Jozua 4:10-19
De gewijde geschiedschrijver schijnt zo ingenomen met zijn onderwerp, dat hij er, als het ware, niet van kan scheiden, weshalve hij zeer omstandig is in zijn verhaal, inzonderheid om op te merken hoe nauwkeurig Jozua de orders opvolgde, die God hem had gegeven, en dat hij niets deed zonder de leiding en aanwijzing Gods, volbrengende alles wat de Heere hem geboden had, vers 10, hetgeen gezegd wordt ook te zijn wat Mozes geboden had. Wij lezen van geen bijzondere bevelen, die Mozes aan Jozua voor deze zaak heeft gegeven, de zaak was geheel nieuw voor hem. Daarom moet dit verstaan worden van de algemene instructies die Mozes hem gegeven heeft om de Goddelijke leiding te volgen, aan het volk over te leveren hetgeen hij van de Heere had ontvangen, en alle gelegenheden waar te nemen, om hen te herinneren aan hun plicht jegens God, als de beste wijze om hun dankbaarheid te tonen voor Zijn gunsten. Hetgeen Mozes, die nu dood was, tot hem gezegd had, herdacht hij en in overeenstemming hiermede handelde hij. Het is goed om de instructies, die wij hebben ontvangen klaar voor de geest te hebben, als het ogenblik is gekomen om ze ten uitvoer te brengen.
1. Het volk haastte en trok over, vers 10. Sommigen verstaan dit van de twaalf mannen die de stenen droegen, maar het schijnt veeleer bedoeld van de gehele massa des volks, want hoewel een bericht van hun overtocht gegeven is in vers 1, wordt het hier herhaald om de wille van deze bijzonderheid, die er aan toegevoegd is, dat het volk zich haastte en overtrok, hetzij dat Jozua hun door hun ambtlieden gebood haast te maken, want het moest het werk zijn van slechts één dag, en zij moesten geen klauw achterlaten, of wellicht was het hun eigen neiging om spoed te maken.
a. Sommigen haastten, omdat zij niet instaat waren op God te vertrouwen, en vreesden dat de wateren zouden wederkeren en hen overstelpen, zich bewust zijnde van schuld, en wantrouwig van de Goddelijke macht en goedheid.
b. Anderen, omdat zij God niet wilden verzoeken om het wonder langer te laten duren dan nodig was noch het geduld van de priesters, die de ark droegen, door onnodige vertraging op de proef wilden stellen.
c. Anderen, omdat zij vurig verlangden in Kanaän te komen, en aldus wilden tonen hoe begerig zij waren dit lieflijk land te bereiken.
d. Nog anderen, die zelf het minst nadachten, maar haastten omdat anderen haastten. HU die gelooft zal niet haasten, zal Gods raad niet vooruit willen lopen, maar hem geduldig verbeiden, Jesaja 28:16.
2. De twee en een halve stam leidde de voorhoede, vers 12, 13. Dat hadden zij beloofd, toen hun hun erfdeel aan deze zijde van de Jordaan gegeven was, Numeri 32:27. En Jozua had hen nu onlangs aan hun belofte herinnerd, Hoofdstuk 1:12 en verv. Het was voegzaam, dat zij, die de eerste vestiging hadden verkregen, de eersten zouden zijn om de moeilijkheden en bezwaren tegemoet te gaan, te meer, wijl zij geen vrouwen en kinderen bij zich hadden, zoals de andere stammen, en zij waren allen uitgelezen mannen, geschikt tot de dienst, wel gewapend en toegerust. Het was een goede schikking om onder de leiding van zo sterk een legerafdeling voorwaarts te gaan, de anderen zullen er door aangemoedigd zijn. En de twee stammen hadden geen reden tot klagen: "de gevaarlijkste post is de meest eervolle post". 3. Toen al het volk aan de overzijde was gekomen, klommen de priesters met de ark op uit de Jordaan. Men zou denken dat dit vanzelf sprak, hun eigen verstand zal hun zeggen dat zij daar nu niet langer nodig waren, en toch hebben zij geen voet verzet, voordat Jozua hun gebood voort te gaan, en Jozua heeft hun niet geboden uit de Jordaan te gaan, voordat God het hem beval, vers 15-17. Zo gehoorzaam waren zij aan Jozua, en was Jozua aan God, hetgeen hun lof was, zoals het hun geluk was om onder zo goed een leiding te wezen. In hoe een lage staat God te eniger tijd Zijn priesters of Zijn volk ook moge brengen, laat hen geduldig wachten totdat Hij door Zijn voorzienigheid er hen uit oproept, zoals de priesters hier geroepen werden om uit de Jordaan op te komen, en laat hen het wachten niet moede worden, zolang zij in de diepte van hun lijden en verdrukking de ark des verbonds bij zich hebben, de tekenen namelijk van Gods tegenwoordigheid.
