Leviticus 23:33-44
Wij hebben hier de inzetting van het loofhuttenfeest, dat één van de drie grote feesten was, waarop alle mannen in Israël verplicht waren bijeen te komen om voor Gods aangezicht te verschijnen, eerst ter plaatse waar de tabernakel, en in latere tijden waar de tempel was. Dit feest moest met meer uitdrukkingen van vreugde gevierd worden dan de andere.
I. Het moest gevierd worden op de vijftiende dag van de zevende maand, vers 34, slechts vijf dagen na de verzoendag. Hoewel zij niet allen verplicht waren om op de verzoendag, evenals op de drie grote feesten, naar de plaats te gaan, waar de tabernakel of de tempel was, kunnen wij toch veronderstellen dat veel vrome Joden zoveel dagen vóór het Loofhuttenfeest derwaarts heengingen, dat zij in de gelegenheid waren om die dag daar te vieren. De verootmoediging van hun zielen op de verzoendag bereidde hen voor de vreugde van het loofhuttenfeest. Hoe meer bedroefd en verootmoedigd wij zijn om de zonde, hoe meer geschikt wij zijn om de vertroostingen van de Heilige Geest te ontvangen. De blijdschap van dit feest was hun een vergoeding voor de droefheid van die vastendag, want die in tranen zaaien zullen met gejuich maaien.
II. het moest acht dagen duren, waarvan de eerste en de laatste als sabbaten moesten waargenomen worden, dagen van heilige rust en heilige samenroeping, vers 35, 36, 39. Van de offeranden, die in deze acht dagen geofferd moesten worden, vinden wij een uitvoerige beschrijving in Numeri 29:12 en verv.
III. Gedurende de eerste zeven dagen van dit feest moest het gehele volk, behalve de vrouwen en kinderen, hun huizen verlaten en in tenten wonen, die van de takken van dikke bomen, inzonderheid van palmbomen, gemaakt werden, vers 40, 42. De Joden beschouwen het nemen van de takken als een afzonderlijke plechtigheid, onderscheiden van die van het maken van de loofhutten. Er is wel gezegd Nehemia 8:16, dat zij hun loofhutten maakten van de takken van de bomen, hetgeen zij mochten doen, maar toch als uitdrukking van hun vreugde palmtakken in hun handen konden dragen, hetgeen ook bij andere gelegenheden een teken van gejuich en vrolijkheid scheen te zijn, Johannes 12:13, en er is een toespeling op in Openbaring 7:9. Sommigen houden de achtste dag voor een afzonderlijk feest, maar in Johannes 7:37 wordt hij "de grote dag van het feest" genoemd, het was de dag, waarop zij hun loofhutten verlieten om weer in hun huizen te gaan wonen.
IV. Zij moesten voor het aangezicht des Heeren huns Gods vrolijk zijn gedurende al de dagen van dit feest, vers 40. Volgens de overlevering van de Joden moesten zij aan hun vreugde uiting geven door dansen en het zingen van lofliederen ter ere van God, met begeleiding van muziekinstrumenten, en dat niet slechts het gewone volk, maar ook de wijzen in Israël en hun ouderlingen moesten dit doen in de voorhof van het heiligdom, want, (zeggen zij) de blijdschap, waarmee een mens zich verblijdt in het doen van een gebod, is in werkelijkheid een groot en ernstig dienen van de Heere.
1. Dit feest nu moest gevierd worden ter gedachtenis aan hun wonen in tenten in de woestijn. Aldus wordt het hier verklaard, vers 43, opdat uw geslachten weten, niet slechts door de geschreven geschiedenis, maar door deze zichtbare overlevering, dat Ik de kinderen Israëls in loofhutten heb doen wonen. Aldus werd in eeuwige gedachtenis gehouden: a. Het geringe van hun begin en de treurige toestand waaruit God dit volk heeft opgeheven. Zij, die gerieflijk gevestigd zijn, moeten zich dikwijls hun vroegere toestand herinneren, toen zij klein waren in hun eigen ogen.
