Klaagliederen 1:12-22
De klachten hier zijn, wat haar inhoud betreft dezelfde als die in het voorgaande deel van het hoofdstuk, maar in deze verzen erkent de profeet, in naam van de treurende kerk, meer in `t bijzonder de hand van God in deze rampen, en de rechtvaardigheid van Zijn hand.
I. De kerk maakt hier, in haar ellende, haar beproeving groot, en toch niet groter dan zij was, haar zuchten waren niet zwaarder dan haar slagen. Zij beroept zich op al haar aanschouwers: Aanschouw en ziet of er een smart is die mij werd aangedaan, vers 12. Dit kon misschien naar waarheid gezegd worden van Jeruzalems smarten, maar wij zijn al te geneigd het op ons toe te passen, als wij in moeite zijn, en meer dan redelijk is. Omdat onze eigen last ons het meest drukt, en wij ons zelf niet kunnen overreden, er ons mee te verzoenen, zijn wij gereed om uit te roepen: Zeker, nooit was er een smart, gelijk mijn smart, maar als al onze smart bij die van anderen werd gevoegd, en zij werd dan in gelijke delen verdeeld, dan zou ieder van ons zeggen: "Ik bid u, geef mij de mijne terug."
II. Zij ziet hier over de werktuigen heen naar de auteur van haar smarten, en erkent, dat zij alle door Hem besloten, bevolen en beschikt zijn: Het is de Heere, die mij bedroefd heeft en Hij heeft mij bedroefd, omdat Hij vertoornd is tegen mij, de grootheid van Zijn ongenoegen kan afgemeten worden naar de grootheid van mijn jammer, Hij heeft het gedaan, ten dage van de hittigheid Zijns toorns, vers 12. Beproevingen kunnen niet anders dan ons zeer smarten, als wij zien, dat zij het gevolg zijn van Gods gramschap: en dat doet de kerk hier:
1. Zij is als iemand, die de koorts heeft, en die koorts is van God gezonden: "Hij heeft een vuur in mijn beenderen gezonden, vers 13, een bovennatuurlijk vuur, "waarover Hij geheerst heeft, zodat hun gebeenten uitgebrand zijn als een haard," Psalm 102:4, verteerd door pijnen en verdord."
2. Zij is als iemand in een net: hoe meer zij zich inspant er uit te komen, des te meer raakt zij er in verward, en dit net is door God uitgezet. "Mijn vijanden zouden geen succes hebben gehad met hun listen, als God geen "net had uitgebreid voor mijne voeten."
3. Zij is als iemand in een woestijn, wiens weg vol hindernissen is, eenzaam, en vermoeiend. "Hij heeft mij achterwaarts doen keren, zodat ik niet voort gaan, Hij heeft mij woest gemaakt, zodat ik niets heb om mij te steunen, maar de gehele dag ziek ben."
4. Zij is als iemand onder een juk geen juk om te werken, maar om boete te doen, haar hals en voeten zijn bijeengebonden, vers 14 :Het juk van mijn overtredingen is saamgebonden door Zijn hand. Wij worden nooit verstrikt in een juk dan dat door onze eigen overtredingen gevormd wordt. "De zondaar zal met de banden van zijn zonde vastgehouden worden," Spreuken 5:22. Het juk van Christus' geboden is een zacht juk, Mattheus 11:30, maar dat van onze overtredingen is hard. De Schrift zegt ons, dat God ons dit juk aanbiedt, als Hij ons schuldig vindt, en Hij brengt ons in die inwendige smarten en uitwendige moeilijkheden, die wij door onze zonden verdiend hebben. Wanneer het geweten, als Zijn afgevaardigde, ons overgeeft aan Zijn oordeel, dan is het juk aangebonden en door de hand van Zijn rechtvaardigheid samengevlochten, en niets dan de hand van Zijn vergevende genade zal het ontbinden. 5. Zij is als een, die in het stof ligt, en Hij is het, die alle wijze sterken vertreden heeft, en hun de kracht ontnomen om staande te blijver, en hen neergeveld door het een oordeel na het andere, en hen laten vertreden door hun trotse overwinnaars, vers 15. Ja, zij is als een in een wijnpers, niet alleen getreden, maar gebroken, verbrijzeld als druiven in de wijnpers van Gods gramschap, en haar bloed is uitgeperst als wijn, en het is God, die de jonkvrouwe, de dochter van Juda getreden heeft.