4. Niet zodra waren de priesters met de ark uit de Jordaan opgeklommen of de wateren van de rivier, die op een hoop hadden gestaan vloeiden weer in hun gewone loop afwaarts, en weldra was de bedding weer geheel gevuld, vers 18. Hieruit blijkt nog duidelijker dat de stilstand, die aan de rivier gegeven was, geen verborgen natuurlijke oorzaak had, maar zuiver en alleen de kracht van Gods tegenwoordigheid, en om de wille van Israël, want toen Israël over de Jordaan was, en het teken van Gods tegenwoordigheid was weggenomen stroomde het water weer voort, zodat, als er gevraagd wordt: "wat was u, Jordaan! dat gij achterwaarts keerdet?" geantwoord moet worden: het was zuiver en alleen in gehoorzaamheid aan de God Israëls en in goedertierenheid voor Gods Israël, "daarom is er niemand gelijk aan de God van Jeschurun, welgelukzalig zijt gij o Israël, wie is u gelijk, een volk verlost door de Heere." Sommigen merken hier op dat als de ark en de priesters, die haar dragen, van enigerlei plaats worden weggenomen de sluisdeuren des hemels geopend worden, de schaduw dat is, de bescherming, is geweken, en een overstroming van oordelen kan weldra verwacht worden. Zij, die uit de gemeente gestoten zijn, zullen spoedig ten verderve gaan. Als de ark genomen is, is de eer geweken.
5. Er wordt nota genomen van de eer, die door dit alles op Jozua gelegd werd, vers 14. "Te dien dage maakte de Heere Jozua groot," beide door de gemeenschap waartoe Hij hem met zich toeliet, bij alle gelegenheden tot hem sprekende, en bereid zijnde om door hem geraadpleegd te worden, en door het gezag, waarin Hij hem bevestigde zowel over de priesters als over het volk. Die God eren zal Hij eren, en als Hij iemand groot wil maken, zoals Hij gezegd had Jozua te willen grootmaken, Hoofdstuk 3:7, dan zal Hij het krachtdadig doen. Maar het was toch niet alleen om Jozua's wil, dat hij aldus groot werd gemaakt, het was om hem instaat te stellen om zoveel te meer dienst te doen aan Israël, want nu vreesden zij hem zoals zij Mozes gevreesd hadden. Zie hier wat het beste en zekerste middel is om de eerbied af te dwingen van minderen en hun gehoorzaamheid te verkrijgen, het is niet door te razen of te intimideren en een hoge toon te voeren, maar door heiligheid en liefde en alle mogelijke blijken te geven van hun welvaren en Gods wil en eer op het oog te hebben. Diegenen worden op de beste wijze en met het beste gevolg gevreesd, die doen blijken dat God met hen is en dat zij Hem voor ogen hebben. Zij, die geheiligd zijn, zijn in waarheid groot gemaakt, en zijn dubbele eer waardig. Voor de gunstgenoten des hemels moet men ontzag hebben.
6. Er wordt rekening gehouden van de tijd, wanneer deze grote gebeurtenis plaats had vers 19, het was op de tiende van de eerste maand op vijf dagen na juist veertig jaren nadat zij uit Egypte kwamen. God had gezegd in Zijn toorn, dat zij veertig jaren in de woestijn zouden omdwalen, maar om die veertig jaren vol te maken, moeten wij er het eerste jaar bij rekenen, dat toen al voorbij was, en een jaar van triomf was geweest in hun bevrijding uit Egypte, en dit laatste jaar, dat mee een Jaar van triomf was aan de overzijde van de Jordaan, zodat al die veertig jaren geen jaren van smart zijn geweest. En eindelijk bracht Hij hen in Kanaän nog vijf dagen voordat de veertig jaren voleindigd waren, om te tonen hoe weinig Hij behagen schept in straffen, hoe vaardig Hij is om barmhartigheid te bewijzen, en dat terwille van de uitverkorenen de dagen van beroering en benauwdheid verkort worden, Mattheus 24:22. God heeft het zo beschikt, dat zij Kanaän binnentrokken vier dagen vóór het jaarlijkse feest van het pascha, en op de eigen dag, dat zij moesten beginnen er zich op te bereiden Exodus 12:3 omdat Hij wilde dat hun intocht in Kanaän lieflijk gemaakt en geheiligd zou worden door dit Godsdienstige feest, en hen herinnerd wilde hebben aan hun bevrijding uit Egypte, opdat zij die dagen en gebeurtenissen met elkaar vergelijkende, God verheerlijkt zou worden als "de Alfa en de Omega" van hun welzijn en geluk.