Markus 11:1-11
Wij hebben hier het verhaal van den openbaren intocht van Christus in Jeruzalem vier of vijf dagen voor Zijn dood. En Hij kwam op deze opmerkelijke wijze in de stad:
1. Om te tonen dat Hij niet bevreesd was voor de macht en de kwaadwilligheid Zijner vijanden te Jeruzalem. Hij is niet sluipenderwijs en incognito in de stad gekomen als iemand, die zijn gelaat niet durfde vertonen, neen, zij behoefden gene spionnen te zenden om Hem te zoeken, Hij komt openlijk, voor aller oog. Dit zal ene bemoediging geweest zijn voor Zijne discipelen, die schuchter van aard waren en gans moedeloos bij de gedachte aan de macht en de woede hunner vijanden, Iaat hen zien hoe kloekmoedig zij allen door hun Meester worden getart.
2. Om te tonen dat Hij niet terneergeslagen was of ontrust bij de gedachte aan Zijn naderend lijden. Hij kwam niet slechts openlijk, maar blijmoedig en onder vreugdekreten. Hoewel Hij nu nog slechts uitging ten krijg en zich gordde, was Hij toch zo volkomen zeker van de overwinning, dat Hij aldus triomfeert, alsof Hij zich reeds losmaakte.
I. Het uiterlijke van dien triomftocht was zeer gering, Hij reed op het veulen ener ezelin, dus op een ezel, een dier van gering voorkomen, waarmee dus geen praalvertoning gemaakt kon worden, en daar het een veulen was, op hetwelk geen mens gezeten heeft, kunnen wij veronderstellen dat het ruw en onopgetuigd was, en dat niet alleen, maar ook ruw en halsstarrig, waardoor de plechtigheid dus eerder belemmerd dan opgeluisterd kon worden. Dit veulen was ook geleend. Christus ging op het water in een geleend schip, Hij at het pascha in een geleende opperzaal, Hij werd begraven in een geleend graf, en hier reed Hij op een geleend ezelsveulen. Laat de Christenen het niet versmaden om verplichting aan elkaar te hebben en, als het nodig is, van elkaar te lenen, want onze Meester heeft het ook niet versmaad. Hij had geen fraai of sierlijk tuig voor Zijn lastdier, zij wierpen hun klederen op het veulen, en zo zat Hij op hetzelve, vers 7. De personen, die Hem vergezelden, behoorden tot het geringe volk, en al de vertoning, die zij konden maken, bestond hierin, dat zij hun klederen op den weg spreidden en meien van de bomen hieuwen, en ze op den weg spreidden, vers 8, zoals zij bij het Loofhuttenfeest plachten te doen. Dit alles was een teken Zijner vernedering, zelfs als Hij opgemerkt wil worden, zal Hij nog opgemerkt worden om Zijne geringheid, en voor ons is er de lering in gelegen, om niet te trachten naar hoge dingen maar ons te voegen tot de nederigen. Hoe weinig betaamt het aan Christenen een groten staat te voeren, als Christus daar toch zo afkerig van was!
II. Het innerlijke van Zijn triomftocht was zeer groot, niet slechts omdat er de Schrift door vervuld werd (waarvan hier niet, zoals in Mattheus gesproken wordt) maar ook omdat door al die geringheid toch menige straal van Christus' heerlijkheid geschitterd heeft.
1. Christus toonde Zijne bekendheid met dingen, die op een afstand waren, en Zijne macht over den wil des mensen, toen Hij Zijne discipelen om het veulen zond, vers 1-3. Hieruit blijkt dat Hij alles doen kan, alles vermag, en dat Hem gene gedachte onthouden kan worden.
2. Hij toonde Zijne heerschappij over de schepselen, door op een veulen te rijden, dat nog nooit bereden was geworden. Het onderworpen zijn van het lagere deel der schepping aan den mens wordt vermeld met toepassing op Christus, 8:6, 7, vergeleken met Hebreeën 2:8, want aan Hem en Zijn middelaarschap is het te danken, dat er nog voordeel en nuttigheid voor ons is overgebleven uit de schenking Gods aan den mens van de heerschappij over deze lagere wereld. Genesis 1:28. En wellicht heeft Christus door op het veulen ener ezelin te rijden een schaduw willen tonen van Zijne macht over den geest des mensen, die geboren is als het veulen eens woudezels, Job 11:12.
