Jozua 8:23-29
Wij hebben hier een bericht van het gebruik, dat de Israëlieten maakten van hun overwinning over Ai.
1. Zij sloegen allen met de scherpte des zwaards, niet alleen op het veld, maar ook in de stad, man, vrouw en kind, niemand van hen bleef over vers 24. God, de rechtvaardige rechter, had dit vonnis over hen geveld om hun boosheid, zodat de Israëlieten slechts de dienaren waren van Zijn gerechtigheid en de uitvoerders van Zijn oordeel. Slechts eenmaal wordt in deze geschiedenis melding gemaakt van de mannen van Beth-El als bondgenoten van de mannen van Ai, vers 17. Hoewel zij een eigen koning hadden, en geen onderdanen waren van de koning van Ai (want de koning van Beth-El wordt gerekend onder de een en dertig koningen, die Jozua verslagen heeft, Hoofdstuk 12:16) hebben zij zich voor hun eigen veiligheid in Ai geworpen, omdat die plaats sterker was, alsmede om hun naburen de handen te sterken, en zo kunnen wij veronderstellen, dat zij allen met hen zijn omgekomen, en zo werd door hetgeen waarmee zij hoopten hun verderf te voorkomen, hun verderf verhaast. Het gehele getal van de verslagenen schijnt slechts twaalf duizend te hebben bedragen, een kleine bende voorwaar om het hoofd te bieden aan al de duizenden Israëls, maar die God wil verderven, verdwaast Hij. In vers 26 wordt gezegd dat Jozua zijn hand, die hij met de spies had uitgestrekt, niet terugtrok voordat de slachting voltooid was. Sommigen denken dat hij de spies niet uitstrekte om de vijanden te doden, maar om zijn eigen krijgslieden te bemoedigen en aan te vuren, een vlag of vaan aan het einde van die spies bevestigd zijnde, en zij beschouwen het als een voorbeeld van zijn zelfverloochening dat hij, terwijl het vuur van de moed, die zijn hart vervulde, hem voorwaarts gedreven zou hebben met het zwaard in de hand, om zich in het heetste van het gevecht te werpen, toch, in gehoorzaamheid aan God, op de mindere post van vaandeldrager is gebleven, en die niet heeft verlaten vóór het werk volbracht was. Door zijn spies uitgestrekt te houden wees hij het volk er op, dat zij hun hulp van God moesten verwachten en Hem de eer moesten geven.
2. Zij plunderden de stad en behielden al de buit voor zich, vers 27. Zo is het vermogen des zondaars weggelegd voor de rechtvaardige. De roof, die zij uit Egypte hebben meegebracht doordat ieder van zijn buren gouden en zilveren voorwerpen eiste, werd grotendeels ten koste gelegd aan de tabernakel die zij in de woestijn hadden opgericht en dit ontvingen zij nu met interest terug. Waarschijnlijk werd de hier genomen buit tot Jozua gebracht en door hem naar evenredigheid verdeeld, zoals ook met de buit van de Midianieten was geschied, Numeri 31:26 en verv. Er werd niet met onregelmatigheid of geweld mee te werk gegaan, want God is de God van orde en billijkheid, en niet van verwarring.
3. Zij hebben de stad in de as gelegd en lieten haar zo blijven, vers 28. Israël moest nog in tenten wonen, en daarom moest, evenals Jericho, ook deze stad verbrand worden. En hoewel er geen vloek gelegd werd op hem, die haar wilde herbouwen, schijnt zij toch niet herbouwd te zijn geworden, tenzij het dezelfde stad is als Aja, waarvan wij lang daarna lezen Nehemia 11:31. Sommigen denken dat zij niet herbouwd was, omdat Israël er een nederlaag heeft geleden, waarvan de herinnering onder de puinhopen van de stad begraven moest blijven.
4. De koning van Ai werd gevangen genomen en gedood, niet met het oorlogszwaard als een krijgsman, maar met het zwaard van de gerechtigheid als een boosdoener. Jozua gaf bevel hem op te hangen, en zijn dood lichaam werd aan de poort van zijn eigen stad geworpen, en een grote steenhoop op hetzelve opgericht, vers 23-29. Er was ongetwijfeld een bijzondere reden voor deze strengheid jegens de koning van Ai. Waarschijnlijk was hij bekend als een zeer bijzonder slecht man en een lasteraar van de God Israëls, misschien had hij zich als zodanig doen kennen bij gelegenheid dat hij Israëls krijgsmacht bij de eersten aanval op zijn stad had teruggedreven. Sommigen merken op dat zijn dood lichaam geworpen werd aan de poort, waar hij als rechter placht te zitten, teneinde zoveel groter smaadheid aan te doen aan de waardigheid, waarop hij zo hoogmoedig was en gestraft zou worden voor de onrechtvaardige decreten, die hij gemaakt heeft in dezelfde plaats, waar hij ze gemaakt heeft. Aldus is de Heere bekend geworden door het recht, dat Hij gedaan heeft.