Jozua 3:7-13
Wij kunnen hier opmerken hoe God Jozua eert, en door het wonder, dat Hij zal werken aan Israël wil doen weten, dat hij hun heerser en bestuurder is. En dan, hoe Jozua God eert, en Israël daardoor poogt te doen weten dat Hij hun God is. Zo zal God hen eren, die Hem eren, en zij, die door Hem verhoogd werden moeten doen wat zij kunnen in hun plaats om Hem groot te maken en te verheerlijken.
I. God spreekt tot Jozua om hem eer aan te doen, vers 7, 8.
1. Het was een grote eer, die God hem aandeed, dat Hij tot hem sprak zoals Hij met Mozes gesproken had, van het verzoendeksel voordat de priesters met de ark vertrokken. Het zal aan Jozua gerustheid geven voor zichzelf, en hem groot maken onder het volk dat het Gode behaagd heeft om op gemeenzame wijze tot hem te spreken.
2. Dat Hij bedoelde hem groot te maken voor de ogen van het gehele volk Israël. Tevoren had Hij hem gezegd, dat Hij met hem zal zijn Hoofdstuk 1:5, dat heeft hem vertroost, maar nu zal geheel Israël het zien, en dat zal hem groot maken. Diegenen zijn waarlijk groot met wie God is, en die Hij in Zijn dienst gebruikt en zegent. God maakte hem groot, omdat Hij wilde dat het volk hem groot zou maken. Godvrezende overheidspersonen moeten grotelijks geëerd worden en als openbare zegeningen worden beschouwd, en hoe meer wij van God met hen zien, hoe meer wij hen moeten eren. Door het klieven van de Rode Zee was Israël overtuigd, dat God met Mozes was toen hij hen heeft uitgeleid uit Egypte, daarom worden zij gezegd met Mozes gedoopt te zijn in de zee 1 Corinthiers 10:2. En bij die gelegenheid geloofden zij aan hem, Exodus 14:31. En nu zullen zij door de verdeling van de Jordaan overtuigd zijn, dat God evenzo met Jozua is, om hen in Kanaän te brengen. God had Jozua tevoren bij verschillende gelegenheden groot gemaakt maar nu begon Hij hem groot te maken als de opvolger van Mozes in de regering. Sommigen hebben opgemerkt dat het aan de oever van de Jordaan was, dat God Jozua begon groot te maken, en aan dezelfde plaats is Hij begonnen onze Heere Jezus groot te maken als Middelaar, want Johannes was dopende te Bethabara, het huis van de overtocht, en hier was het dat, toen onze Heiland gedoopt was, van Hem bekend werd gemaakt: "Deze is Mijn geliefde Zoon."
3. Dat Hij door hem orders gaf aan de priesters zelf, hoewel deze Zijn onmiddellijke dienstknechten waren, vers 8. Gij dan zult de priesters gebieden, dat is: "Gij zult hun in deze zaak het gebod Gods bekendmaken en zorgdragen, dat zij het opvolgen, om stil te staan aan de oever van de Jordaan, terwijl de wateren gescheiden worden, opdat het blijke te zijn op de tegenwoordigheid des Heeren, van de machtige God van Jakob, dat de Jordaan achterwaarts gekeerd werd, Psalm 114:5, 7. God kon de rivier verdeeld hebben zonder de priesters, maar zij konden het niet zonder Hem. De priesters moeten hierin een goed voorbeeld geven aan het volk en hen leren hun uiterste best te doen in de dienst van God, en op Hem te vertrouwen voor hulp in de tijd van nood.
II. Jozua spreekt tot het volk, en daarin eert hij God.
1. Hij vraagt om hun aandacht vers 9. Nadert herwaarts tot mij, zovelen als binnen het bereik van mijn stem kunnen komen, en eer gij de wonderen ziet, "hoort de woorden des Heeren, uws Gods, opdat gij ze kunt vergelijken, en zij elkaar kunnen ophelderen." Hij had hun bevolen zich te heiligen, en daarom roept hij hen om het woord Gods te horen, want dat is het gewone middel voor heiligmaking, Johannes 17:17.
2. Hij zegt hun nu eindelijk, hoe zij over de Jordaan zullen gaan, namelijk door het stilstaan van zijn stroom, vers 13, de wateren van de Jordaan zullen afgesneden worden. God zou door een plotselinge en wonderdadige vorst de oppervlakte hebben kunnen doen stollen zodat zij allen over het ijs hadden kunnen gaan, daar dit echter iets was, dat zelfs in dat land soms door de gewone kracht van de natuur geschiedt Job 38:30 :"Als meteen steen verbergen zich de wateren, en het vlakke des afgronds is bevroren, zou dit niet zo tot eerzijn geweest van Israëls God", noch zo'n verschrikking voor Israëls vijanden, daarom moet het op zo'n wijze geschieden, dat er geen ander voorbeeld van was dan het klieven van de Rode Zee, en dat wonder wordt hier herhaald om te tonen dat God nog dezelfde macht heeft om de verlossing Zijns volks te voltooien als Hij gehad heeft, om haar te beginnen, want Hij is "de Alfa en de Omega," en dat het woord des Heeren (zoals de lezing is in het Chaldeeuws, vers 7) het essentiële eeuwige Woord, even waarlijk met Jozua was, als Hij met Mozes geweest is. En door de wateren af te scheiden van de wateren en het droge zichtbaar te doen worden, dat met de wateren bedekt was geweest, wilde God hen doen gedenken aan hetgeen Mozes hun door openbaring geleerd had betreffende het werk van de schepping, Genesis 1:6, 9. Opdat door hetgeen zij nu zagen hun geloof in hetgeen zij daar lazen geholpen en ondersteund zou worden, en zij zouden weten dat de God, die zij aanbaden dezelfde God is die de wereld heeft gemaakt, en dat het dezelfde macht was, die nu tot hun behoeve gebruikt werd.