3. Het veulen werd gehaald van een plaats, waar ene weg scheiding was, vers 4, alsof Christus wilde tonen, dat Hij gekomen is om diegenen op den rechten weg te leiden, die voor twee wegen stonden en gevaar liepen van op den verkeerden weg te gaan.
4. Christus ontving de blijde hosanna's van het volk, dat is: zowel het welkom dat zij Hem toeriepen, als hun goede wensen voor den voorspoed van Zijn koninkrijk, vers 9. Het was God, die het in het hart dezer lieden had gegeven om hosanna te roepen, zij waren er door geen kunstgrepen toe gebracht, zoals diegenen, die later Kruis hem! kruis hem! hebben geroepen. Christus acht zich geëerd door het geloof en den lof der scharen, en het is God, die de mensen er toe brengt om Hem deze eer te bewijzen.
a. Zij verwelkomden Zijn persoon, vers 9, Gezegend is Hij, die komt, de ho erchomenos, Hij die komen zou, zo dikwijls beloofd en zolang verwacht. Hij komt in den naam des Heeren, als Gods gezant in deze wereld, Gezegend zij Hij, laat Hem onze toejuichingen ontvangen en onze genegenheid, Hij is een gezegende Zaligmaker en brengt zegeningen tot ons, en gezegend zij Hij, die Hem zond. Hij zij gezegend in den naam des Heeren, en laat alle volken en alle tijden Hem gezegend noemen, hoog van Hem denken en met hogen eerbied van Hem spreken.
b. Zij uitten goede wensen voor Zijne belangen, vers 10. Zij geloofden dat Hij, hoe gering en armelijk Zijn optreden ook was, een koninkrijk had, dat weldra in de wereld opgericht zal worden, dat het het koninkrijk was van hun vader David (dien vader zijns lands) het koninkrijk, dat aan hem en zijn zaad tot in eeuwigheid beloofd was, een koninkrijk, dat kwam in den naam des Heeren, door Goddelijk gezag ondersteund. Gezegend zij dat koninkrijk, laat het gefundeerd worden, laat het komen met macht, en laat alle overheid en heerschappij en macht, die er zich tegen stellen, worden neergeworpen, laat het heengaan overwinnende en opdat het overwinne. Hosanna dit koninkrijk, mogen voorspoed en geluk het vergezellen. De eigenlijke betekenis van hosanna vinden wij in Openbaring 7:10. De zaligheid zij onzen God, die op den troon zit, en het Lam. Voorspoed aan den Godsdienst, zowel den natuurlijken als den geopenbaarden, hosanna in de hoogste hemelen! Lof zij onzen God, die in de hoogste hemelen is, God, tot in eeuwigheid gezegend. Of: Laat Hem geprezen worden door Zijne engelen, die in de hoogste hemelen zijn, laat onze hosanna's de echo wezen van de hun. Christus, aldus begeleid en toegejuicht, kwam in de stad, en ging terstond naar den tempel. Hier was geen maaltijd van wijn, die Hem bereid was, geen de minste verfrissing, maar onmiddellijk begaf Hij zich tot Zijn werk, want dat is Zijn spijs en drank geweest. Hij ging naar den tempel, opdat de Schrift zou vervuld worden: Snellijk zal tot Zijn tempel komen die Heere, dien gijlieden zoekt, zonder onmiddellijke kennisgeving van Zijne komst te zenden, Hij zal u verrassen met een dag der bezoeking, want Hij zal zijn als het vuur eens goudsmids en als zeep der vollers, Maleachi 3:1-3. Hij kwam tot den tempel, en nam er den toestand van in ogenschouw, vers 11. Hij bezag alles rondom, maar zei nog niets. Hij zag er veel onordelijkheid, maar Hij zweeg, Psalm 50:21. Hoewel Hij voornemens was die wanorde te doen ophouden, wilde Hij dit toch niet plotseling doen, om den schijn niet te hebben van het roekeloos te doen. Hij liet voor dien nacht de dingen zoals zij waren met het voornemen om zich den volgenden morgen tot het werk der nodige hervorming te begeven. Wij kunnen er gerust op zijn, dat God al de boosheid ziet, die er in de wereld is, al houdt Hij er voor het ogenblik geen rekening mede en werpt Hij het niet uit. Zijne aanmerkingen gemaakt hebbende op hetgeen Hij in den tempel zag, trok Christus zich des avonds terug in het huis van een vriend in Bethanië, omdat Hij daar verder verwijderd was van het rumoer der stad en uit den weg van verdacht te worden van de bedoeling om zich aan het hoofd ener partij te stellen.