Nehemia 13:1-9
Het was de eer van Israël en het strekte ten zeerste tot bewaring en instandhouding van hun heiligheid, dat zij een bijzonder volk waren, en zich niet met de heidenen moesten vermengen, noch die meesten toelaten zich bij hen in te lijven.
Nu hebben wij hier:
I. De wet hieromtrent, die op die dag voor de oren van het volk gelezen werd, vers 1. Het schijnt op de dag van de inwijding van de muur geweest te zijn, want met hun gebeden en lofzeggingen hebben zij ook de lezing van het woord gepaard laten gaan, en hoewel het lang daarna was, dat de andere grieven, hier vermeld door het gezag van Nehemia uit de weg werden geruimd, kan deze van de vermenging toen wel weggenomen zijn door de daad van het volk zelf, want zo schijnt het geschied te zijn, vers 3. Of het was misschien op de jaarlijkse gedachtenisviering van die dag enige jaren later, en wordt het daarom gezegd, dat het te dien dage geweest is. Zij vonden een wet, dat de Ammonieten en Moabieten niet genaturaliseerd mochten worden, zich niet onder hen mochten vestigen, noch zich met hen mochten verenigen, vers 1. De reden, hiervoor gegeven, is omdat zij kwaadwillig geweest zijn voor de God van Israël, vers 2, hun de gewone burgerlijke beleefdheid niet hadden bewezen, maar het op hun verderf hadden toegelegd, hoewel de kinderen van Israël hun niet slechts geen kwaad hadden gedaan, maar het hun uitdrukkelijk verboden was hun schade of leed te berokkenen. De wet met deze reden hebben wij in Deuteronomium 23:3-5.
II. De gehoorzame onderwerping van het volk aan deze wet, vers 3. Zie het nut en voordeel van de openbare lezing van Gods woord, als er behoorlijk acht op wordt geslagen ontdekt het ons zonde en plicht, goed en kwaad, en toont het ons waarin wij gedwaald hebben. Wij zullen ons nut en voordeel doen met de ontdekking, als zij de uitwerking op ons heeft dat wij ons afscheiden van al het kwaad, waaraan wij ons hadden overgegeven. "Zo geschiedde het, dat zij alle" "vermenging van Israël afscheidden," die vanouds zo'n strik voor hen geweest is, want "het gemene volkje, dat in het midden van hen was," "werd met lust bevangen," Numeri 11:4. Deze inwoners wierpen zij uit, als zijnde gevaarlijke overweldigers.
III. Het bijzondere geval van Tobia, die een Ammoniet was, en op wie de gewijde geschiedschrijver waarschijnlijk het oog had in het herhalen van die wet, vers 1, en in de reden er voor opgegeven, vers 2. Want hij koesterde dezelfde vijandschap tegen Israël als zijn voorouders tegen hen gekoesterd hadden. Dit bleek uit zijn toorn op Nehemia, Hoofdst. 2:10, en zijn tegenstand0 tegen hem, Hoofdst. 4:7.
Merk op:
1. Hoe laaghartig Eljasib, de hoofdpriester, deze Tobia een woning gaf, zelfs in het voorhof van de tempel.
A. Hij was eerst door huwelijk aan Tobia verwant, en daarna aan hem verbonden door vriendschap. Zijn kleinzoon had Sanballats dochter gehuwd, vers 28. Waarschijnlijk zal een ander van zijn gezin Tobia's dochter gehuwd hebben, en (zou men het geloven?) de hogepriester beschouwde die verbintenis als een eer voor zijn geslacht, en was er trots op, hoewel zij in werkelijkheid de grootste smaad en schande voor hem was. Het was uitdrukkelijk in de wet bepaald dat de hogepriester "een maagd uit zijn eigen volk zou hangen" want anders zou hij zijn zaad onder zijn volk ontheiligen, Leviticus 21:14. En dat Eljasib een verbintenis aanging met een Ammonietise knecht (want zo wordt hij genoemd) en er zich op liet voorstaan, waarschijnlijk omdat hij een geestig man was en voor een voornaam heer doorging, Hoofdst. 6:19, was zo'n minachting van de kroon van zijn wijding, dat men wel zou wensen dat het niet verteld werd in Gath, niet verkondigd werd in de straten van Askelon.
