Leviticus 13:1-17
Over de plaag van de melaatsheid kunnen wij in het algemeen opmerken:
1. Dat het veeleer een onreinheid was dan een ziekte, zij werd tenminste door de wet zo beschouwd, en daarom worden er geen artsen, maar priesters voor gebruikt. Van Christus wordt gezegd, dat Hij de melaatsen reinigde, niet dat Hij hen genas. Wij lezen van niemand, die aan melaatsheid stierf, zij heeft hen, die er door aangetast waren, veeleer levend begraven, door hen ongeschikt te maken voor de omgang met anderen, behalve van hen, die er ook zelf onder leden. Maar er bestaat een overlevering, volgens welke de Farao, die Mozes zocht te doden, de eerste was, die ooit door melaatsheid was aangetast, en dat hij er aan stierf. Zij wordt gezegd zich het eerst in Egypte vertoond te hebben, vanwaar zij zich naar Syrië verspreidde. Zij was wèl bekend aan Mozes, toen hij zijn hand in zijn boezem stak en er haar melaats uittrok.
2. Dat het een plaag was, onmiddellijk door de Gods hand gezonden, en geen natuurlijke oorzaken had, zoals andere krankheden, en dus naar de wet van God behandeld moest worden. De melaatsheid van Mirjam, van Gehazi en van koning Uzzia waren alle de straf voor een bijzondere zonde, en indien dit over het algemeen zo was, dan was het niet te verwonderen, dat men zich zoveel moeite gaf om haar van een gewone kwaal te onderscheiden, opdat niemand beschouwd zou worden als onder dit buitengewone teken van Gods misnoegen te zijn, dan zij met wie dit werkelijk zo was.
3. Dat het een plaag was, die nu niet meer bekend is in de wereld, wat thans algemeen melaatsheid genoemd wordt, is van een heel andere aard. Deze scheen als een bijzondere geselroede bestemd te zijn geweest voor de zondaren uit die tijden en plaatsen. De Joden behielden de afgodische gewoonten, die zij in Egypte hadden geleerd, en daarom heeft God rechtvaardig deze en sommige andere van de Egyptische krankheden hen doen volgen. Toch lezen wij ook van Naäman, de Syriër, die melaats was, 2 Koningen 5:1.
4. Dat er andere ongesteldheden van het lichaam zijn, die zeer veel op melaatsheid lijken, maar het niet zijn, waardoor een mens pijnlijk en afzichtelijk wordt voor anderen, maar toch naar de wet niet onrein is. Met recht wordt ons lichaam een vernederd lichaam genoemd, daar het de zaden in zich draagt van zo veel krankheden, waardoor het leven van zovelen verbitterd wordt.
5. Dat het beoordelen er van aan de priesters werd overgelaten. Melaatsen werden beschouwd als gebrandmerkt door de gerechtigheid Gods, en daarom werd het overgelaten aan Zijn dienstknechten, de priesters, die verondersteld werden Zijn kenmerk het best te kennen, om te verklaren wie melaats was, en wie het niet was. En de Joden zeggen: "leder priester, al zou hij ook wegens het een of andere lichaamsgebrek onbevoegd zijn, om in het heiligdom te komen, zou een oordeel kunnen uitspreken over melaatsheid, mits het gebrek niet in zijn oog zij." "En hij zou", (zeggen zij) geen gewoon persoon kunnen nemen om hem bij het onderzoek behulpzaam te zijn, doch alleen de priester moest het oordeel uitspreken."
6. Dat het een beeld was van de zedelijke besmetting van de zonde, waardoor lichaam en ziel verontreinigd worden, en die de melaatsheid is van de ziel, het geweten verontreinigende, en waarvan Christus alleen ons kan reinigen. Want hierin overtreft de kracht van Zijn genade oneindig die van het wettische priesterschap, daar de priester de melaatse slechts kon overtuigen, (want door de wet is de kennis van de zonde) maar Christus kan de melaatse genezen, Hij kan de zonde wegnemen," Heere, indien Gij wilt, Gij kunt mij reinigen" hetgeen meer was dan de priesters konden doen, Mattheus 8:2. Sommigen denken dat de melaatsheid niet zozeer zonde in het algemeen betekende alswel een toestand van zonde, waardoor de mensen gescheiden worden van God, een ergerlijke zonde, om welke de mensen buitengesloten moeten worden van de gemeenschap van de gelovigen. Het is een zeer gewichtig, maar zeer moeilijk werk om over onze geestelijke toestand te oordelen, allen hebben wij reden om onszelf te verdenken daar wij ons bewust zijn van zweren en vlekken, maar rein of onrein, dat is nu de vraag. Een mens kan een verzwering hebben, en toch rein zijn vers 6, de besten hebben hun zwakheden, maar gelijk er zekere tekenen waren, waaraan geweten kon worden dat het melaatsheid was, zo zijn er ook karakters, die in een geheel bittere gal en samenknoping van de ongerechtigheid zijn, en het is het werk van de leraren om het oordeel van de melaatsheid uit te spreken en diegenen behulpzaam te zijn in het onderzoek naar hun geestelijke staat, die zichzelf wantrouwen en hen naar bevind van zaken rein of onrein te verklaren, de zonden te houden of te vergeven. Vandaar dat gezegd is dat de sleutelen van het koninkrijk der hemelen hun gegeven zijn, omdat zij het kostelijke van het snode moeten onderscheiden, en oordelen wie, als rein, geschikt is, om van de heilige dingen te eten, en wie, als onrein er van buitengesloten moeten worden.
