Markus 2:18-28
Christus werd er toe gebracht om zich zelven te rechtvaardigen omtrent Zijn omgang met tollenaren en zondaren, nu wordt Hij er toe gebracht om Zijne discipelen te rechtvaardigen, en in hetgeen zij doen naar Zijn wil zal Hij hen rechtvaardigen, ondersteunen en verdedigen.
I. Hij rechtvaardigt hen in hun niet-vasten, dat hun door de Farizeeën werd verweten. Waarom vasten de Farizeeën en de discipelen van Johannes? Zij plachten te vasten, de Farizeeën vastten tweemaal per week, Lukas 18:12, en waarschijnlijk hebben de discipelen van Johannes dit ook gedaan, en het schijnt wel, dat deze zelfde dag, toen Christus en Zijne discipelen aan het feestmaal deelnamen in het huis van Levi, hun vastendag was, want het woord is nêsteuousi -zij vasten, of: zij zijn vastende, waardoor de ergernis nog verzwaard wordt. Zo zijn strikte en strenge belijders geneigd om hun eigen doen tot maatstaf te stellen voor anderen, en allen te bedillen en te veroordelen, die niet gans en al naar den door hen gestelden maatstaf handelen. Zij maken de hatelijke opmerking dat, zo Christus al ging onder de zondaren om hun goed te doen, zoals Hij had gezegd, de discipelen echter gingen om aan hun lusten toe te geven, want zij wisten niet wat het was te vasten of zich zelven te verloochenen. Kwaadwilligheid denkt altijd het ergste. Christus wijst op twee dingen ter verontschuldiging van het niet vasten der discipelen.
1. Dat het thans een tijd van vrede en vreugde voor hen was, en dat vasten dus nu voor hen niet zo gepast was als het later voor hen zijn zou, vers 19, 20. Alle dingen hebben hun bestemden tijd. Zij, die zich in den huwelijken staat begeven, moeten zich bereiden op zorg en verdrukking in het vlees, en toch, gedurende het bruiloftsfeest zijn zij vrolijk en denken zij, dat dit voegzaam voor hen is. Het was dwaas en ongerijmd van Simsons huisvrouw, dat zij voor hem weende op de dagen in dewelke zij deze bruiloft hadden. Richteren 14:17 1). Christus en Zijne discipelen hadden nog pas kortelings het huwelijksverbond met elkaar gesloten, de bruidegom was nog bij hen, het huwelijksfeest was nog in vollen gang, (inzonderheid voor Mattheus) als de bruidegom van hen weggenomen zal zijn, dan is het voor hen de gepaste tijd om als weduwe in eenzaamheid neer te zitten en te vasten.
2. Dat het voor hen nog de eerste, de begindagen waren, waarin zij nog niet zo geschikt waren voor strenge beoefening van den Godsdienst als zij later zijn zullen. De Farizeeën hadden zich lang gewend aan zodanige strengheid, en Johannes de Doper zelf kwam noch etende, noch drinkende. Zijne discipelen hebben zich van het begin af aan een harde en strenge levenswijze gewend, en zo viel het strenge en herhaalde vasten hun gemakkelijker, maar zo was het niet met Christus' discipelen, hun Meester kwam, etende en drinkende, en had hen nog niet opgeleid tot de zware en moeilijke beoefening van den Godsdienst, want daar was het voor hen nu nog de tijd niet voor. Om hun reeds bij het begin dit menigvuldige vasten op te leggen, zou hen ontmoedigen, en hen wellicht weerhouden van Christus te volgen, dat zou even kwade gevolgen hebben, als wanneer men nieuwen wijn in oude lederzakken doet, of wanneer men een nieuwen lap laken op een oud, versleten kleed naait, vers 21, 22. God weet wat maaksel wij zijn. Hij weet hoe teer en zwak jonge Christenen zijn, en ook wij moeten daarop letten. Ook moeten wij niet meer verwachten dan het werk van den dag in zijn dag, en dien dag naar de kracht, die er in gegeven is, want het is niet in onze macht om kracht te geven in overeenstemming met den dag. Velen krijgen een afkeer van ene soort van voedsel, dat op zichzelf goed is, omdat zij er in hun jeugd. mede overladen werden, en zo hebben velen een vooroordeel tegen den Godsdienst, omdat hun lasten opgelegd worden, die zij nog niet kunnen dragen, en men hen reeds bij den aanvang heeft doen dienen met spijsoffer. Zwakke Christenen moeten toezien, dat zij zich geen te zware lasten opleggen, en zij moeten het juk van Christus niet anders maken dan het is, namelijk zacht en licht.
