Leviticus 20:1-9
Aan Mozes wordt hier bevolen om nogmaals aan de kinderen Israëls te zeggen wat hij hun tevoren gezegd had, vers 2. Wij houden er ons van verzekerd, dat het geen ijdele herhaling was, maar een zeer noodzakelijke, opdat zij zich te meer zullen houden aan hetgeen gesproken was, en zullen geloven dat het van groot gewicht en belang is wet hun zo dikwijls wordt ingeprent. God spreekt eenmaal, ja tweemaal, en wat Hij beveelt nogmaals te zeggen, moeten wij nogmaals willen horen, want het is ons zeker, Filippenzen 3:1. Drie zonden worden in deze verzen met de dood bedreigd.
I. Het mishandelen van kinderen door hun ouders, die ze de Molech offeren vers 2, 3. Dit is de grofste ongerijmdheid in al het ritueel van de afgodsdienst-en allen zijn zij een smaad en schande voor het menselijk verstand, maar door niets werd de eer van de menselijke natuur zo vertrapt als hierdoor dat kinderen in vuur verbrand werden ter ere van een god van de mesthoop. Het was een duidelijk bewijs dat hun goden duivels waren die het verderf begeerden van het mensdom, en er zich in verlustigden, en dat hun aanbidders erger waren dan de beesten, die vergaan, volkomen ontbloot, niet slechts van verstand, maar van natuurlijke genegenheid. Abrahams offeren van Izak kon aan die barbaarse gewoonte geen steun geven, en nog veel minder haar hebben doen ontstaan, daar voor hetgeen bevolen was, onmiddellijk tegenbevel kwam. Maar zó groot was de macht van de god van deze wereld over de kinderen van de ongehoorzaamheid, dat die monsterachtige onmenselijkheid algemeen in zwang was, zodat zelfs de Israëlieten in gevaar waren van er aan mee te doen, derhalve het nodig was om er deze strenge wet tegen te maken. Het was niet genoeg hun te zeggen, dat zij hun kinderen konden sparen (de vrucht van hun lichaam kon nimmer aangenomen worden voor de zonde van hun ziel), maar hun moet gezegd worden:
1. Dat de misdadiger zelf als moordenaar ter dood gebracht zal worden. Het volk van het land zal hem met stenen stenigen, vers 2 hetgeen onder de Joden als de zwaarste doodstraf beschouwd werd. Indien de kinderen geofferd werden aan de boosaardigheid van de duivel, dan moeten de ouders geofferd worden aan de gerechtigheid Gods. En indien de daad niet bewezen kon worden, of de magistraten hun plicht verzuimden, dan zou God zelf het werk ter hand nemen, vers 3 :Ik zal hem uit het midden van zijn volk uitroeien. Zij, die aan de straf van mensen ontkomen, zullen toch niet ontkomen aan de rechtvaardige oordelen Gods, zó ellendig bedriegen diegenen zichzelf, die zich straffeloosheid beloven als zij zondigen. Hoe kunnen zij ontkomen, tegen wie God Zijn aangezicht stelt, dat is: die Hij toornig aanziet, als vijand tegentreedt, en tegen wie Hij strijdt? Het snode van de misdaad wordt hier in het licht gesteld ter rechtvaardiging van het oordeel zij verontreinigt het heiligdom en ontheiligt de heilige naam van God, en voor de eer van beide ijvert Hij. Let er op, dat het boosaardige van de zonde gelegd wordt op hetgeen bijzonder eigen was aan Israël, als de heidenen hun kinderen offerden, waren zij schuldig aan moord en afgoderij, maar als de Israëlieten het deden, laadden zij daarbij nog de schuld op zich van het heiligdom te ontreinigen, waar zij de dienst bijwoonden, zelfs als zij zich aan deze misdaad schuldig maakten, alsof er overeenstemming, samenvoeging kon wezen tussen de tempel Gods en de afgoden. Zij waren dan ook schuldig aan de heilige naam Gods te ontheiligen de naam, waarnaar zij genoemd werden, alsof Hij Zijn aanbidders veroorloofde zulke dingen te doen, Romeinen 2:23, 24.
2. Dat al zijn helpers en medeplichtigen mee door de rechtvaardige hand Gods uitgeroeid zouden worden. Als zijn naburen hem verborgen, en niet als getuigen tegen hem wilden optreden, als de magistraten de ogen sloten voor zijn misdaad, en hem niet wilden veroordelen, meer medelijden hadden met zijn dwaasheid, dan haat en afschuw voor zijn goddeloosheid, dan zal God zelf met hem afrekenen, vers 4,5. Het licht achten van afgoderij is een misdaad, waarvan kennis wordt genomen in het hof des hemels, en die niet ongestraft zal blijven. "Ik zal Mijn aangezicht" tegen die man (die magistraat), Jeremia 5:1) "zetten, en tegen zijn huisgezin." De goddeloosheid van het hoofd van het gezin brengt dikwijls verderf over dat gezin, en hij, die de huishouder de instandhouder van het huis behoorde te wezen, blijkt er de verderver, de afbreker van te zijn. Als magistraten geen gerechtigheid willen oefenen aan de overtreders, dan zal God gerechtigheid oefenen aan hen, omdat er gevaar is dat er velen zijn, die hen nahoereren, die de zonde steunen, door haar oogluikend toe te laten. En zo de zonde van voorgangers en leiders leidende zonden zijn, is het voegzaam dat hun straf een voorbeeldige straf is.
