Markus 14:12-31
In dezen verzen hebben wij:
I. Christus' eten van het pascha met Zijne discipelen in den nacht voordat Hij stierf, met de vreugde en lieflijkheid van welke inzetting Hij zich bereidde voor Zijn naderend lijden. Het klaar vooruitzicht van dat lijden heeft Hem niet ongeschikt gemaakt voor de plechtige viering van het feest. Gene beduchtheid voor verdriet of benauwdheid, reeds gekomen of nog komende, moet ons ongeschikt maken voor het deelnemen aan een heilige plechtigheid van onzen Godsdienst, als wij er de gelegenheid toe hebben.
1. Christus at het pascha op den gewonen tijd, toen de andere Joden het ook aten, gelijk Dr. Whitby duidelijk heeft aangetoond, en niet, gelijk Dr. Hammond meent, op den avond tevoren. Het was op den eersten dag van het feest, dat (al de acht dagen van het feest insluitende) het feest der ongehevelde broden genoemd wordt, op dien dag namelijk wanneer zij het pascha slachtten, vers 12.
2. Hij onderrichtte Zijne discipelen hoe de plaats te vinden, waar Hij voornemens was het pascha te eten, en daarbij gaf Hij wederom een blijk van Zijn onfeilbare kennis van verwijderde en toekomstige zaken (die ons gans en al toevallig schijnen) zoals Hij dit bewijs ook had gegeven toen Hij hen zond om de ezelin te halen, waarop Hij zijn intocht deed in Jeruzalem, Hoofdstuk 11:6. "Gaat heen in de stad (want het pascha moest te Jeruzalem gegeten worden), en u zal een mens ontmoeten, dragende een kruik waters (een dienstknecht, uitgezonden om water te halen, om zijns meesters kamers schoon te maken), volgt dien, gaat in waar hij ingaat, vraagt naar den heer des huizes, vers 14, en verzoekt hem u een kamer te wijzen." Ongetwijfeld hadden de inwoners van Jeruzalem gereedgemaakte kamers te huur voor deze gelegenheid, ten gerieve van hen, die van buiten kwamen om het pascha te houden en van zulk ene kamer heeft Christus gebruik gemaakt. Het was dus niet in het huis van een vriend of in een huis, dat Hij tevoren bezocht had, want dan zou Hij gezegd hebben: Gaat tot zulk een vriend, of: Gij weet waar wij vroeger geweest zijn, gaat heen, en bereidt het aldaar. Waarschijnlijk ging Hij waar Hij niet bekend was, teneinde ongestoord met Zijne discipelen te kunnen wezen. Wellicht duidde Hij het aan door een teken, om het te verbergen voor Judas, opdat hij het niet zou weten eer hij zelf tot de plaats kwam, en door zulk een teken om te kennen te geven, dat Hij wil wonen in een rein hart, dat is: gewassen als met rein water. Waar Hij voornemens is te komen, moet Hij voorafgegaan worden door een kruik waters, Jesaja 1:16-18.
3. Hij at het pascha in ene opperzaal, toegerust en gereed, estroomenon, met tapijten belegd (naar het gevoelen van Dr. Hammond) het scheen dus een zeer fraaie eetzaal te zijn. Het was er ver vandaan, dat Christus voor Zijn gewone maaltijden streefde naar iets, dat op statigheid geleek, integendeel, Hij gaf de voorkeur aan het eenvoudige, Hij zat neer op het gras. Maar als Hij een heilig en plechtig feest hield, dan wilde Hij ter ere daarvan de kosten doen van zo fraai ene kamer als Hij krijgen kon. God ziet niet op uitwendige pracht, maar Hij ziet op de tekenen van innerlijken eerbied voor een Goddelijke instelling, welke, naar te vrezen is, aan hen ontbreekt, die om kosten te besparen zich het betamelijke in de openlijke Godsverering ontzeggen.