B. Verwant aan hem zijnde, moet hij ook bekend met hem wezen. Tobia was een man van zaken, en had dikwijls gelegenheid om te Jeruzalem te komen, maar ik twijfel er aan of het met goede bedoelingen was. Eljasib is zijn nieuwe bloedverwant zeer genegen, zijn gezelschap is hem aangenaam, en daarom moet hij hem zo dicht mogelijk in zijn nabijheid hebben, hij heeft in zijn eigen woning in de voorhoven van de tempel, geen kamer die fraai en statig genoeg voor hem is, daarom bedacht hij om van verscheiden kleine vertrekken, die tot voorraadkamers plachten gebruikt te worden een grote statige kamer te maken voor Tobia, door de beschotten of binnenmuren ervan weg te nemen, vers 5. Het was een ongelukkige zaak:
a. Dat Tobia de Ammoniet, met achting en eerbied in Israël onthaald werd.
b. Dat de hogepriester, die het volk de wet had moeten leren en hun een goed voorbeeld had moeten geven, hem, in tegenspraak met de wet, gastvrijheid verleende, en de macht, die hij bezat als opziener over de kamers van de tempel tot dat doel heeft gebruikt.
c. Dat hij hem in de voorhoven van Gods huis verblijf gaf, als om God zelf te tarten, dit was schier even slecht als er een afgod op te richten, zoals de goddeloze koningen vanouds gedaan hadden. Een Ammoniet mocht niet in de vergadering komen, en zal nu één van de slechtste en snoodste van de Ammonieten onthaald en geliefkoosd worden in de tempel zelf?
d. Dat hij de voorraad uit de tempel verwijderde om plaats voor hem te maken, en die voorraad aldus gevaar liet lopen van verloren te gaan, bedorven of gestolen te worden, hoewel het de delen van de priesters waren, bloot en alleen om Tobia genoegen te doen. Aldus heeft hij "het verbond van Levi verdorven," zoals Maleachi toen klaagde, Hoofdst. 2:8. Wel mocht Nehemia er bijvoegen: doch onder dit alles was ik niet te Jeruzalem vers 6. Indien hij er geweest was, de hogepriester zou dit niet hebben durven doen. De afgunstige, die onkruid zaait op Gods akker, weet de gelegenheid waar te nemen om dit te doen, als de "dienaren slapen," of afwezig zijn, Mattheus 13:25. Het gouden kalf werd gemaakt toen Mozes op de berg was.
2. Hoe kloekmoedig Nehemia, de opperlandvoogd, hem met wat hem behoorde, buiten wierp, en de kamers weer voor haar eigen gebruik inrichtte. Toen hij te Jeruzalem kwam, en van de Godvrezenden aldaar, die er over bedroefd waren, hoorde welk een gemeenzaamheid er ontstaan was tussen hun hoofdpriester en hun voornaamste vijand, mishaagde hem dit zeer, vers 7, 8, dat Gods huis aldus ontheiligd werd, Zijn vijanden aldus geliefkoosd en vertrouwd werden, en Zijn zaak verraden door hem, die er de beschermer van had moeten wezen. Niets smart een Godvruchtige, een goed overheidspersoon, meer dan de dienaren van Gods huis iets slechts te zien doen. Nehemia heeft macht, en hij gebruikt haar voor God. a. Tobia zal buitengeworpen worden, hij vreest niet hem te beledigen, vreest zijn toorn niet, noch die van Eljasib, verontschuldigt er zich ook niet over, dat hij tussenbeiden treedt in een zaak, die tot het rechtsgebied van de hogepriester behoorde, maar als een man, die door ijver wordt bezield voor een goede zaak wierp hij de indringer uit, door al zijn huisraad naar buiten te werpen. Hij heeft daar geen beslag op gelegd om het voor zijn eigen gebruik aan te wenden, maar wierp het naar buiten opdat Tobia, die toen waarschijnlijk afwezig was, als hij terugkwam geen gerieflijkheden tot zijn ontvangst zou vinden. Onze Heiland heeft aldus de tempel gereinigd, opdat het huis van gebed geen moordenaarskuil zou zijn. En zij, die de zonde willen uitwerpen uit het hart die levenden tempel, moeten er het huisraad van buiten werpen, en alle voorziening, die er voor gemaakt is, beroof haar, verhonger haar neem alles weg wat voedsel en brandstof is voor de lusten, dat is in werkelijkheid haar te doden.
b. De tempelvoorraad zal teruggebracht worden, en de vaten van het huis Gods zullen op hun plaats gesteld worden. Maar de kamers moeten eerst besprengd worden met het water van de reiniging, of van de afzondering en aldus worden gereinigd, omdat zij ontheiligd waren. En als door berouw en bekering de zonde is uitgeworpen uit het hart, laat dan het bloed van Christus door het geloof er op worden toegepast, en laat het daarna voorzien worden van de genade van Gods Geest voor ieder goed werk.