II. Hij rechtvaardigt hen wegens het plukken van aren op den sabbat, hetgeen een discipel van de Farizeeën voorzeker niet zou hebben durven doen, want het was in strijd met een uitdrukkelijk gebod van de inzettingen der ouden. Hiervoor, evenals voor het andere feit, maken zij aanmerking op de tucht van Christus' school, alsof die minder streng was dan de hun, zo gewoon is het voor hen, die de kracht der Godzaligheid verloochenen, om zeer ijverig te zijn voor de gedaante er van, en dan grote afkeuring te hebben voor hen, die zich om hun gedaante of vorm niet bekommeren. Merk op:
1. Welk een schraal ontbijt Christus' discipelen hadden op dien sabbatmorgen, toen zij zich naar de synagoge begaven, vers 23, zij plukten aren, en dat was het beste wat zij hadden. Zij waren zo ingenomen door geestelijke spijze, dat zij er het noodwendige voedsel voor het lichaam om vergaten, het woord van Christus verving hun dat, en hun ijver daarvoor verteerde hen. Het was voor de Joden een Godsdienstig gebruik, om op sabbatdagen smakelijke spijzen te hebben, maar de discipelen waren met alles tevreden.
2. Hoe hun dit zelfs door de Farizeeën ten kwade werd geduid wegens hun waan dat het niet geoorloofd was op den sabbatdag aren te plukken, daar dit evenzeer een werk was als oogsten, vers 24. Waarom doen zij op den sabbatdag, wat niet geoorloofd is? Als de discipelen van Christus iets doen, dat niet geoorloofd is, dan wordt dit aan Christus toegerekend, en Hem verweten, en dan wordt Zijn naam smaadheid aangedaan. Het is opmerkelijk, dat de Farizeeën, als zij dachten dat Christus iets verkeerds deed, dit dan aan de discipelen zeiden, vers 16, en nu zij menen dat de discipelen iets verkeerds doen, spreken zij er van tot Christus, als ware twistmakers, die deden wat zij konden om tweedracht te zaaien tussen Christus en Zijne discipelen. en dus een breuk in het gezin teweeg te brengen.
3. Hoe Christus hen verdedigde in hetgeen zij gedaan hadden.
a. Door een voorbeeld. Zij hadden er een goed precedent voor in David's eten van de toonbroden, toen hem hongerde en er geen ander brood te krijgen was, vers 25, 26. Hebt gij nooit gelezen? Velen van onze vergissingen zouden hersteld worden, en onze onrechtvaardige oordeelvellingen over anderen worden teruggenomen, indien wij slechts wilden gedenken aan hetgeen wij gelezen hebben in de Schrift. Een beroep daarop is zeer overtuigend. Gij hebt gelezen dat David, de man naar Gods hart, toen hem hongerde, gene zwarigheid heeft gemaakt om van de toonbroden te eten, die het, naar de wet, niemand geoorloofd is te eten, dan den priesters en hun gezin. Het waarnemen van Godsdienstplechtigheden moet wijken voor zedelijke verplichtingen, en in geval van nood zijn dingen geoorloofd, die anders niet geoorloofd zijn. Dit heeft David gedaan. zegt Hij, in de dagen van Abjathar, den hogepriester, of even voor de dagen van Abjathar, die Abimelech, zijn vader, terstond is opgevolgd in de hogepriesterlijke waardigheid, en waarschijnlijk, toen zijns vaders vertegenwoordiger en helper was in de bediening. Hij was het, die aan den algemenen moord van de priesters was ontkomen, en aan David den efod bracht.
