Klaagliederen 3:42-54
Het is gemakkelijker, ons te bekijven wegens onze klachten dan ze na te laten. De profeet had erkend, dat een levend mens niet klagen moet, alsof hij zich berispte om zijn klachten in het eerste deel van dit hoofdstuk, en toch keren hier de wolken na de regen terug en de wonde bloedt opnieuw, want grote moeite kost het om een verontrusten geest weer tot kalmte te brengen.
I. Zij erkenden de rechtvaardigheid van de beproevingen, die God zendt, vers 42 :Wij hebben overtreden en wij zijn weerspannig geweest. Het past ons, als wij in ellende zijn, om God te rechtvaardigen, door onze zonden te erkennen, en het gewicht er van op ons zelf te leggen. Noem zonde een overtreding, noem ze een opstand, en gij zegt niets te veel. Dat is het resultaat van het onderzoek naar hun wegen, hoe verder zij het onderzoek uitstrekten, zoveel erger werd, wat zij vonden. Toch
II. Klagen zij over de beproevingen, die zij ondergaan, niet zonder zekere beschouwingen van God, die wij niet moeten navolgen, maar onder de ergste beproevingen moeten wij steeds hoog en vriendelijk van Hem denken, en spreken.
1. Zij klagen over Zijn ontevredenheid en de tekenen van Zijn misnoegen tegen hen. Zij hadden berouw over hun zonden gehad, en toch, vers 42, hebt Gij niet gespaard. Zij hadden niet de verzekering en de troost van de vergiffenis, de oordelen, door hun zonde over hen gebracht, waren niet afgewend, en daarom, dachten zij, konden zij niet zeggen, dat de zonde hun vergeven was, dat was een fout, maar een gewone fout bij Gods volk, als hun ziel neergeslagen is en onrustig in hen. Hun lot was werkelijk medelijden waard, toch klagen zij Gij hebt niet verschoond, vers 43. Hun vijanden vervolgden en doodden hen, maar dat was het ergste niet, zij waren slechts werktuigen in Gods hand: "Gij hebt ons vervolgd, Gij hebt ons gedood, hoewel wij verwachtten dat Gij ons zoudt beschermen en verlossen." Zij klagen, dat er een scheidsmuur is tussen God en hen, en,
a. Dit verhinderde, dat Gods gunsten tot hem kwamen. De weerkaatsing van de stralen van Gods vriendelijkheid jegens hen placht de heerlijkheid van Israël te zijn, maar nu "hebt Gij ons met toorn bedekt, zodat onze heerlijkheid bedekt en verdwenen is, nu is God tegen ons vertoornd, en wij blinken niet meer uit als dat luisterrijke volk, waarvoor men ons vroeger hield." Of "Gij hebt ons bedekt, als mensen, die begraven zijn, bedekt worden en vergeten."
b. Het verhinderde, dat hun gebeden opklommen tot God, vers 44. Gij hebt U met een wolk bedekt, niet als die lichte wolk, waarin Hij bezit nam van de tempel, die de vereerders in staat stelde Hem te naderen, maar evenals die, waarin Hij neerkwam op de berg Sinai, die het volk dwong van verre te staan. "Deze wolk is zo dik, dat ons gebed er in verloren schijnt te gaan, het kan er niet doorkomen, wij kunnen geen gehoor krijgen." De verlenging van de ellende is soms een verzoeking, zelfs voor bidders, om zich af te vragen, of God wel is wat zij altijd van Hem geloofd hebben, een God, die het gebed verhoort.
