Leviticus 6:24-30
Wij hebben hier van de wet van het zondoffer, dat, wat betrekking had op de priester, die het offerde. Zoals:
1. Dat het geslacht moet worden in de plaats waar het brandoffer geslacht wordt, vers 25 namelijk aan de noordzijde van het altaar Hoofdstuk 1:11, hetgeen, naar sommigen denken zag op de kruisiging van Christus op Calvarië, dat aan de noordzijde van Jeruzalem lag.
2. Dat de priester, die het offerde voor de zondaar, het vlees er van (met zijn zonen of met andere priesters) moest eten, vers 29 nadat het bloed en het vet aan God geofferd waren, in de voorhof van de tent van de samenkomst, vers 26. Hierdoor moesten zij de ongerechtigheid van de vergadering dragen, zoals dit verklaard wordt in Hoofdstuk 10:17.
3. Het bloed van het zondoffer moest met grote eerbied uit de kleren gewassen worden, waarop het gesprengd mocht zijn, vers 27 hetgeen wees op de grote eerbied, die wij moeten hebben voor het bloed van Christus, het niet gemeen achtende, dat bloed moet gesprengd worden op het geweten, niet op het gewaad.
4. De pan, waarin het vlees van het zondoffer gekookt werd, moest gebroken worden als het een aarden pan was, maar zo het een koperen pan was, moest zij goed geschuurd en uitgewassen worden, vers 28. Dit gaf te kennen, dat de verontreiniging niet geheel weggenomen werd door het offer, maar er veeleer aan bleef kleven, zodanig was het zwakke en gebrekkige van deze offers, maar het bloed van Christus reinigt volkomen van alle zonde, en daarna is geen andere reiniging nodig.
5. Dat dit alles verstaan moest worden van de zondoffers, niet voor die van de priester, of geheel de vergadering, hetzij die bij bijzondere gelegenheden gebracht werden, of naar de vastgestelde wet, zoals op de verzoendag, want het was tevoren verordend en nu bevestigd, dat, indien het bloed van het offer in de heilige plaats gebracht werd, zoals in die buitengewone gevallen, het vlees niet gegeten, maar buiten het leger verbrand moest worden, vers 30. Hieruit leidt de apostel het voordeel af, dat wij onder het Evangelie hebben boven dat, wat zij hadden onder de wet, want ofschoon het bloed van Christus in het heiligdom gebracht is, om in de heilige plaats verzoening te doen, hebben wij door het geloof toch het recht om van het altaar te eten, Hebreeën 13:10-12, en de vertroosting te smaken van deze grote verzoening.