6. Zij is in de hand van haar vijanden, en het is de Heere, die haar in hun handen gegeven heeft, vers 14. Hij heeft mijne kracht doen vervallen, zodat ik niet in staat ben hun het hoofd te bieden, ja, niet alleen niet in staat om tegen hen op te staan, maar niet in staat om van onder hen op te staan, en Hij heeft mij in hun handen gegeven, ja, vers 15, Hij heeft een bijeenkomst over mij uitgeroepen, om mijn jongelingen te verbreken, en het is een ijdele gedachte om zo'n bijeenkomst tegen te staan, en wederom, vers 17 :De Heere heeft van Jakob geboden, dat die rondom hen zijn, zijn tegenpartijders zouden zijn. "Hij, die zo vaak de verlossingen Jakobs geboden had", Psalm 44:5, gebiedt nu een aanval tegen Jakob, omdat Jakob de geboden van Zijn wet niet gehoorzaamd heeft.
III. Terecht vraagt zij om het medelijden en erbarmen van de aanschouwers van haar jammer, vers 12 :"Gaat het ulieden niet aan, gij allen die over de weg gaat? Kunt gij mij zien zonder iets te gevoelen? Wat, zijn uw harten van steen en uw ogen van marmer, dat gij mij geen enkele gedachte, of blik, of traan schenken kunt, als blijk van medegevoel? Zijt gij dan geen vlees en bloed? Hebt gij er dan geen belang bij, dat het huis van uw buurman in brand staat? Zo zijn er, die geen deel nemen in Zions rampen en smarten, zij bekommeren zich niet over de verbreking van Jozef. Hoe treffend roept zij hun medegevoel in! vers 18 :Hoort toch alle gij volkeren, ziet mijn smart, hoort mijne klachten, en ziet of ik er reden toe heb. Deze bede is gelijk aan die van Job, Hoofdstuk 19:21:"Ontfermt u mijner ontfermt u mijner, o gij mijn vrienden!" Een last drukt niet zo zwaar, als onze vrienden medelijden met ons hebben, en hun tranen mengen met de onze, want dat is een bewijs, dat wij niet veracht zijn, wat gewoonlijk in beproeving meer gevreesd wordt dan iets anders.
IV. Zij rechtvaardigt haar smart, hoe groot ook, om deze rampen, vers 16 :Terwille van deze dingen ween ik, des nachts ween ik, vers 2, als niemand mij ziet, mijn oog, mijn oog vliet af van water. Deze wereld is een tranendal voor Gods volk. Zions zonen zijn dikwijls Zions rouwdragers. Zion breidt haar handen uit, vers 17, wat hier eer een uiting van wanhoop dan van verlangen is, zij slaat haar handen uit, als een, die alles verloren geeft. Laat ons zien welke reden zij opgeeft voor deze hartstochtelijke smart.
1. Haar God heeft zich aan haar omtrokken, en Micha, die slechts goden van goud had, riep, toen zij hem ontstolen werden: "Wat heb ik nu meer? Wat is het dan, dal gij tot mij zegt: Wat is u? De kerk klaagt hier uitermate, want zegt zij: De Trooster, die mijn ziele zou verkwikken, is verre van mij." God is de Trooster, Hij placht het voor haar te zijn, Hij alleen kan werkelijk troost geven, Zijn woord is het, dat troostredenen spreekt, Zijn Geest is het, die ze tot ons spreekt. Zijn vertroostingen zijn versterkend, in staat om "de ziel te verkwikken, " ze op te heffen, wanneer zij als verzonken is en wij daar machteloos bij staan, maar nu is Hij weggegaan in misnoegen, "Hij is verre van mij, en ziet mij van verre." Het is geen wonder, dat de zielen van de heiligen bezwijken, als God, die de enige Trooster is, die hen verkwikken kan, Zich op een afstand houdt. 2. Haar kinderen zijn van haar verwijderd, en niet in staat haar te helpen, om hen is het, dat zij weent, als Rachel om de hare, "omdat zij niet zijn, en daarom weigert zij getroost te worden. Hare kinderen zijn verwoest, omdat de vijand de overhand heeft tegen hen: Er is niemand van alle de kinderen, die haar zachtkens leidt," Jesaja 51:18, zij kunnen zichzelf niet helpen, en hoe zouden zij haar helpen? Beide, de jonkvrouwen en de jongelingen, die haar vreugde en haar hoop waren, zijn in de gevangenis gegaan, vers 18. "Van de Chaldeën wordt gezegd, dat zij de jongelingen noch de maagden verschoonden, noch het schone geslacht, noch de bloeitijd des levens", 2 Kronieken 36:17.