2. Zij klagen over de verachting van hun naburen, en de smaad en de schande, waaronder zij zuchtten, vers 45 :Gij hebt ons tot een uitvaagsel en wegwerpsel gesteld, dat op de mesthoop geworpen wordt. Hierop zinspeelt Paulus in zijn verhaal van het lijden van de apostelen 1 Corinthiers 4:13 :"Wij zijn geworden als uitvaagsels van de wereld en aller afschrapsel." "Wij zijn de afval of het schuim, in het midden van de volkeren door iedereen vertreden, en als het laagste van de volkeren beschouwd, dat nergens toe deugt de om weggeworpen te worden, als zout, dat smakeloos geworden is". Al onze vijanden hebben hun mond tegen ons opgesperd, vers 46, als een brullende en verscheurende leeuw, of hebben de vrijheid genomen van ons te zeggen wat zij willen. Deze klachten vonden wij reeds eerder, Hoofdstuk 2:15, 16. Het is zeer gewoon, dat lage en slechte karakters hen aanvallen, en neerwerpen, die van de hoogten van de eer in de diepte van de ellende zijn gevallen. Maar dit brachten zij over zichzelf door de zonde. "Als zij zich zelf niet verlaagd hadden, dan hadden hun vijanden het ook niet kunnen doen: maar daarom noemt men ze een verworpen zilver, omdat de Heere ze verworpen heeft, want zij hebben Hem verworpen."
3. Zij klagen over de betreurenswaardige verwoesting, die de vijanden onder hen aangericht hebben, vers 47. De vreze en de kuil zijn over ons gekomen. De vijanden hebben ons niet alleen door hun krijgsrumoer verschrikt, maar door hun taktiek overwonnen en door de hinderlagen, die ze ons gelegd hebben, verrast, en dan volgt slechts verwoesting en verbreking, de breuke van de dochter van mijn volk, vers 48, van alle de dochteren van mijn stad, vers 51. De vijanden vingen sommigen van hen, als een vogeltje in een strik, anderen hebben ze gejaagd, zoals een onschadelijke vogel door een roofvogel gejaagd wordt, vers 52 :Mijn vijanden hebben mij dapperlijk gejaagd als een vogeltje, dat van struik tot struik verjaagd wordt, gelijk Saul David achterna joeg, als een veldhoen. Zo rusteloos was de vijandschap van hun vervolgers en toch redeloos. Ze hebben het zonder oorzaak gedaan, zonder dat zij enigszins er toe getergd zijn. Hoewel God rechtvaardig was, waren zij onrechtvaardig. David klaagt dikwijls over die hem zonder oorzaak haten, en hetzelfde geldt van Christus en Zijn kerk, Johannes 15:25. Hun vijanden joegen hen na, totdat zij hen geheel overmocht hadden, vers 53 :Zij hebben mijn leven in een kuil uitgeroeid. Zij hebben hun gevangenen in nauwe en donkere gevangenissen opgesloten, waar zij als afgesneden zijn uit het land van de levenden, of de staat en het koninkrijk zijn verzonken en in puin gevallen, het leven en de geest zijn er uit verdwenen, en zij zijn als het ware in de kuil of het graf geworpen, en een steen is er op geworpen, zoals gebruikt werden om tegen de deur des grafs te wemelen Zij beschouwen het Joodse volk als dood en begraven, en verbeelden zich, dat er geen mogelijkheid van wederopstanding is. Aldus zag Ezechiël, in een visioen, een vallei vol doodsbeenderen. Hun verwoesting wordt vergeleken, niet alleen met het begraven van een dood man, maar met het zinken van een levend man onder water, die daar niet lang levend kan blijven vers 54. De wateren van de beproeving zwommen over mijn hoofd De zondvloed had de overhand en overstroomde hen. De Chaldeeuwse troepen overvielen hen als een stortvloed van de water, die zo hoog rezen, dat zij boven hun hoofd uitkwamen, zij konden niet waden, ze konden niet zwemmen en moesten daarom onvermijdelijk verdrinken. De ellende van Gods volk neemt soms zozeer de overhand, dat zij geen grond kunnen vinden voor hun geloof, noch het hoofd boven water houden, noch enigen troost meer verwachten.
