Jozua 7:1-5
Het verhaal in dit hoofdstuk begint met een "maar". De Heere was met Jozua, en zijn gerucht liep door het gehele land, zo eindigt het vorige hoofdstuk, en er bleef geen twijfel over, of hij zou voortgaan, zoals hij was begonnen, voortgaande en overwinnende, opdat hij overwonne. Hij handelde recht en gehoorzaamde in alles aan zijn orders. Maar de kinderen Israëls overtraden door overtreding en hebben aldus God tegen zich gesteld en toen heeft zelfs Jozua's naam en roem, zijn wijsheid en zijn moed hem geen dienst gedaan. Als wij onze God verliezen, dan verliezen wij onze vrienden, die ons niet kunnen helpen tenzij God voor ons is. Nu hebben wij hier:
1. De zonde van Achan, vers 1. Hier wordt slechts melding gemaakt van zijn zonde in het algemeen, later zullen wij er een meer omstandig verhaal van hebben uit zijn eigen mond. De zonde wordt hier gezegd te bestaan in het nemen van het verbannene in ongehoorzaamheid aan het bevel en ten spijt van de bedreiging, Hoofdstuk 6:18. Bij de plundering van Jericho waren orders gegeven, dat zij geen leven mochten sparen en geen kostbaarheden voor zichzelf mochten roven, wij lezen niet van een overtreding van het eerste verbod, (er was niemand aan wie zij lijfsgenade verleenden) maar wel van het laatste, het medelijden werd weggedaan, het moest wijken voor de wet, maar aan hebzucht werd toegegeven. De liefde voor de wereld is die wortel van de bitterheid, die meer dan alle anderen, moeilijk is uit te roeien. Toch blijkt overduidelijk uit de geschiedenis van Achan, dat onder al de duizenden van Israël hij de enige schuldige was in deze zaak. Indien er meer waren, die zich op dezelfde wijze schuldig hadden gemaakt dan zouden wij er ongetwijfeld van gehoord hebben, en het is merkwaardig dat er niet meer waren. De verzoeking was sterk, allicht kwam het denkbeeld op, dat het toch jammer was dat zoveel kostbaarheden verbrand zouden worden, waartoe dit verlies? Bij het plunderen van steden acht iedereen zich gerechtigd om te nemen wat hij kan. Het was gemakkelijk zich geheimhouding en straffeloosheid te beloven, maar door de genade Gods waren er op de Israëlieten zulke indrukken teweeggebracht door Gods inzettingen: de besnijdenis en het pascha, dat zij nu pas gevierd hadden en door Godsvoorzienigheid over hen, dat zij ontzag hadden voor het Goddelijk bevel en oordeel, zodat zij zich grootmoedig hebben verloochend in gehoorzaamheid aan hun God. En toch, hoewel het slechts een enkel persoon was, die gezondigd had, wordt gezegd: de kinderen Israëls overtraden door overtreding, omdat één uit hen het gedaan had, en omdat hij nog niet van hen was afgezonderd, nog niet door hen was verloochend. Zij deden het, dat is: door hetgeen Achan deed, de schuld kwam over geheel de maatschappij, waarvan hij een lid was. Laat dit een waarschuwing zijn voor ons, om ons te wachten van zelf te zondigen, opdat niet velen er door beroerd en ontreinigd worden, Hebreeën 12:15, en ons te wachten van gemeenschap te hebben met de zondaren, opdat wij niet delen in hun schuld. Menig zorgzaam koopman is geruïneerd geworden door een zorgeloze compagnon. En het voegt ons over elkaar te waken ter voorkoming van zonde omdat zonde van anderen ons ten nadele kan strekken.
