Leviticus 15:19-33
Dit betreft de ceremoniële onreinheid, waaronder vrouwen zich bevonden, als zij een vloed hadden, zowel die regelmatig en gezond is, en naar de loop van de natuur, vers 19-24, als die welke ontijdig, overmatig is en een ziekte van het lichaam aanduidt, zoals van de arme vrouw, die het bloedvloeien had en door de aanraking van de zoom van Christus' kleed plotseling genezen werd, nadat zij twaalf jaren onder haar kwaal had geleden en al haar leeftocht aan medicijnmeesters ten koste had gelegd, doch tevergeefs. Dit maakte de vrouw die door deze ziekte bezocht was, onrein, vers 25, en ook alles wat zij aanraakte, vers 26, 27. En als zij genezen was, en na zeven dagen bevond dat zij volkomen vrij was van haar vloed, dan moest zij gereinigd worden door het offer van twee tortelduiven, of twee jonge duiven, om verzoening voor haar te doen, vers 28, 29. Alle goddeloze handelingen, in het bijzonder het bedrijven van afgoderij, worden vergeleken bij de onreinheid van een afgezonderde vrouw, Ezechiël 36:17, en in toespeling hierop wordt van Jeruzalem gezegd: "haar onreinheid is in haar zomen" Klaagliederen 1:9, zodat zij (gelijk volgt in vers 17) gemeden wordt als een afgezonderde vrouw.
De redenen voor al deze wetten (die, naar wij allicht denken, zeer wel achterwege hadden kunnen blijven) zijn ons gegeven in vers 31.
1. Alzo zult gij de kinderen Israëls afzonderen (want alleen hun, hun dienstknechten en proselieten gingen deze wetten aan) van hun onreinheid, dat is,
a. Door deze wetten werd hen hun voorrecht en eer geleerd, dat zij Gode tot een eigen volk gereinigd waren en door de heilige God bestemd waren om een priesterlijk koninkrijk, een heilig volk te zijn, want voor hen was datgene een verontreiniging, wat het voor andere volken niet was.
b. Hen werd hiermede ook hun plicht geleerd om de eer van hun reinheid te bewaren, en zich van alle zondige besmetting verre te houden. Het was gemakkelijk voor hen om aldus te redeneren, indien de verontreinigingen, die natuurlijk, onvermijdelijk, onwillekeurig waren, onze ziekte en beproeving en niet onze zonde, ons voor het ogenblik zo verfoeilijk maakten, dat wij ongeschikt waren voor gemeenschap met God en de mens, hoeveel meer afschuwelijk en vuil zijn wij dan niet, als wij zondigen tegen het licht en de wet van de natuur, door dronkenschap, overspel, bedrog en dergelijke zonde meer, die het hart, het gemoed, de consciëntie verontreinigen. En indien deze ceremoniële verontreinigingen niet weggedaan konden worden dan door offeranden, dan moet er op iets groters en kostelijkers gesteund worden voor de reiniging van de ziel van de onreinheid van de zonde.
2. Aldus zult gij voorkomen, dat zij door de hand van Gods gerechtigheid sterven in hun onreinheid, indien zij, zolang zij onder die verontreiniging zijn, tot het heiligdom zouden naderen. Het is gevaarlijk om in onze onreinheid te sterven, en het is onze schuld, zo dit gebeurt, daar wij niet alleen door Gods wet behoorlijk gewaarschuwd zijn tegen wat ons zou verontreinigen, maar daar er ook door Zijn Evangelie zulke genaderijke voorzieningen gemaakt zijn voor onze reiniging, indien wij te eniger tijd verontreinigd zijn geworden.
3. In al deze wetten schijnt bijzonder de eer van de tabernakel bedoeld te zijn, waartoe niemand in zijn onreinheid mocht naderen, "dat zij Mijn tabernakel niet verontreinigen". De oneindige Wijsheid heeft die maatregel genomen om in het hart van dat zorgeloze volk een voortdurende eerbied en ontzag te bewaren voor de openbaringen van Gods heerlijkheid en tegenwoordigheid onder hen in Zijn heiligdom. Nu de tabernakel Gods onder de mensen was, zou gemeenzaamheid allicht minachting teweeg hebben kunnen brengen, en daarom heeft de wet zoveel dingen, die zeer dikwijls voorkomen, tot ceremoniële onreinheid verklaard, die de onbevoegdheid meebracht om tot het heiligdom te naderen (op welke overtreding de doodstraf stond) opdat zij aldus met grote voorzichtigheid en eerbied zouden naderen na ernstige voorbereiding, en vrezend om ongeschikt en onbevoegd te worden bevonden. Aldus werd hen geleerd nooit anders tot God te naderen, dan in het ootmoedig besef van hun onwaardigheid, en met een nauwkeurig waarnemen van alles wat Hij geordonneerd had, teneinde veilig en Gode welbehaaglijk te wezen.
En welke lering hebben wij nu uit dit alles te trekken?
a. Laat ons God loven, dat wij niet onder het juk zijn van deze vleselijke inzettingen, zodat ons niets kan verontreinigen dan de zonde. Diegenen mogen nu aan des Heeren Avondmaal gaan, die toen niet van de dankoffers mochten eten. En van de verontreiniging, die veroorzaakt wordt door onze zonde van dagelijkse zwakheden en tekortkomingen, kunnen wij in het verborgen gereinigd worden door vernieuwde daden van boetvaardigheid en geloof, zonder ons in water te baden of een offer aan de deur van de tabernakel te brengen.
b. Laat ons zorgvuldig aflaten van alle zonde, als verontreinigende het geweten en inzonderheid van vleselijke lusten, "ons vat bezittende in heiligmaking en eer", en niet in kwade beweging van de begeerlijkheid, die niet slechts de ziel verontreinigt, maar er krijg tegen voert en haar met verderf en ondergang dreigt.
c. Laat ons allen zien hoe noodzakelijk wezenlijke heiligheid is voor onze toekomstige gelukzaligheid en ons hart laten reinigen door geloof, opdat wij God mogen zien. Het is wellicht in toespeling op deze wetten, die de onreinen verboden om tot het heiligdom te naderen, dat op de vraag: "Wie zal staan in de plaats van Zijn heiligheid?" geantwoord wordt: "Die rein van handen en zuiver van hart is" Psalm 24:3, 4 want zonder heiligheid zal niemand de Heere zien.