II. Het mishandelen van ouders door hun kinderen, door hen te vloeken, vers 9. Als kinderen kwaad spraken van hun ouders, of hun kwaad toewensten, of hen met minachting behandelden, dan was dit een misdaad, die door de rechters gestraft moest worden, daar deze aangesteld waren als bewaarders beide van Gods eer en van de openbare vrede, die beide door deze onnatuurlijke onbeschoftheid worden aangerand, zie Spreuken 30:17. "Het oog, dat de vader bespot of de gehoorzaamheid" "van de moeder veracht, dat zullen de raven van de beek uitpikken," hetgeen te kennen geeft dat zulke goddeloze kinderen niet slechts goed op weg waren om gehangen te worden, maar gehangen te worden in ketenen. Deze wet van Mozes wordt door Christus aangehaald en bevestigd, Mattheus 15:4 want het is een even rechtstreekse overtreding van het vijfde gebod, als moedwilliger moord het is van het zesde. Dezelfde wet, die van ouders tere liefde eist voor hun kinderen, eist van kinderen eerbied voor hun ouders. Hij, die zijn ouders, de middellijke oorzaken van zijn bestaan, smadelijk behandelt beledigt God zelf, die de oorsprong is van zijn aanzijn, die het ouderlijk gezag niet zal laten smaden en vertreden.
III. Personen, die zichzelf schenden door waarzeggers en duivelskunstenaar te raadplegen, vers 6. Hierdoor verlaagt en bedriegt men zichzelf, evenzeer als door wat het ook zij. Wat groter dwaasheid kan er wezen, dan dat iemand zich tot een leugenaar wendt om inlichtingen, en tot een vijand om raad? Dat doen zij, die zich wenden tot hen, die aan zwarte kunst doen en de diepten van Satan kennen. Dit is evenzeer geestelijk overspel als afgoderij het is, aan de duivel de eer gevende, die aan God alleen toekomt, en God, die een ijverig God is, zal een scheidbrief geven aan hen, die aldus van Hem afhoereren, en Hij zal hen uitroeien uit het midden van hun volk. daar zij zich aldus smadelijk van Hem afgekeerd hebben.
In het midden van deze bijzondere wetten komt nu het algemene gebod in vers 7 en 8, waar wij hebben:
1. De plichten, die geëist worden, het zijn er twee:
a. Dat wij in onze beginselen en genegenheden, en in ons streven en bedoelen heilig zijn: Heiligt u en weest heiligt Wij moeten ons reinigen van alle besmetting van de zonde, ons toewijden aan de dienst en de eer van God ons in alles voegen naar Zijn wil, dat is: ons heiligen.
b. Dat wij in al onze daden en handelingen, in geheel onze wandel gehoorzaam zijn aan de wetten Gods: Onderhoudt mijn inzettingen. Hierdoor alleen kunnen wij doen blijken, dat wij ons geheiligd hebben en heilig zijn, namelijk door Gods geboden te onderhouden, de boom wordt gekend aan zijn vruchten. Ook kunnen wij Gods inzettingen niet naar behoren houden, tenzij wij ons eerst heiligen, en heilig zijn. Maak de boom goed, en de vrucht zal goed zijn.
2. De redenen om die plichten aan te dringen.
a. " Ik ben de Heere uw God. Weest dus heilig, opdat gij Hem moogt gelijken wiens volk gij zijt, en Hem moogt behagen. heiligheid is Zijn huize sierlijk."
b. Ik ben de Heere, die u heilig. God heeft hen geheiligd door bijzondere voorrechten, wetten en gunsten, die hen onderscheidden van alle andere volken, en hen verhoogden en eerden als een volk. dat Hem afgezonderd is. Hij gaf hun Zijn woord en Zijn inzettingen, om de middelen te zijn tot hun heiliging, en Zijn goede Geest om hen te onderwijzen, daarom moesten zij heilig zijn, want anders ontvingen zij Gods genade tevergeefs. Gods kinderen zijn en moeten zijn personen, die zich onderscheiden, God heeft hen onderscheiden door Zijn heilig verbond, en daarom moeten zij zich onderscheiden door hun heilige wandel. Dat God ons heiligt is een goede reden, waarom wij ons moeten heiligen, opdat wij ons voegen naar de bedoelingen van Zijn genade en er niet in strijd mee handelen. Indien het de Heere is, die ons heiligt, dan kunnen wij hopen dat het werk gedaan zal worden, hoe moeilijk het ook is. De wijze van uitdrukking is als die in 2 Corinthiërs 5:5. "Die ons nu tot ditzelfde bereid heeft, is God." En Zijn genade is zover van onze zorg en ons streven te vervangen of te doen ophouden, dat zij er juist ten sterkste bij ons op aandringt. "Werkt uws" "zelfs zaligheid want het is God, die in u werkt."