b. De barmhartigheid Gods over hen, daar God, toen zij in tenten woonden, niet slechts een tabernakel voor Hemzelf onder hen heeft opgericht, maar met de grootste zorg en tederheid een gewelf boven hen heeft gespannen, namelijk de wolk die hen tegen de hitte van de zon heeft beschut. Gods vorige goedertierenheden jegens ons en onze vaderen, behoren in eeuwige gedachtenis te worden gehouden. De achtste dag was de grote dag van dit feest, omdat zij dan naar hun huizen terugkeerden en herdachten hoe zij, nadat zij lang in tenten hadden gewoond in de woestijn, eindelijk tot een gelukkige vestiging kwamen in het land van de belofte, waar zij in schone huizen woonden. En zij zullen des te meer het gerieflijke waarderen van hun huizen en er dankbaar voor zijn, als zij zeven dagen in loofhutten hadden gewoond. Het is goed voor hen, die overvloed hebben en alle gemakken en gerieflijkheden des levens bezitten, om eens te leren ontberingen te kunnen verduren.
2. Het was een feest van de inzameling, zo wordt het genoemd in Exodus 23:16. Als zij "het inkomen des lands zullen" "ingegaderd hebben," vers 39, als de wijnoogst zowel als de korenoogst voleindigd was, dan moesten zij in dankbaarheid aan God voor al de inkomsten van het jaar dit feest houden, en sommigen denken dat de achtste dag van het feest daar zeer bijzondere betrekking op had. Oogstvreugde moet gebruikt worden voor de bevordering van onze blijdschap in God. De aarde is des Heeren en haar volheid, en daarom moet Hij van alles waar wij het gerief en genot van hebben, de eer ontvangen, inzonderheid als de zegen volledig en voltooid is.
3. Dit feest was een type. Door velen wordt verondersteld, dat onze gezegende Heiland omstreeks de tijd wanneer dit feest gevierd werd is geboren, toen heeft hij Zijn woningen des lichts hierboven verlaten, om onder ons te wonen, Johannes 1:14, en Hij heeft in loofhutten gewoond. En van de aanbidding Gods onder het Nieuwe Testament is geprofeteerd onder het begrip van de viering van "het" "loofhuttenfeest," Zacheria 14:16. Want:
a. Het Evangelie van Christus leert ons "in tabernakelen te wonen" los te zijn van deze wereld, ais degenen die "hier geen blijvende stad" "hebben," maar door geloof en hoop, en een heilige minachting voor het tegenwoordige "uitgaan buiten de legerplaats" Hebreeën 13:13, 14.
b. Het leert ons ons te verblijden voor het aangezicht des Heeren van onze God. Diegenen zijn de besnijdenis, waarlijk Israëlieten, die zich in Christus Jezus verblijden, Filippenzen 3:3. En hoe meer wij gespeend worden van deze wereld, hoe minder wij onderhevig zijn aan verstoring van onze blijdschap.
Eindelijk. Wij hebben hier de hoofdsom en het besluit van al deze inzettingen.
1. God heeft deze feesten ingesteld, vers 37,38 behalve de sabbaten des Heeren en behalve al uw geloften en behalve al uw vrijwillige offeren. Dit leert ons:
a. Dat buitengewone diensten ons niet vrijstellen van onze gewone en gedurige diensten. Binnen de acht dagen van het Loofhuttenfeest moet tenminste een sabbat vallen, en deze moet even streng worden waargenomen als alle anderen. b. Dat Gods inzettingen plaats laten voor vrijwillige offeranden. Niet, dat wij mogen verzinnen wat Hij nooit heeft ingesteld, maar wat Hij ingesteld heeft, mogen wij herhalen en gewoonlijk, hoe vaker hoe beter. God schept behagen in een gewillig volk.
2. Mozes heeft ze tot de kinderen Israëls uitgesproken, vers 44. Hij deed hun kond hetgeen God bepaald had, niets meer en niets minder. Zo heeft Paulus aan de gemeenten overgeleverd wat hij van de Heere had ontvangen. Wij hebben reden om dankbaar te zijn dat de feesten des Heeren, die tot ons uitgesproken zijn, niet zo talrijk zijn, en dat het waarnemen er van niet zo dekkend en kostbaar is, als die van hun geweest zijn, maar meer geestelijk en van grotere betekenis zijn, vaster en lieflijker een voorsmaak of onderpand van het eeuwige feest bij de laatste inzameling, die wij hopen tot in eeuwigheid te zullen vieren.