4. Hij at het met de twaalven, die Zijn huisgezin uitmaakten, om aan hen, die de zorg hebben over een gezin, niet slechts een gezin van eigen kinderen, maar ook van dienstboden, of een gezin van leerlingen, te leren den Godsdienst onder hen te handhaven en gezamenlijk met hen God te aanbidden. Indien Christus kwam met de twaalven, dan was ook Judas onder hen, hoewel hij er toen op bedacht was zijn Meester te verraden, en uit hetgeen volgt, vers 20, blijkt duidelijk, dat hij er was. Hij is niet weggebleven, ten einde geen achterdocht tegen zich op te wekken. Indien zijn zetel bij dit feest ledig gebleven ware, zij zouden gezegd hebben wat Saul zei van David: Hem is wat voorgevallen, dat hij niet rein is, voorzeker is hij niet rein, 1 Samuël 20:26. Geveinsden zullen, hoewel zij weten hoe gevaarlijk dit voor hen is, zich altijd naar bijzondere inzettingen begeven, om die bij te wonen, ten einde hun reputatie op te houden en hun geheime boosheid te bewimpelen. Christus heeft hem niet uitgesloten van den maaltijd, hoewel Hij zijne goddeloosheid kende, want zij was nog niet openbaar en tot ergernis geworden. Voornemens zijnde om de sleutelen van het koninkrijk der hemelen aan mensen in handen te geven, die slechts naar het uitwendig aanzien kunnen oordelen, heeft Christus hen hierdoor willen besturen en bemoedigen in hun toelatingen tot des Heeren tafel, om genoegen te nemen met ene belijdenis, die door den uitwendigen levenswandel niet weersproken wordt, omdat zij den wortel der bitterheid niet kunnen zien, vòòr hij ontsproten is.
II. Christus' gesprek met Zijne discipelen terwijl zij het pascha aten. Waarschijnlijk liep, naar de gewoonte van het feest, het gesprek over de verlossing van Israël uit Egypte en de bewaring der eerstgeborenen, en was het even aangenaam als dit altijd was bij deze gelegenheid, totdat Christus hun datgene zei, hetwelk beving mengde met hun verheuging.
1. Het was hun lieflijk en aangenaam in het gezelschap van hun Meester, maar Hij zegt hun, dat zij Hem nu terstond zullen verliezen. "De Zoon des mensen is verraden", en zij wisten, want Hij had het hun dikwijls gezegd, wat volgde. Als Hij verraden is, dan zal de volgende tijding luiden, dat Hij gekruisigd en gedood is. God heeft dit omtrent Hem bepaald, en Hij stemt er mede in. De Zoon des mensen gaat heen, gelijk van Hem geschreven is, vers 21. Het was geschreven in de raadsbesluiten Gods, en geschreven in de profetieën van het Oude Testament, en van beiden kan geen tittel of jota ter aarde vallen.
2. Zij vonden behagen in elkanders gezelschap, maar Christus werpt een schaduw over dit lieflijk samenzijn door hun te zeggen: Een van u, die met Mij eet, zal Mij verraden, vers 18. Christus zei dit om, ware het mogelijk, de consciëntie van Judas wakker te schudden, hem op te wekken tot berouw over zijne boosheid en om nog terug te komen van den rand des afgronds, want daartoe was het nog niet te laat. Maar voor zoveel blijkt was hij, wie de waarschuwing het meest gold, er het minst door getroffen. Al de overigen waren er door getroffen.
a. Zij begonnen bedroefd te worden. Gelijk de herinnering aan onze vroegere zonden, zo kan ook de vrees om wederom in zonde te vallen, het lieflijke van onze geestelijke feestvieringen verbitteren en onze blijdschap benevelen. Hier waren de bittere kruiden, die bij dit pascha gegeten werden.