4. Zij klagen over hun eigen buitengewone smart en vrees in dit opzicht.
a. De beproefde kerk zwemt in tranen, en de profeet voor haar vers 48, 49:Met waterbeken loopt mijn oog neer zo overvloedig waren hun tranen, het stromen kan niet ophouden, zo aanhoudend was hun geween, omdat er geen rust is, geen verlichting van hun ellende. De ziekte bleef steeds op het hoogtepunt, en dag na dag ging voorbij zonder beterschap. Er wordt aan toegevoegd, vers 51 :"Mijn oog doet mijn ziel moeite aan. Wat mijn oog ziet, hindert mijn ziel. Hoe meer ik zie op de verwoestingen van stad en land, des te meer smart gevoel ik. Waarheen ik mijn oog wend, zie ik dingen, die mijn smart vernieuwen, vanwege alle de dochteren mijner stad", al de naburige steden, die als `t ware de dochters waren van Jeruzalem de moederstad. Of: Mijn wenend oog doet mijn ziel moeite aan, de uiting van mijn smart, in plaats van die te verlichten, doet ze slechts toenemen, en bitterder worden. Of: "Mijn oog doet mijn ziel smelten, ik heb al mijn moed weggeweend, niet alleen mijn oog is doorknaagd van verdriet, maar mijn ziel, want mijn leven is verteerd van droefenis, Psalm 37:10, 11 ". Grote en langdurige smart put de geestvermogens uit en doet niet alleen veel grauwe, maar ook veel blonde hoofden ten grave dalen. Ik ween, zegt de profeet, meer dan alle de dochters van mijn stad (zo staat in de kanttekening), hij overtrof zelfs die van het zwakke geslacht in de uitingen van zijn smart. En het is voor iemand een vernedering, veel te wenen over de zonde van de zondaars en het lijden van de heiligen, onze Heere Jezus deed het ook, want, als Hij zelf kwam, en deze zelfde stad zag, weende Hij over haar, wat de dochteren van Jeruzalem niet deden.
b. Zij is overstelpt door vrees, heeft niet alleen smart over wat is, maar vreest nog erger, en geeft alles op, vers 54 :"Ik zei: Ik ben afgesneden, vernield, en zie geen hoop op herstel, ik ben als dood". Die neergeworpen zijn, zijn gewoonlijk in verzoeking te denken, dat zij weggeworpen zijn, Psalm 31:22, Jona 2:4.
5. Te midden van deze droeve klachten is hier een woord van troost, waaruit blijkt, dat hun lot niet ten enenmale zo slecht was, als zij het voorstellen, vers 50. Wij gaan voort aldus te wenen, totdat de Heere zie en aanschouwe van de hemel. Dit betekent,
a. Dat zij voldaan waren, dat Gods genadig op-hen-neerzien in hun ellende, al hun verwoestingen krachtdadig zou herstellen. "Als God, Wien de wolken nu een verberging zijn, alsof Hij niet lette op onze moeilijkheden, Job 22:14, Zijn aangezicht slechts wilde tonen, dan zou alles wel zijn, als Hij naar ons ziet, zo zullen wij verlost zijn, Psalm 80:19, Daniël 9:17 ". Treurig als hun lot is zal een gunstige blik van de hemel alles in orde brengen.
b. Dat zij hoop hadden, dat Hij tenslotte genadig op hen neer zou zien en hen verlossen, ja, zij nemen het als vaststaand aan, dat Hij het wil doen: "al duurt het lang, Hij zal toch niet altijd twisten, hoewel wij het verdiepen.
c. Dat, terwijl zij voortgingen te wenen, zij steeds bleven wachten, en geen hulp en steun wilden afwachten van iemand anders dan van Hem, niets zal hen troosten dan Zijn genadige terugkeer tot hen ook zal niets de tranen uit hun ogen wissen, "totdat Hij van de hemel aanschouwe. Hun oog, dat nu met waterbeken nederloopt, zal nog zijn op de Heere hun God totdat Hij hun genadig zij," Psalm 123:2.