3. Haar vrienden lieten haar in de steek sommigen wilden haar geen verkwikking geven en anderen konden niet. Zij breidt haar handen uit, als om verkwikking te vragen, maar er is geen trooster voor haar, vers 17, niemand, die troosten kan, en niemand, die `t zou willen, zij riep tot haar liefhebbers, en noemde ze haar liefhebbers om hen te bewegen haar te helpen, maar zij hebben haar bedrogen, het bleek, dat zij waren als de beken in de zomer voor de dorstige wandelaar, Job 6:15. Wij worden gewoonlijk bedrogen en teleurgesteld door het schepsel, waarop wij ons hart stellen en waaraan wij onze verwachtingen ontlenen. Haar afgoden waren haar liefhebbers. Egypte en Assyrië waren haar vertrouwden. Maar zij bedrogen haar. Die haar het hof maakten, in haar voorspoed, schuwden haar en hield en zich vreemd van haar in haar tegenspoed. Gelukkig zijn zij, die God tot hun vriend hebben gemaakt, en Zijn liefde bewaren, want Hij zal hen niet bedriegen.
4. Zij, wier plicht het was haar te leiden waren buiten machte haar enige dienst te bewijzen. De priesters en de oudsten, die aan `t hoofd van de zaken hadden moeten staan, stierven van honger, vers 19, zij hebben de geest gegeven, als zij spijze voor zich zochten, zij gingen brood bedelen, om in het leven te blijven. Inderdaad de honger is zwaar in het land, als er geen brood is voor de wijze, als de priesters en de oudsten van honger sterven. De priesters en de oudsten moesten haar troosters zijn, maar hoe zouden zij anderen troosten, als zij zelf troosteloos waren? Zij horen, dat ik zucht, wat een oproep voor hen moest zijn om mij te hulp te komen, maar ik heb geen trooster. Gij hebt vriend en metgezel ver van mij gedaan.
5. Haar vijanden waren haar te sterk, en zij juichten over haar. Zij hadden de overhand, vers 16. Van buiten heeft mij het zwaard beroofd en doodt al wat het tegenkomt, en van binnen zijn alle levensmiddelen door de belegeraars afgesneden, zodat er is als de dood, dat is honger, die even erg is als pestilentie, of nog erger, van buiten het zwaard, uit de binnenkameren de verschrikking, Deuteronomium 32:25. En evenals de vijanden, die de werktuigen van het onheil waren, zeer wreed waren, zo weren het ook degenen, die toeschouwers waren, de Edomieten en de Ammonieten, die Israël een kwaad hart toedroegen: Zij horen mijn kwaad en zij zijn vrolijk, dat Gij het gedaan hebt vers 21, zij verblijden zich in het kwaad zelf, en zij verblijden zich dat het Gods werk is, zij verblijden zich, dat God en Zijn Israël het oneens geworden zijn, en dienten gevolge behandelen zij hen als vreemden. Jeruzalem is als een afgezonderde vrouw onder hen, die zij bang zijn om aan te raken en die zij schuwen, vers 17. Om al deze redenen kan het geen verwondering wekken, en ook kan zij niet berispt worden, dat haar zuchtingen vele zijn, om haar tegenwoordige smart en dat haar hart mat is, uit vrees voor wat nog komen zal.