b. Door redenering. Laat hen, om verzoend te wezen met dit aren plukken der discipelen, denken voor wie de sabbat gemaakt was, vers 27, hij is gemaakt om den mens, niet de mens om den sabbat. Dit hebben wij niet in Mattheus gehad. De sabbat is een heilige en Goddelijke instelling, maar wij moeten haar ontvangen en aannemen als een voorrecht en weldaad, niet als een last en een juk. Ten eerste. God heeft hem nooit als een last voor ons bedoeld, en daarom moeten wij hem ook niet tot een last voor ons maken. De mens is niet gemaakt om den sabbat, want hij was gemaakt een dag voordat de sabbat was ingesteld. De mens is gemaakt voor God, en tot Zijn eer en dienst, en hij moet veeleer sterven dan Hem verloochenen, maar hij is niet gemaakt voor den sabbat, zodat hij door de wet er van gebonden zou zijn om niet te mogen doen wat voor het onderhoud des levens noodzakelijk is. Ten tweede. God heeft hem bedoeld als een weldaad voor ons, en aldus moeten wij hem dan ook beschouwen en gebruiken. Hij maakte hem voor den mens.
1. Hij heeft bij die instelling acht gegeven op ons lichaam, opdat het zou kunnen rusten en niet oververmoeid zou worden door het aanhoudende werk en bedrijf dezer wereld, Deuteronomium 5:14, opdat uw dienstknecht en uwe dienstmaagd ruste gelijk gij. Nu heeft Hij, die den sabbat bestemd en bedoeld heeft voor de rust van ons lichaam, zeker nooit bedoeld, dat hij ons, in een geval van noodzakelijkheid, zou weerhouden om te verkrijgen wat tot onderhoud des lichaams nodig is. Het moet zo opgevat worden, dat het niet in tegenspraak is met zich zelven-tot stichting en niet tot verderf.
2. En nog veel meer heeft Hij acht geslagen op onze ziel. De sabbat is alleen daarom tot een dag der ruste gemaakt, om hem een dag van heiligen arbeid te doen zijn, een dag van gemeenschapsoefening met God, een dag van lof en dankzegging. En het rusten van wereldsen arbeid is daarom noodzakelijk, wijl wij ons dan met ijver hebben toe te leggen op dat werk, er den gansen tijd in kunnen doorbrengen, in het openbaar en in de binnenkamer. Maar dan is ons tijd gegund voor hetgeen nodig is, om ons lichaam geschikt te doen zijn voor de aanbidding Gods van onze ziel, en het instaat te stellen daar gelijken tred mede te houden in dat werk. Zie hier.
a. Welk een goeden Meester wij dienen, daar al Zijne inzettingen strekken tot ons welzijn, en, indien wij zo wijs zijn van ze waar te nemen, dan zijn wij wijs voor ons zelven, niet Hij, maar wij, winnen door ons dienen.
b. Wat wij moeten beogen in ons sabbatswerk-het welvaren onzer ziel. Indien de sabbat gemaakt is om den mens, dan moeten wij ons aan den avond er van afvragen: Welk goed heeft deze sabbat van heden mij u gedaan?
c. Hoe wij er voor moeten zorgen, om deze oefeningen van den Godsdienst noch voor ons zelven, noch voor anderen tot een last te maken, die God verordineerd heeft om een zegen te zijn, dat wij aan het gebod niets toedoen door onredelijke strengheid, noch ons toegeven aan het bederf, dat zich tegen het gebod stelt, want daardoor maken wij die vrome oefeningen tot een verdriet en een last, in plaats dat zij ons een vreugde en genot zijn.
d. Door wie de sabbat gemaakt was, vers 28, De Zoon des mensen is een Heere ook van den sabbat, en daarom wil Hij de barmhartige bedoeling der instelling niet verijdeld zien door uwe bedenksels. De sabbatdagen zijn dagen van den Zoon des mensen. Hij is de Heere van den dag, en ter Zijner eer moet hij worden waargenomen. Door Hem heeft God de werelden gemaakt, en zo was het door Hem dat de sabbat voor het eerst werd ingesteld. Door Hem heeft God de wet gegeven op den berg Sinaï, en zo was het vierde gebod dan Zijne wet, en de kleine wijziging, die later er in gebracht zou worden, door hem een dag te verschuiven naar den eersten dag der week, was ter gedachtenis aan Zijne opstanding, en daarom moet de Christelijke sabbat de dag des Heeren genoemd worden, Openbaring 1:10, de dag van den Heere Christus, en de Zoon des mensen. Christus, moet als Middelaar altijd beschouwd worden als Heere van den sabbat. Uitvoerig dringt Hij hierop aan ter Zijner eigen rechtvaardiging, als Hij zelf beschuldigd wordt van den sabbat te hebben geschonden, Johannes 5:16.