II. Het leger Israëls hierom lijdende. "De toorn des Heeren ontstak tegen de kinderen Israëls." Hij zag de overtreding, schoon zij haar niet zagen, en nu neemt Hij maatregelen om ze hen te doen zien, want, vroeg of laat, op de een of andere wijze, zullen verborgen zonden aan het licht gebracht worden, en doen de mensen er geen onderzoek naar, God zal het wel, en door Zijn onderzoek zal Hij het hun gaande maken. Menige gemeenschap is onder schuld en toorn en weet het niet, totdat het vuur uitbreekt, en hier brak het snel uit. 1. Jozua zond een detachement om de naastbijgelegen stad op hun weg in bezit te gaan nemen, en dat was Ai. Slechts drie duizend man werden afgezonden, daar hem door zijn verspieders bericht was dat de plaats onaanzienlijk was, en er geen grote krijgsmacht nodig was om haar in te nemen, vers 2, 3. Nu was dit misschien een zondige gerustheid, om zo gering een krijgsmacht uit te zenden op deze onderneming, het kon ook een toegeven zijn aan de gemakzucht des volks, want zij willen niet, dat al het volk daarheen vermoeid zal worden. Misschien was het volk minder ijverig om op deze onderneming uit te gaan, omdat hun de roof van Jericho ontzegd was, en waren deze verspieders van mening dat men hun hierin ter wille moest zijn. Maar als die stad genomen moet worden, zou God wel door Zijn eigen macht de muren nederwerpen, doch zij moeten zich toch allen daarheen vermoeien, ja en zich ook daar vermoeien door er om heen te gaan. Het was geheel geen goed teken, dat Gods Israël zoveel aan hun vermoeienis begon te denken, en op middelen zon om zich moeite te besparen. Er wordt van ons geëist dat wij ons zelfs zaligheid zullen werken, hoewel het God is, die in ons werkt. Het bleek ook dikwijls slechte gevolgen te hebben als men zijn vijanden te gering heeft geacht. Zij zijn weinigen, zeggen de verspieders maar weinigen, als zij waren, bleken zij toch te velen voor hen. Het zal onze zorgen waakzaamheid opwekken in onze Christelijken strijd om te bedenken, dat wij de strijd hebben tegen de overheden en machten.
2. De troepen, die hij zond, werden bij hun eerste aanval op de stad met enig verlies teruggeslagen, vers 4, 5. Zij vluchtten voor het aangezicht van de mannen van Ai, zich onverklaarbaar ontmoedigd bevindende, terwijl hun vijanden met grote kracht en kloekmoedigheid streden dan zij hadden verwacht. In hun terugtrekken verloren zij zes en dertig man, geen zeer groot verlies op zo groot een getal, maar een ontzettende verrassing voor hen die geen reden hadden om bij enige aanval iets anders te verwachten dan een gemakkelijke en besliste overwinning. En zoals nu bleek was het maar goed, dat niet meer dan drie duizend man onder die smaad kwamen. Al ware ook geheel het leger daar geweest, het zou niet beter stand hebben kunnen houden nu het onder schuld en toorn was, dan deze kleine troep, en dan zou de nederlaag nog veel smartelijker en schandelijker geweest zijn. Maar het was al erg genoeg zoals het was, en diende:
a. Om Gods Israël te verootmoedigen, en hun te leren zich altijd te verheugen met beven. Die zich aangordt beroeme zich niet als die zich losmaakt.
b. Om de Kanaänieten te verharden, hen geruster te maken, in weerwil van de verschrikkingen, die over hen gekomen waren opdat hun verderf, als het kwam, zoveel vreeslijker zou zijn.
c. Om een bewijs te zijn van Gods misnoegen op Israël, en hun een roepstem te wezen om de oude zuurdesem uit te zuiveren. En dit was voornamelijk bedoeld met deze nederlaag.
3. Het in wanorde terugtrekken van deze troep bracht verschrikking in geheel het leger Israëls, het hart des volks versmolt, niet zozeer vanwege het verlies als vanwege de teleurstelling. Jozua had hun verzekerd dat de levende God ganselijk de Kanaänieten voor hun aangezicht zou uitdrijven, Hoofdstuk 3:10. Hoe nu deze gebeurtenis overeen te brengen met die belofte? Voor ieder denkend man onder hen scheen het een aanduiding te zijn van Gods misnoegen, en een teken van nog iets ergers dan hun nu wedervaren was, geen wonder dus, dat het zo'n ontsteltenis bij hen teweegbracht. Indien God hun vijand is geworden en tegen hen strijdt, wat zal er dan van hen worden? Ware Israëlieten sidderen, als God toornig is.