b. Zij begonnen zich zelven te verdenken, De een na den ander zei: Ben ik het? en een ander: Ben ik het? Zij verdienen lof wegens hun Christelijke liefde, die hen drong om eerder zich zelven dan elkaar te verdenken. Het is de wet der liefde om het beste te hopen, 1 Corinthiërs 13:5-7, omdat wij het kwaad in ons zeker weten, kunnen wij er ons zelven ook met meer recht van verdenken dan onze broederen. Er komt hun ook lof toe wegens hun berusten in hetgeen Christus zei. Zij betrouwden meer op Zijne woorden dan op hun eigen hart, daarom zeggen zij niet: "Ik weet zeker dat ik het niet ben", maar: "Ben ik het, Heere? Zie, of er zulk een schadelijke weg in ons is, zulk een wortel der bitterheid, en ontdek het ons, opdat wij dien wortel mogen uitrukken en dien weg mogen afsluiten". In antwoord nu op hun vraag zegt Christus hun:
A. Wat hen gerust kon stellen. Gij zijt het niet en gij niet, hij is het, die nu met Mij in den schotel indoopt, de tegenstander en vijand is deze boze Judas.
B. Naar men nu zou denken, moet dit Judas heel ongerust hebben gemaakt. Volvoert hij zijn plan, er hangt hem een scherp zwaard boven het hoofd, want: Wee den mens, door welken de Zoon des mensen verraden wordt, hij is verloren, voor eeuwig verloren. Hij zal zijne zonde gewaar worden, als zij hem vinden zal, en het ware hem goed nooit te zijn geboren, nooit het aanzien te hebben gehad ware hem beter dan zulk een rampzalig aanzijn te hebben als hem nu wacht. Zeer waarschijnlijk heeft Judas zich bemoedigd met de gedachte, dat zijn Meester dikwijls gezegd had, dat Hij verraden moest worden. Als het dan geschieden moet, dan zal God toch voorzeker hem niet schuldig houden, die het doet, want wie kan Zijn wil weerstaan? zoals de tegenstander redeneert, Romeinen 9:19. Maar Christus zegt hem dat dit geen verontschuldiging voor hem zijn zal. De Zoon des mensen gaat wel heen, gelijk van Hem geschreven is, als een lam ter slachting, maar wee dien mens, door wie Hij verraden wordt. Gods raadsbesluiten om de zonden der mensen toe te laten en ze te doen uitlopen tot Zijne eer, maken die zonden niet noodzakelijk, en zullen ze niet verontschuldigen, evenmin als zij er de straf voor zullen verzachten. Wèl is Christus door den bepaalden raad en voorkennis Gods overgegeven, maar desniettemin is het "door de handen der onrechtvaardigen, dat Hij aan het kruis gehecht en gedood is," Handelingen 2:23.
III. De instelling van des Heeren Avondmaal.
1. Het werd ingesteld aan het einde van den paasmaaltijd, toen zij voldoende gespijzigd waren met het paaslam, om aan te tonen dat er met des Heeren Avondmaal geen lichamelijke spijziging bedoeld is. Het door zo iets te laten voorafgaan zou wezen Mozes te doen herleven. Neen, het is alleen voedsel voor de ziel, en daarom is zeer weinig, slechts zoveel als tot teken of zinnebeeld kan dienen, daarvoor genoeg. Het was aan het einde van den paasmaaltijd, waardoor het tot een Evangelische inzetting werd gemaakt en daarna opgeheven werd. Zeer veel omtrent de leer en de plichten, het Avondmaal betreffende, wordt ons opgehelderd door de wet van het pascha, Exodus 12, want de Oud Testamentische inzettingen zijn voor ons wel niet bindend, maar met de hulp van den Evangeliesleutel zijn zij leerrijk voor ons. En deze twee inzettingen hier zo dicht bij elkaar vindende, kan het goed wezen ze te vergelijken, en op te merken hoeveel korter en eenvoudiger des Heeren Avondmaal is, dan het Pascha. In vergelijking met de ceremoniële wet is Christus' juk zacht en licht, en Zijne inzettingen zijn geestelijker.
