Leviticus 21:10-15
Van een priester werd meer verwacht dan van andere mensen, maar van de hogepriester meer dan van de andere priesters, omdat op zijn hoofd de zalfolie gegoten is, en omdat hij gewijd was om die kleren aan te trekken, vers 10, welke beide type waren van de zalving en versiering van de Heere Jezus met alle gaven en genade van de Heiligen Geest, die Hij zonder mate ontvangen heeft. Het wordt genoemd de kroon van de zalfolie van zijn God, vers 12, want de zalving van de Geest is voor allen die haar hebben, een heerlijke kroon en een sierlijke krans. De hogepriester aldus geëerd en verhoogd zijnde:
I. Moet hij zich in het geheel niet ontreinigen voor de doden, zelfs niet voor zijn naaste bloedverwanten, voor zijn vader of zijn moeder, veel minder nog voor zijn kind of zijn broeder, vers 11.
1. Hij moet de gewone tekenen van droefheid voor dergelijke gelegenheden niet gebruiken, zoals: zijn hoofd te ontbloten of zijn kleren te scheuren, vers 10, zo kalm en rustig moet hij zich tonen onder alle beproevingen en wederwaardigheden van dit leven, zelfs zijn natuurlijke genegenheid moet als verzwolgen worden door medelijden met de onwetenden en medegevoel voor hun zwakheden, en een tere zorg voor het huisgezin Gods, waarvan hij tot bestuurder is aangesteld. Aldus de heilige zijnde, aan wie de "tummim en urim" waren toevertrouwd, moet hij "vader noch moeder" "zijn," Deuteronomium 33:8, 9.
2. Hij moet ook bij geen dode lichamen komen. Als er van de mindere priesters onder ceremoniëele onreinheid waren, dan waren er andere priesters, die hun plaats konden innemen, maar als de hogepriester verontreinigd was, dan zou deze meer gemist worden. En dat hem verboden was om naar een huis van rouwbedrijvenden te gaan, of een begrafenis bij te wonen, was voor het volk een aanduiding van de grootheid van de waardigheid waartoe hij bevorderd was. Onze Heere Jezus, de grote Hogepriester van onze belijdenis, heeft het dode lichaam van Jairus' dochtertje aangeraakt, de baar van de zoon van de weduwe, en het graf van Lazarus, om de tonen, dat Hij gekomen is, om de eigenschap van de dood te veranderen, en er de verschrikking van weg te nemen, door er de macht van te verbreken. Nu hij niet kan verderven, kan hij. ook niet verontreinigen.
3. Hij moet niet uitgaan uit het heiligdom, vers 12, dat is als hij in het heiligdom de dienst bijwoonde of verrichtte, daar hij er gewoonlijk de gehele dag in zijn eigen kamer verbleef, dan moet hij voor wat het ook zij er niet van uitgaan, zijn dienst voor de levende God niet afkorten, zelfs niet om aan een gestorven bloedverwant de laatste eer te bewijzen. Het was een ontheiliging van het heiligdom om het te verlaten, zolang zijn tegenwoordigheid er werd vereist, want hierdoor zou hij aan ander werk de voorkeur "even boven de dienst van God en het werk van zijn ambt, waarvoor hij alle andere zaken moet laten wijken. Aldus heeft onze Heere Jezus niet willen ophouden te prediken om "met Zijn moeder en Zijn broeders te spreken," Mattheus 12:48.
II. Hij mocht niet, zoals andere priesters met een weduwe trouwen, en nog veel minder een gescheiden vrouw, of een hoer, vers 13, 14. Dit was om een verschil te stellen tussen hem en andere priesters ten opzichte van deze zaak, en-naar sommigen denken-opdat hij een type zou zijn van Christus, aan wie de gemeente als "een reine maagd" voorgesteld moet worden, 2 Corinthiërs 11:2. Zie Ezechiël 44:22. Christus moet onze eerste liefde hebben, alzo "hebben Hem de maagden lief," Hooglied 1:3, en de zodanigen alleen zijn geschikt om "het Lam te" "volgen," Openbaring 14:4.
Hij moet zijn zaad onder zijn volken niet ontheiligen, vers 15. Sommigen verstaan dit als een verbod voor hem om iemand van minderen rang te huwen, hetgeen een verkleining zou wezen voor zijn familie. Jojada is wel buiten zijn stam getrouwd maar het was een vrouw van de koninklijke familie, 2 Kronieken 22:11. Dit was niet om hem te leren hoogmoedig te zijn, maar om hem te leren rein te wezen, en niet iets te doen, dat niet voegde aan zijn ambt en aan de waardige naam waarmee hij genoemd was. Het kan ook een waarschuwing voor hem geweest zijn voor het beschikken over zijn kinderen, hij moet zijn zaad niet ontheiligen door hen een onvoegzaam huwelijk te doen aangaan. Kinderen van Evangeliedienaren zijn ontheiligd, als zij een ander juk aantrekken met de ongelovigen.