Markus 16:9-13
Wij hebben hier een zeer kort verhaal van twee van Christus' verschijningen, en het weinige geloof, dat het bericht er van bij de discipelen gevonden heeft.
I. Hij verscheen aan Maria Magdalena, aan haar het eerst in den hof, waarvan wij het bijzonder verhaal vinden in Johannes 20:14. Zij was het, uit welke Hij zeven duivelen uitgeworpen had. Er was haar veel vergeven, en er was haar veel gegeven en er was veel voor haar gedaan, en zij heeft veel liefgehad, en Christus heeft haar de eer aangedaan, dat zij de eerste was, die Hem zag na Zijne opstanding. Hoe inniger wij ons aan Christus hechten, hoe eerder wij kunnen verwachten Hem te zien, en hoe meer wij van Hem te zien zullen krijgen.
1. Zij brengt het bericht van hetgeen zij gezien had aan de discipelen, niet slechts aan de elven, maar ook aan hen, die met Hem geweest waren, welke treurden en weenden, vers 10. Nu was het de tijd, waarvan Christus hun gesproken had, en waarin zij zullen schreien en klagelijk wenen, Johannes 16:20. En het was een blijk van hun grote liefde voor Christus, en het diep besef, dat zij hadden van hun verlies van Hem. Maar toen hun geween een paar avonden had vernacht, is, gelijk Christus hun beloofd had, de vertroosting gekomen, "Ik zal u wederom zien, en uw hart zal zich verblijden." Aan wenende discipelen kan geen betere tijding gebracht worden dan de tijding van Christus' opstanding. En wij moeten er ons op toeleggen om vertroosters te zijn van treurende discipelen, door hun onze ervaringen mede te delen, en hun te zeggen wat wij van Christus gezien hebben.
2. Zij konden het bericht, dat hun gebracht werd, niet geloven. Zij hoorden dat Hij levend was, en dat zij Hem gezien had. Het verhaal liet zich wel horen, en toch geloofden zij het niet. Zij wilden niet zeggen dat zij het ver-haal had verzonnen, of dat het hare bedoeling was hen te bedriegen, maar zij vrezen dat zij zelf bedrogen is, en dat zij het zich slechts verbeeldde Hem gezien te hebben. Indien zij de herhaalde voorzeggingen er van uit Zijn eigen mond hadden geloofd, dan zouden zij niet zo ongelovig zijn geweest voor het bericht er van.
II. Hij verscheen aan twee van de discipelen "daar zij wandelden en in het veld gingen," vers 12. Dit heeft ongetwijfeld betrekking op hetgeen voorviel tussen Christus en de twee discipelen op weg naar Emmaus en uitvoerig verhaald wordt door Lukas, hoofdstuk 24:13 en verder. Hier wordt gezegd, dat Hij hun verscheen "in een andere gedaante,', in een ander gewaad dan Hij gewoonlijk droeg, in de gestalte van een reiziger, gelijk Hij in den hof aan Maria Magdalena verscheen in een gewaad, dat haar deed denken dat Hij de hovenier was. Maar dat Hij wezenlijk Zijn eigen gelaat had, blijkt hieruit, dat hun ogen gehouden werden, dat zij Hem niet kenden, en dat zij, toen die belemmering van hun ogen was weggenomen, Hem terstond hebben gekend, Lukas 24:16-31.
1. Deze twee getuigen nu gaven in hun getuigenis dit bewijs van Christus' opstanding, Dezen ook heengaande, boodschapten het aan de anderen, vers 13. Zelven overtuigd zijnde, wensten zij die overtuiging door hun broederen te doen delen, opdat zij er dezelfde vertroosting uit zouden erlangen.
2. Het vond geen geloof bij allen, zij geloofden ook die niet. Zij dachten dat ook zij de slachtoffers waren van een zinsbedrog. Nu was hierin een wijze leiding der voorzienigheid, dat de bewijzen van Christus' opstanding aldus trapsgewijze gegeven en met zo grote omzichtigheid aangenomen werden, opdat dan ook de zekerheid, waarmee de apostelen deze leer later gepredikt hebben, toen zij hun al er mede op het spel zetten, des te meer overtuiging zou wekken. Wij hebben te meer reden hen te geloven, die zelf zo langzaam tot het geloof zijn gekomen. Hadden zij de zaak terstond op het eerste bericht, zonder bedenking aangenomen, men zou hen voor lichtgelovig hebben kunnen houden, en hun getuigenis zou minder gewicht in de schaal hebben gelegd. Dat zij het echter eerst niet geloofden, toont dat zij het later niet anders dan op goede gronden en uit volle overtuiging hebben geloofd.