Leviticus 18:6-18
Deze wetten hebben betrekking op het zevende gebod, en zijn, zonder twijfel, ook voor ons verplichtend onder het Evangelie, want zij zijn in overeenstemming met het licht en de wet van de natuur, van één van de artikelen van deze wet, namelijk dat iemand de vrouw van zijn vader heeft, zegt de apostel, dat het een zonde is, "die ook onder de" "heidenen niet genoemd wordt," 1 Corinthiërs 5:1. Hoewel sommige soorten van bloedschande, die hier genoemd worden, door sommige bijzondere personen onder de heidenen bedreven werden, werden zij toch over het algemeen afgekeurd en verafschuwd, behalve onder volken, die geheel barbaars waren geworden, en zich geheel en al aan hun lage lusten overgaven.
1.Merk op dat hetgeen verboden wordt ten opzichte van de hier genoemde nabestaanden, is: tot hen te naderen om hun schaamte te ontdekken, vers 6.
A. Wat voornamelijk bedoeld is, is een huwelijk tussen zulke bloedverwanten te verbieden. Het huwelijk is een Goddelijke instelling, deze en die van de sabbat, de oudste van al de anderen, en gelijktijdig met de mens op de aarde, zij is bedoeld om de lieflijkheid te zijn van het menselijk leven, en de betamelijke en eerbare voortplanting van het menselijk geslacht, zoals dit voegde aan de waardigheid van de menselijke natuur, boven die van de dieren. Het is eerlijk onder allen, en deze wetten strekken om de eer er van te steunen en in stand te houden, inzonderheid omdat het een zaak betreft, waarin de verdorven natuur van de mens zeer geneigd is tot eigenzinnigheid en om zich aan zijn lusten toe te geven en van geen beteugelen er van te willen weten. Toch zijn deze verbodsbepalingen, behalve nog dat zij door een onbetwistbaar gezag zijn gesteld, op zichzelf ten hoogste redelijk en billijk.
a. Door het huwelijk moesten twee tot één vlees worden, zij die dus reeds tevoren door de natuur van één vlees waren, konden niet zonder de grofste ongerijmdheid, door een inzetting tot één vlees worden, want de inzetting was bedoeld om diegenen te verenigen die tevoren niet verenigd waren.
b. Het huwelijk brengt gelijkheid tussen een man en zijn huisvrouw, "is zij niet uw gezellin genomen uit uw zijde?" Indien dus zij, die tevoren meerdere en mindere zijn geweest, elkaar huwen, (hetgeen in de meeste van de hier genoemde voorbeelden het geval was) dan zou de orde van de natuur weggenomen worden door een inzetting, en dat is iets hetwelk niet toegelaten kan worden. De ongelijkheid tussen meester en dienstknecht, tussen edel en onedel is gefundeerd in toestemming, bewilliging en gewoonte, en er is niets misdaan, indien die ongelijkheid opgeheven wordt door het huwelijk dat gelijkheid teweegbrengt, maar de ongelijkheid tussen ouders en kinderen, ooms en nichten, tantes en neven, hetzij door bloed of huwelijk, is gefundeerd in de natuur, en is daarom blijvend, en kan, zonder verwarring teweeg te brengen, niet weggenomen worden door de gelijkheid van het huwelijk, waarvan de inzetting wel zeer oud is, doch in latere orde dan de natuur.
c. Aan bloedverwanten, tussen wie gelijkheid bestaat, is het niet verboden om elkaar te huwen, behalve broeders en zusters, hetzij kinderen van een vader en moeder, of, wat men noemt, half broer en zuster, en daarin is niet dezelfde ongerijmdheid als in de eerste, want Adams zonen moeten wel met hun eigen zusters getrouwd zijn, maar het was nodig om dit door een positieve wet ongeoorloofd te maken en verfoeilijk ter voorkoming van zondige gemeenzaamheid tussen hen, die in hun jeugd verondersteld worden in hetzelfde huis te wonen, en toch elkaar niet kunnen huwen zonder een van de doeleinden van het huwelijk te verijdelen, welke is de uitbreiding van vriendschapsbetrekkingen en belangen. Indien ieder man zijn eigen zuster huwde (waartoe zij allicht geneigd zouden zijn van geslacht tot geslacht, zo dit wettig en geoorloofd was) dan zou iedere familie een wereld zijn op zichzelf, en het zou worden vergeten dat wij elkaars leden zijn. Het is zeker dat dit onder de meer sobere heidenen altijd als iets schandelijke en verfoeilijke werd beschouwd en zij, die deze wet niet hadden, waren hierin zichzelf tot wet. Het gebruikmaken van de inzetting van het huwelijk om die bloedschendige vermengingen in bescherming te nemen, is zo ver van ze te rechtvaardigen of er de schuld van te verminderen, dat het er nog de schuld aan toevoegt van een inzetting Gods te ontheiligen, en datgene te onteren door het laagste misbruik, wat tot de edelste doeleinden was ingesteld.
B. Maar ontucht gepleegd onder bloedverwanten buiten het huwelijk is ongetwijfeld hier evenzeer verboden, en niet minder bedoeld dan de vorige onreinheid, evenals alle wulpse gedraging en brooddronken dartelheid en alles wat de schijn heeft van dit kwaad. Bloedverwanten moeten elkaar liefhebben, en behoren vrij en gemeenzaam met elkaar om te gaan, maar het moet wezen in alle reinheid en hoe minder die omgang van kwaad verdacht wordt door anderen, hoe zorgvuldiger de personen zelf er voor behoren te waken, dat Satan geen voordeel over hen zal krijgen, want hij is een zeer listig vijand, en zoekt elke gelegenheid om ons te verderven.
2. De meesten van de verboden betrekkingen zijn duidelijk omschreven, en als algemene regel wordt gesteld, dat alle bloedverwanten van de man zelf, met wie het hem verboden is een huwelijk aan te gaan, ook gelden voor de bloedverwanten van zijn vrouw, want deze twee zijn één. De wet, welke verbiedt de vrouw van een broer te huwen, vers 16, had een uitzondering, eigen aan de Joodsen staat, namelijk dat zo een man stierf zonder zaad na te laten, zijn broer, of nabestaande, de weduwe zou huwen, teneinde de gestorvene zaad te verwekken, Deuteronomium 25:5, om redenen, die alleen geldig waren in dat gemenebest, en daar nu deze redenen opgehouden hebben te bestaan, is ook de uitzondering opgeheven, en is de wet van kracht, dat een man in geen geval de weduwe van zijn broer mag huwen. Het artikel vers 18, hetwelk een man verbiedt om een vrouw tot haar zuster te nemen, veronderstelt een oogluikend toelaten van polygamie, zoals ook andere wetten dit deden, Exodus 21:10, Deuteronomium 21:15, maar het verbiedt een man om twee zusters te huwen, zoals Jakob gedaan heeft, omdat tussen haar, die tevoren elkaars gelijken waren, allicht grotere jaloersheid en vijandschap zou kunnen ontstaan, dan tussen vrouwen, die niet aan elkaar verwant zijn. Als de zuster van de echtgenote tot bijvrouw wordt genomen, dan kan er, zolang als zij leeft niets zijn, dat meer kwellend voor haar is.