2. Het werd ingesteld door het voorbeeld van Christus zelf, niet met de ceremonie en plechtigheid van ene wet, zoals de inzetting van den doop na Christus' opstanding, Mattheus 28:19, met :"Dit zij vastgesteld op voornoemd gezag," door de macht aan Christus gegeven in hemel en op aarde, vers 18, maar door de handeling van onzen Meester zelven, omdat het bestemd was voor hen, die reeds Zijne discipelen waren en in het verbond met Hem opgenomen, maar het heeft het verplichtende van ene wet, en is bestemd om tot aan Zijne wederkomst volkomen geldig en van kracht te blijven.
3. Het werd ingesteld met dankzegging, aldus moeten de gaven der gewone voorzienigheid ontvangen worden, 1 Timotheus 4:4, 5. Ook bij Zijn andere maaltijden was Hij gewoon te zegenen en te danken, Hoofdstuk 6:41, 8:7, en wel op zo merkwaardige wijze, dat Hij er aan gekend werd, Lukas 24:30, 31. En hetzelfde deed Hij aan dezen maaltijd.
4. Het werd ingesteld tot ene gedachtenis aan Zijn dood, en daarom brak Hij het brood, om aan te tonen hoe het den Heere behaagde Hem te verbrijzelen, en Hij noemde den wijn, die druivebloed is, het bloed des Nieuwen Testaments. De dood, dien Christus stierf, was een bloedige dood, en er wordt dikwijls melding gemaakt van het bloed, het dierbaar bloed, als van den prijs onzer verlossing, want het bloed is het leven, en heeft verzoening gedaan voor de ziel, Leviticus 17:11-14. De uitstorting van het bloed was de merkbaarste aanduiding van de uitstorting Zijner ziel, Jesaja 53:12. Bloed heeft ene stem, Genesis 4:10, en daarom wordt het bloed zo dikwijls vermeld, wijl het moest spreken, Hebreeën 12:24. Het wordt genoemd het bloed des Nieuwen Testaments, want het verbond der genade werd een testament, en het werd van kracht bij den dood van Christus, den testamentmaker, Hebreeën 9:16. Het wordt gezegd vergoten te zijn voor velen, om velen rechtvaardig te maken, Jesaja 53:11, om vele kinderen tot de heerlijkheid te leiden, Hebreeën 2:10. Het was genoegzaam voor velen, daar het van oneindige waardij is, het is nuttig geweest voor velen, wij lezen van een grote schare, die niemand tellen kan, die hun lange klederen gewassen hebben, en ze wit gemaakt hebben in het bloed des Lams, Openbaring 9:7-14, en nog is het een geopende fontein. Hoe troostrijk is dit voor arme, berouwvolle zondaren, dat het bloed van Christus vergoten is voor velen! indien voor velen, waarom dan ook niet voor mij? Indien voor zondaren, zondaren uit de heidenen, den voornaamste der zondaren, waarom dan niet ook voor mij?
5. Het werd ingesteld om ene bekrachtiging te zijn van het verbond, in Hem, gemaakt met ons, en een teken van de overdracht aan ons van die zegeningen en weldaden, welke ons verkregen zijn door Zijn dood, en daarom brak Hij het brood voor hen, vers 22, en zei: "Neemt, eet" er van. Hij gaf hun den beker en gebood hun er van te drinken, vers 23. Past de leer van Christus gekruisigd toe op uzelven, en laat zij spijs en drank zijn voor uwe zielen, u versterkende, u voedende, u verkwikkende, steun en vertroosting zijnde van uw geestelijk leven.