A. Verscheidene regels worden hier gegeven, waarnaar de priester zijn oordeel moet uitspreken.
a. Indien de zweer slechts ter diepte van de huid is, dan kon men hopen, dat het geen melaatsheid was, vers 4. Maar zo zij dieper was dan de huid, dan moest de aangetaste onrein worden verklaard, vers 3. De zwakheden, die nog bestaanbaar zijn met genade, dringen niet diep door tot de ziel, met het gemoed dient het kind Gods dan nog de wet Gods "en naar de inwendige mens heeft hij er vermaak in," Romeinen 7:22, 26. Maar indien de zaak eigenlijk erger is dan zij er uitziet, en het inwendige aangetast is, dan is er gevaar bij.
b. Indien de plaag is staande gebleven, niet uitgespreid is, dan is het geen melaatsheid, vers 5, 6. Maar zo de verzwering in het vel geheel uitgespreid is, en dit na verschillende bezichtigingen blijft doen, dan is het een slecht geval, vers 7, 8. Als de mensen niet slechter worden, maar zich weerhouden en niet voortgaan op de weg van de zonde, en hun bederf tenonder houden, dan kan men hopen dat zij beter zullen worden, maar als de zonde veld wint en zij iedere dag slechter worden, dan gaan zij bergafwaarts.
c. Indien er wild vlees in het levende gezwel is, dan behoeft de priester niet te wachten met zijn oordeel, het is voorzeker melaatsheid, vers 10, 11. En er is ook geen stelliger aanduiding van de slechtheid van iemands geestelijke staat, dan het zwellen van het hart in eigenwaan, behouwen in het vlees, het weerstaan van de bestraffing van het woord en het twisten van de Geest.
d. Indien de uitslag-waarin die dan ook bestond-het gehele vel van het hoofd tot de voeten bedekt heeft, dan was het geen melaatsheid, vers 12, 13, want het was een blijk dat de levensdelen gezond en sterk waren en de natuur zichzelf helpt alles uitwerpende wat lastig en schadelijk is. Ingeval van pokziekte is er hoop als de pokken goed uitkomen, en als de mensen openhartig hun zonden belijden en ze niet verbergen dan is er geen gevaar in vergelijking met het gevaar van hen, die hun zonden bedekken. Sommigen leiden hier uit af, dat er meer hoop is voor openlijke zondaars dan voor schijnheiligen. De tollenaren en hoeren zijn voor de schriftgeleerden en Farizeën het koninkrijk van de hemelen binnengegaan. In een zeker opzicht is het plotselinge uitbreken van hartstochten, hoewel erg genoeg, niet zo gevaarlijk als verborgen boosaardigheid. Anderen trekken er de lering uit dat, zo wij onszelf oordelen wij niet geoordeeld zullen worden als wij zien en erkennen dat er geen gezondheid in ons is, niets geheel is in ons vlees, vanwege de zonde dan zullen wij genade vinden in de ogen des Heeren.
B. De priester moet zich tijd geven om zijn oordeel te vormen, en het niet haastig of roekeloos doen. Als de zaak er verdacht uitziet dan moet hij de patiënt zeven dagen opsluiten, en daarna nog zeven dagen, opdat zijn oordeel naar waarheid zij. Dit leert aan allen, aan leraren zowel als aan gemeenteleden, niet haastig te zijn in hun oordeel en bestraffing, niets of niemand te oordelen voor de tijd. Zo de zonden van sommige mensen voorgaan aan hun veroordeling, van sommige anderen volgen zij na, en zo is het ook met de goede werken van de mensen, zo laat dan niets haastig gedaan worden, 1 Timotheus 5:22, 24, 25.
C. Indien de verdachte persoon rein bevonden wordt, dan moet hij toch zijn kleren wassen, vers 6, omdat hij onder verdenking is geweest, en datgene in hem was, wat grond gaf aan de verdenking. Wij hebben het nodig van onze vlekken gewassen te worden in het bloed van Christus, al zijn het ook geen vlekken van melaatsheid, want wie kan zeggen: ik ben rein van zonde, al zijn er ook zodanigen, die door genade rein zijn van grote overtredingen.