V. Zij rechtvaardigt God in al wat over haar gebracht wordt, en erkent, dat zij deze strenge kastijding verdiend heeft om haar zonden. Het juk, dat zo zwaar drukt, en zo vast bindt, is het juk van haar overtredingen, vers 14. De boeien, waardoor wij gebonden zijn, zijn ons eigen werk, en het is onze eigen roede, waarmee wij geslagen worden. Wanneer de kerk hier gesproken had, alsof zij dacht, dat de Heere streng was, dan doet zij wel, haar fout te herstellen, ten minste zich te verklaren, door te erkennen, vers 18 :De Heere is rechtvaardig Hij doet ons geen onrecht, door ons zo te behandelen, ook kunnen wij Hem niet beschuldigen van onrechtvaardigheid daarin, hoe onrechtvaardig de mensen zijn, wij zijn zeker, dat de Heere rechtvaardig is, en Zijn rechtvaardigheid openbaar maakt, hoewel hun wetten met de Zijne in tegenspraak zijn. Welke de moeilijkheden zijn, waarmee het God behaagt ons te beproeven, wij moeten erkennen, dat Hij daarin rechtvaardig is, zij begrijpen noch Hem noch ons zelf, als wij het niet erkennen, 2 Kronieken 12:6. Zij erkent de gerechtigheid van Gods daden, door de ongerechtigheid van haar eigene te erkennen: Ik ben Zijn mond weerspannig geweest, vers 18, en wederom, vers 20 :Ik ben zeer weerspannig geweest. Wij kunnen geen kwaad genoeg van de zonde zeggen, en onze eigene zonde moeten wij altijd de ergste noemen, moeten die weerspannigheid, en opstand tegen God noemen, voor alle ware boetvaardigen is de zonde zeer smartelijk. Dat is het, wat zwaarder op haar drukt dan de beproevingen, waaronder zij gebukt gaat: Mijn ingewand is beroerd, het rommelt als de zee, wanneer zij beroerd is, Mijn hart heeft zich omgekeerd in het binnenste van mij, het is rusteloos, het is onderste boven gekeerd, want ik ben zeer weerspannig geweest. Smart over de zonde moet grote smart zijn en de ziel treffen.
Vl. Zij beroept zich voor haar tegenwoordig lot, beide, op de genade en op de rechtvaardigheid van God.
1. Zij beroept zich op Gods genade wegens haar smarten, die haar tot een geschikt voorwerp van Zijn medelijden hadden gemaakt, vers 20 Aanzie, Heere, want ik ben bang, neem kennis van mijn lot, en neem zulke maatregelen tot mijn verlichting, als U goeddunkt. Het is een troost voor ons, dat de rampen, die onze geest neerdrukken, onbedekt zijn voor Gods oog.
2. Zij beroept zich op Gods rechtvaardigheid voor het onrecht, dat haar vijanden haar aangedaan hebben, vers 21, 22:Gij zult de dag voortbrengen, die Gij uitgeroepen hebt, de dag, die bepaald is in de raad van God en bekend gemaakt in de profetieën, als Zijn vijanden die wij nu vervolgen, zullen zijn gelijk ik ben, als de beker van de zwijmeling, die nu in mijn handen is gegeven, in hun handen zal gegeven worden.
3. Het kan ook als een gebed gelezen worden: "Moge de bepaalde dag komen" en verder: "Laat al hun kwaad voor Uw aangezicht komen, laat het gedacht, laat het vergolden worden: neem wraak op hen voor al het onrecht, dat zij mij gedaan hebben", Psalm 119:14, 15, verhaast de tijd, dat gij hun zult doen om hun overtredingen, gelijk als Gij mij gedaan hebt vanwege mijn overtredingen. Dit gebed heeft de betekenis van een protest tegen alle gedachten aan gemeenschap met hen en van een voorspelling van hun ondergang, en stemt in met wat God in Zijn woord er van gezegd had. Onze gebeden mogen en moeten overeenstemmen met Gods Woord, en wij moeten vragen om de dag, die God hier geroemd heeft, en om geen andere. En hoewel wij verplicht zijn onze vijanden liefderijk te vergeven, en voor hen te bidden, toch mogen wij in geloof bidden om de vervulling van wat God gesproken heeft tegen Zijn vijanden en die van Zijn kerk, die zich niet willen bekeren en Hem de ere geven.