6. Het was ingesteld met het oog op de zaligheid des hemels, om er een voorsmaak en onderpand van te zijn, en ons daardoor den smaak te benemen voor de genoegens en de verlustiging der zinnen, vers 25. "Ik zal niet meer drinken van de vrucht des wijnstoks, als ene verkwikking voor het lichaam." Daarmee heb Ik afgedaan. Niemand, die geestelijke genietingen gesmaakt heeft, zal terstond naar de genietingen der zinnen verlangen, want hij zegt: de geestelijke zijn beter, Lukas 5:39, maar een iegelijk, die geestelijke genietingen gesmaakt heeft, begeert terstond de eeuwige, want hij zegt: Dezen zijn nog beter, en daarom, laat mij niet meer drinken van de vrucht des wijnstoks, zij is smakeloos voor hen, aan wie het gegeven werd te drinken van de rivier van Gods genietingen, maar, Heere, verhaast den dag, wanneer ik dezelve nieuw zal drinken in het koninkrijk Gods, waar zij altijd nieuw en altijd volmaakt zal wezen.
7. Het werd besloten met een lofzang, vers 26. Hoewel Christus van vijanden omringd was, heeft Hij toch niet uit vrees voor hen den lieflijken plicht van psalmen te zingen nagelaten. Paulus en Silas zongen toen de gevangenen hen hoorden Dit was een Evangelisch lied, en van Evangelietijden wordt in het Oude Testament dikwijls gesproken als van tijden van verheuging, en lof wordt uitgedrukt door zingen. Dit was Christus' zwanenzang, dien Hij zong even voordat Hij inging tot Zijn lijden, Zijne doodsbenauwdheid. Het was waarschijnlijk wat gewoonlijk bij die gelegenheden gezongen werd, namelijk Psalm 113-118. IV. Christus' gesprek met Zijne discipelen toen zij bij maanlicht naar Bethanië terugkeerden. Als zij den lofzang gezongen hadden, gingen zij uit. Het was nu omtrent den tijd wanneer men zich ter ruste begaf, maar onze Heere Jezus was in Zijn hart zo bezig met Zijn lijden, dat Hij in de tent Zijns huizes niet wilde ingaan, op de koets van Zijn bed niet wilde klimmen en Zijn oogleden geen slaap wilde geven, als dat werk nog gedaan moest worden, Psalm 132:3, 4.. Den Israëlieten was het verboden uit hun huizen te gaan in den nacht, toen zij het pascha aten, uit vrees voor het zwaard van den verderver, Exodus 12, 22, 23.. Maar omdat Christus, de grote Herder, geslagen zou worden, ging Hij voorbedachtelijk uit om zich als kampioen bloot te stellen aan het zwaard.
Zij hebben den verderver ontweken, maar Hij heeft hem overwonnen en de verwoestingen voleind in eeuwighèid.
1. Christus voorzegt hier dat Hij in Zijn lijden door al Zijne discipelen zal worden verlaten, " Gij zult in dezen nacht allen aan Mij geërgerd worden." Ik weet dat gij dit zijn zult, vers 27, en wat Ik u nu zeg, is niets anders dan wat de Schrift u tevoren gezegd heeft: "Ik zal den Herder slaan, en de schapen zullen verstrooid worden." Christus wist dit tevoren, en toch heette Hij hen welkom aan Zijne tafel, Hij voorziet den val Zijner discipelen, en hoe zij zich zullen misdragen, en toch wijst Hij hen niet af. En zo moeten wij niet ontmoedigd zijn om aan des Heeren Avondmaal te komen door de vrees van later weer in zonde te vallen, hoe groter ons gevaar is, hoe meer wij nodig hebben ons te versterken door een naarstig gebruik maken van de heilige inzettingen. Christus zegt hun dat zij aan Hem geërgerd zullen worden, dat zij zullen beginnen te twijfelen of Hij wel waarlijk de Messias was, als zij Hem overweldigd zullen zien door Zijne vijanden. Totnutoe waren zij met Hem gebleven in Zijne verzoekingen, hoewel zij Hem soms geërgerd hadden, hadden zij zich toch niet aan Hem geërgerd, noch Hem den rug toegekeerd, maar nu zal de storm zo fel zijn, dat zij allen hun anker zullen laten glippen en dus gevaar lopen van schipbreuk te lijden. Sommige beproevingen zijn van meer bijzonderen aard, (zoals Openbaring 2:10, "de duivel zal enigen van ulieden in de gevangenis werpen, " maar andere zijn van algemenen aard, ene "ure der verzoeking, die over de gehele wereld komen zal", Openbaring 3:10. Het slaan van den herder heeft dikwijls het verstrooien der schapen tengevolge. Indien overheidspersonen, leraren, hoofden van gezinnen zijn wat zij behoren te zijn, namelijk herders voor hen, die aan hun hoede zijn toevertrouwd, dan zal, zo iets kwalijk met hen gaat, de gehele kudde er onder lijden en er door in gevaar gebracht worden. Maar Christus vertroost hen met de belofte, dat zij zich wederom zullen herstellen, terug zullen keren tot hun plicht en hun vertroosting, vers 28. "Nadat Ik zal opgestaan zijn, zal Ik u vergaderen uit alle plaatsen waarheen gij verstrooid zijt. Ik zal u voorgaan naar Galilea, onze vrienden zien, en aldaar zullen wij van elkaar genieten."
