1 Thessalonicenzen 5:23-28
In deze woorden, waarmee de brief besloten wordt, hebben wij het volgende op te merken:
I. Paulus' gebed voor hen, vers 23. Hij had hun in het begin van den brief gezegd, dat hij hunner altijd in zijn gebeden herdacht, en nu zegt hij wat hij voor hen bidt. Let op:
1. Wie de apostel bidt: Den God des vredes. Hij is de God der genade en de God des vredes en der liefde. Hij is de bewerker des vredes en bemint de eendracht, en door hun vredesgezindheid en enigheid, waarvan God de bewerker was, zouden de dingen waarom hij bad het best verkregen worden.
2. De zaken, waarom hij God voor de Thessalonicenzen bidt, zijn hun heiligmaking, dat God zelf hen geheel en al heilige, en Hij beware u, dat ze mochten onberispelijk bewaard worden. Hij bidt dat zij geheel geheiligd mogen worden, de gehele mens geheiligd, geest, ziel en lichaam, en dan onberispelijk bewaard. Of hij bidt dat zij meer volkomen geheiligd mogen worden, want de beste heiligen zijn het in deze wereld nog slechts ten dele, en daarom moeten wij bidden en aanhouden op meer volmaakte heiliging. Waar een goed werk van genade begonnen is, daar zal het voortgezet, beschermd en bewaard worden. En allen, die in Christus Jezus geheiligd zijn, zullen bewaard worden tot de toekomst van onzen Heere Jezus Christus. Indien God het goede werk niet in de ziel wrocht, dan zou het mislukken, en daarom moeten wij God bidden om het te volmaken, en ons te bewaren onberispelijk, vrij van zonden en onreinheid, tot wij ten laatste zonder vlek of rimpel voor den troon Zijner heerlijkheid mogen verschijnen met uitnemende blijdschap.
II. Zijn stellige verzekering, dat God zijn gebed zou verhoren. Hij, die u roept, is getrouw, die het ook doen zal, vers 24. Gods vriendelijkheid en liefde waren hun geopenbaard in hun roeping tot de kennis der waarheid, en de getrouwheid Gods was hun de waarborg, dat zij tot het einde zouden bewaard worden, en daarom verzekert de apostel hun dat God zou doen wat hij van Hem begeerde, Hij zou volbrengen wat Hij beloofd had, Hij zou al het welbehagen van Zijn goedheid jegens hen doen. Onze getrouwheid aan God is het uitvloeisel van Zijn getrouwheid aan ons.
III. Zijn verzoek om hun voorbeden. Broeders, bidt voor ons, vers 25. Wij moeten voor elkaar bidden en als broeders op die wijze onze broederlijke liefde tonen. De grote apostel achtte het niet beneden zich om de broederen te Thessalonica te vragen om voor hem te bidden. Dienaren hebben nodig dat de gemeente voor hen bidt, en hoe meer de gemeente voor de dienaren bidt, des te meer zullen goede dienaren ontvangen van God, en des te meer zegen zal de gemeente van hun bediening hebben.
IV. Zijn groeten. Groet al de broederen met een heiligen kus, vers 26. De apostel zendt op die wijze een vriendelijken groet van hem zelven, van Silvanus en van Timotheus, en wil dat zij elkaar in hun naam zullen groeten. En hij wenst dat zij elkaar hun wederkerige liefde en genegenheid zullen tonen door den kus der liefde, 1 Petrus 5:14, welke hier de heilige kus genoemd wordt, om aan te tonen hoe voorzichtig tegen alle onreinheid zij moesten zijn in het volvoeren van deze ceremonie, die toen algemeen toegepast werd, zodat het niet de verraderlijke kus van een Judas zou worden, of de onreine kus van een overspeelster, Spreuken 7:13. V. Zijn plechtige opdracht om dezen brief te lezen, vers 27. Dit is niet alleen ene vermaning, maar ene bezwering bij den Heere. Deze brief moest gelezen worden voor al de heilige broederen. Het is niet alleen geoorloofd dat de gemeenteleden de Schrift lezen, en was nooit verboden, maar het is hun onafwijsbare plicht en zij moeten er toe aangespoord worden. Daarom moeten de heilige bladen niet verzegeld gehouden worden in een onbekende taal, maar vertaald worden in de gewone talen, opdat allen, geroepen om de Schrift te leren kennen, instaat mogen zijn haar te lezen, en met haar bekend te raken. De openbare lezing van de wet was een deel van de godsdienstoefening der Joden op den sabbat, in hun synagogen, en de Schrift moet gelezen worden in de openbare samenkomsten der Christenen.
VI. De apostolische zegen, die is gelijk in de overige brieven. De genade van onzen Heere Jezus Christus zij met ulieden, Amen! Wij hebben niets meer nodig om ons gelukkig te gevoelen dan te weten, dat de genade, welke onze Heere Jezus Christus heeft geopenbaard en betoond, ons deel is, de genade, die Hij ons heeft verworven, en die in Hem als het hoofd van de gemeente woont. Dat is de eeuwig vloeiende en overvloeiende fontein van genade, die in al onze behoeften voorziet.