3. Daar aan het volk tevoren bevolen was de ark te volgen, wordt hun nu gezegd dat zij voor hunlieder aangezicht in de Jordaan zal gaan, vers 11.
Merk op:
a. De ark des verbonds moet hun gids zijn. Gedurende Mozes' regering was de wolkkolom hun gids, maar nu onder Jozua's regering, de ark, beide waren zichtbare tekenen van Gods tegenwoordigheid en bestuur, maar de Goddelijke genade is onder de Mozaïsche bedeling door een wolk omhuld en onder een deksel, terwijl zij door Christus, onze Jozua, geopenbaard is in de onomsluierde ark des verbonds.
b. Zij wordt genoemd "de ark des verbonds des Heeren van de gehele aarde".
c. Hun wordt gezegd, "dat de ark voor hen in de Jordaan zal gaan." God wilde hun niet bevelen ergens te gaan, dan waar Hij zelf voor hun aangezicht heen zou gaan, en met hen zou gaan, en zij kunnen zich veilig wagen, zelfs in de Jordaan, als de ark des verbonds voor hen heen gaat. Zolang wij Gods geboden ons ten richtsnoer stellen, Zijn beloften tot onze steun maken, en Zijn voorzienigheid tot onze gids hebben, behoeven wij ook voor de grootste moeilijkheden niet te vrezen, die wij op onze weg kunnen ontmoeten, zo het de weg is van onze plicht. Deze belofte is vast al de zade, Jesaja 43:2 :"Wanneer gij zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn, en door de rivieren, zij zullen u niet overstromen."
4. Uit hetgeen God nu voor hen ging doen leidt hij de verzekering af van hetgeen Hij nog verder doen zal. Hiervan spreekt hij het eerst, zozeer was zijn hart er van vervuld en zo groot was de blijdschap, die het hem gaf, vers 10. "Hieraan zult gijlieden bekennen dat de levende God, (de ware God, de God van macht niet een van de dode goden van de heidenen) in het midden van u is, hoewel gij Hem niet ziet noch enig beeld van Hem kunt hebben, onder u is om u de wet te geven, uw welvaren te verzekeren, en uw hulde te ontvangen, onder u is in de grote onderneming, die nu voor u ligt, en daarom zult gij, of liever zal Hij, ganselijk voor uw aangezicht uitdrijven de Kanaänieten." Zodat de verdeling van de Jordaan bestemd was om hun te zijn:
a. Een stellig teken van Gods tegenwoordigheid onder hen, hieraan moesten zij wel weten, "dat God in het midden van hen was," tenzij hun ongeloof even hardnekkig was tegen het meest overtuigend bewijs, als dat van hun vaderen geweest is, die terstond nadat God de Rode Zee voor hen gekliefd had, onbeschaamd de vraag hebben gesteld: "Is de Heere in het midden van ons of niet?" Exodus 17:7.
b. Een gewis onderpand van de verovering van Kanaän, indien de levende God in het midden van ulieden is, dan zal Hij de Kanaänieten voor uw aangezicht uitdrijvende uitdrijven, zoals de uitdrukking luidt in het Hebreeuws. Hij zal het zeker doen, het krachtdadig doen. Wat zou Hem kunnen hinderen? Wat kan Hem in de weg wezen, voor wiens aangezicht rivieren worden verdeeld en opgedroogd? Het forceren van de liniën was een stellig voorteken van het verderf van al hun heirlegers, hoe zullen zij standhouden als de Jordaan zelf achterwaarts wordt gedreven? Als zij de moed niet hadden om deze pas te verdedigen, maar beefden op de nadering van de machtigen God Jakobs, Psalm 114:7, welke tegenstand konden zij daarna nog bieden? Deze verzekering, die Jozua hun hier geeft, was zo wel gegrond, dat zij een Israëliet instaat zal stellen om duizend Kanaänieten te jagen, en twee om tienduizend op de vlucht te doen sterven, en zij zal nog zeer versterkt worden door Mozes' lied te gedenken dat veertig jaren tevoren hem ingegeven was, en duidelijk het verdelen van de Jordaan voorspelde, en de invloed, die dit zou hebben op het uitdrijven van de Kanaänieten Exodus 15:15-17. Al de ingezetenen van Kanaän zullen versmelten, en aldus volkomen uitgedreven worden, zij zullen verstommen als een steen, totdat Uw volk, Heere, er doorheen kome, en dan zult Gij hen inbrengen en planten. Gods heerlijke verschijningen voor Zijn kerk en volk moeten door ons aangewend worden ter bemoediging van ons geloof en onze hoop voor de toekomst. Gods weg is volmaakt. Indien de Jordaanstroom hen niet buiten Kanaän kan houden, dan zal Kanaäns strijdmacht hen niet weer uitwerpen, als zij er eenmaal in zijn.
5. Hij gebiedt hun twaalf mannen gereed te houden, uit iedere stam één, om de orders te ontvangen, die Jozua hun later geven zal, vers 12. Het blijkt niet dat zij de priesters moesten vergezellen, en met hen medelopen als zij de ark droegen, ten einde meer onmiddellijk getuigen te zijn van de wonderen die er door geschieden zouden, maar zij moesten gereed zijn voor de dienst, waartoe zij geroepen zullen worden, Hoofdstuk 4:4 en verv.