2. Hij voorzegt dat Hij inzonderheid door Petrus verloochend zal worden. Toen zij uitgingen naar den Olijfberg, kunnen wij veronderstellen, dat zij Judas kwijt waren geraakt (hij was stil weggeslopen), waarop de overigen hoge gedachten van zich zelven begonnen te koesteren, zij zouden wel bij hun Meester blijven, toen Judas Hem had verlaten. Maar Christus zegt hun, dat zij, hoewel zij door Zijne genade bewaard zullen blijven van Judas, afval, toch volstrekt niet te roemen zullen hebben op hun standvastigheid. Hoewel God ons bewaart van even slecht te zijn als de slechtsten, moeten wij toch zeer beschaamd zijn bij de gedachte, dat wij niet beter zijn dan wij zijn.
a. Petrus gevoelt er zich gans zeker van, dat hij zich niet zo slecht zal gedragen als de overige discipelen, vers 29, Of zij ook allen geërgerd werden, al zijne broederen, hier tegenwoordig, zo zal ik toch niet geërgerd worden. Hij denkt zich niet slechts sterker dan anderen, maar zo veel sterker, dat hij den schok der verzoeking gans alleen zal kunnen weerstaan, dat hij standvastig zal blijven, al is er ook niemand bij hem. Het zit ons in het bloed om goed te denken van ons zelven en op ons eigen hart te vertrouwen.
b. Christus zegt hem dat hij slechter zal handelen dan iemand hunner. Allen zullen zij Hem verlaten, maar hij zal Hem verloochenen, niet eenmaal, maar driemaal, en dat wel terstond, "heden, in dezen nacht, eer de haan tweemaal gekraaid zal hebben, zult gij loochenen dat gij Mij ooit gekend hebt, of bekend met Mij geweest zijt, als iemand die zich schaamt en bevreesd is Mij te erkennen."
c. Hij blijft bij zijne belofte, "Al moest ik met U sterven", zal ik U toch blijven aankleven, en ongetwijfeld dacht hij wat hij zei. Judas heeft niets van dien aard gezegd, toen Christus hem zei dat hij Hem zou verraden. Hij zondigde met voorbedachten rade, Petrus door verrassing, Judas heeft de ongerechtigheid bedacht, Micha 2:1, Petrus is door deze misdaad overvallen, Galaten 6:1. Petrus heeft slecht gehandeld toen hij zijn Meester tegensprak. Indien hij met vreze en be ven gezegd had: "Heere, verleen mij de genade van mij te weerhouden van U te verloochenen, leid mij niet in verzoeking, verlos mij van dit boze", dan zou het wellicht voorkomen zijn, maar allen waren zij zo gerust. Zij, die gezegd hadden: Ben ik het, Heere? zeiden nu: "Nooit zal ik dat wezen." Verlost zijnde van hun vrees van Christus te verraden, meenden zij nu veilig te zijn. Maar hij die staat moet leren toezien, dat hij niet valle, en wie zich aangordt, moet zich niet beroemen als die zich losmaakt.