoals ook Oreb en Zeëb hierom ter dood gebracht waren, Hoofdstuk 7:25, er toch de voorkeur aan om in de hoedanigheid van bloedwreker op te treden, als de naaste bloedverwant van de verslagenen. Het waren mijn broeders, vers 19. Voor hun andere misdaden zouden zij vergeving hebben kunnen verlangen, Gideon zou hen tenminste niet zelf gedood hebben, maar hen deswege zich voor het volk hebben laten verantwoorden, maar de stem van het bloed van zijn broeders roept, roept tot hem, nu het in de macht van zijn hand is om het te wreken, en daarom is het niet te verhelpen, door hem moet hun bloed vergoten worden, ofschoon zij koningen zijn. Weinig dachten zij dat zij zolang daarna nog daarvan zouden horen, maar moord blijft zelden ongestraft in dit leven
3. Gideon zelf voltrekt met eigen hand de doodstraf aan hen, omdat hij de bloedwreker is. Hij beval zijn zoon hen te doden, omdat hij nauw verwant was aan de verslagenen, en het geschiktst om de plaatsvervanger en vertegenwoordiger te zijn van zijn vader, en aldus wilde hij hem opleiden tot daden van gerechtigheid en stoutmoedigheid, vers 20. Maar,
a. De jongeling zelf wenste voor verontschuldigd gehouden te worden, hij vreesde, hoewel zij gebonden waren, en geen weerstand konden bieden, dewijl hij nog een jongeling was, en niet gewend aan zulk werk, kloekmoedigheid en dapperheid zitten iemand niet altijd in het bloed.
b. De gevangenen zelf begeerden dat Gideon hem zou verontschuldigen, vers 21, en verzochten dat zij, zo zij moesten sterven, sterven zouden door zijn hand, hetgeen enigszins eervoller voor hen zou zijn en de dood lichter voor hen zou maken, want door zijn grotere kracht zou hij hen spoediger het leven kunnen benemen, en alzo een einde maken aan hun pijn. Naardat de man is, zo is zijn macht. Zij bedoelen dit òf van henzelf, zij waren mannen van zoveel kracht, dat er een sterkere hand nodig was dan die van een jongeling om hen snel te overmeesteren, òf van Gideon: "Gij zijt in uw volle kracht, hij heeft die nog niet bereikt, wees gij dus de uitvoerder van het vonnis." Van hen, die tot rijpheid van jaren zijn gekomen, wordt verwacht dat zij wat zij doen in enigerlei dienst, met zoveel te meer kracht zullen doen. Gideon heeft hen toen snel gedood, en nam de maantjes, die aan de halzen hunner kamelen waren, en hetzij tekenen waren hunner waardigheid, of misschien wel van hun afgoderij, want Astaroth werd voorgesteld door de maan, zoals Baäl door de zon. Met deze nam hij al hun versierselen, zoals blijkt uit vers 26, waar wij bevinden dat hij ze niet tot zo'n goed doeleinde heeft aangewend als men had kunnen wensen. Op het verderf van deze twee koningen, en dat van de twee vorsten, Hoofdstuk 7:25, wordt lang daarna gepleit in het gebed als een precedent voor het verderf van alle andere vijanden van de kerk Psalm 83:12. Maak hen en hun prinsen als Oreb en Zeeb, en al hun vorsten als Zebah en Tsalmuna, laat hen allen evenzo verdelgd worden.