Jozua 23:11-16
I. Jozua zegt hier wat zij doen moeten om in de Godsdienst te volharden, vers 11. Willen wij de Heere blijven aanhangen en Hem niet verlaten, dan moeten wij:
1. Altijd op onze hoede zijn, want menige kostelijke ziel is verloren en ten verderve gegaan door achteloosheid. Daarom bewaart uw zielen naarstiglijk, opdat de inwendige mens rein blijve van de besmetting van de zonde, en naarstig gebruikt worde in de dienst van God. God heeft ons onze kostelijke ziel gegeven met deze last: "Bewaar haar naarstig boven al dat te bewaren is".
2. Wat wij in de Godsdienst doen, moeten wij doen uit een beginsel van liefde, niet door dwang of uit een slaafse vrees voor God, maar uit keus en met vermaak. "Hebt de Heere, uw God, lief, dan zult gij Hem niet verlaten".
II. Hij voert Gods getrouwheid jegens hen aan als een argument, waarom zij getrouw moeten zijn aan Hem, vers 14. "Ik ga heden in de weg van de gehele aarde, ik ben oud en stervende". Sterven is op reis gaan naar ons eeuwig tehuis, het is de weg van de gehele aarde, de weg, die geheel het mensdom vroeg of laat gaan moet. Ook Jozua zelf, hoewel hij zo groot en goed een man was, en zo slecht gemist kon worden, kan van die algemene wet niet vrijgesteld worden. Hij maakt hier thans gewag van, opdat zij zijn woorden zullen beschouwen als de woorden van een stervende, en ze als zodanig ter harte zullen nemen. Of wel: "Ik ben stervende en ga u verlaten, mij hebt gij niet altijd bij u, maar zo gij de Heere blijft aanhangen, zal Hij u nooit verlaten". Of wel: "Nu ik mijn einde nabij ben, voegt het om terug te zien op de voorbijgegane jaren, en bij die terugblik bevind ik, en gij zelf weet in uw gehele hart en in uw gehele ziel, door een volkomen overtuiging en het klaarste bewijs, en die zaak heeft indruk op u gemaakt" (die kennis doet ons goed, welke zetelt niet alleen in het hoofd, maar in het hart en de ziel) "gij weet, dat er niet een enig woord gevallen is van al die goede woorden, welke de Heere, uw God, over u gesproken heeft", ( en Hij heeft er vele gesproken) zie Hoofdstuk 21:45. God had hun overwinning beloofd, en rust, en overvloed, Zijn tabernakel onder hen, enz. en niet een enig woord is gevallen van al hetgeen Hij gesproken heeft. "Welnu", zegt hij, "is God aldus getrouw geweest aan u? Weest gijlieden dan niet ontrouw aan Hem". Het is des apostels drangreden tot volharding, Hebreeën 10:23. "Die het beloofd heeft is getrouw."
III. Hij waarschuwt hen voor de noodlottige gevolgen van afval, vers 12, 13, 15, 16,. "Indien gij u van Hem afkeert, zo weet voorzeker, dat dit uw verderf zijn zal".
Merk op:
1. Hoe hij de afval beschrijft, voor welke hij hen waarschuwt. Wat er toe leiden kon, was: vers 12 :Op vertrouwelijke voet te komen met afgodendienaars, die hen listiglijk zullen vleien en bepraten, zich bij hen, nu zij meesters zijn geworden van het land, zullen indringen om hun eigen doeleinden te dienen. Dan zullen wederzijdse huwelijken gesloten worden door de list en behendigheid van hen, die wel gaarne hun kinderen aan de rijke Israëlieten ten huwelijk zullen geven. En het gevolg daarvan zal wezen, dat zij hun goden gaan dienen, vers 16 (voorgevende dat zij de aloude godheden zijn van het land) en zich voor hen zullen nederbuigen. Aldus gaat de weg van de zonde bergafwaarts, en zij, die gemeenschap hebben met zondaren, kunnen het niet vermijden gemeenschap te hebben met de zonde. Dit stelt hij voor:
a. Als een lage en schandelijke verzaking: "het is een teruggaan van hetgeen gij zo goed waart begonnen, vers 12.
b. Als een verraderlijke verbreking van hun belofte, vers 16. "Het is een overtreding van het verbond des Heeren uws Gods, dat Hij u geboden heeft, en waar gij zelf uw handtekening onder hebt geplaatst". Andere zonden waren overtredingen van de wet Gods, die hun geboden was, maar dit was een overtreding van het verbond, dat Hij hun geboden had, en dat stond dan gelijk met een verbreken van de betrekking tussen God en hen, en een verbeuren van alle voorrechten des verbonds.
2. Hoe hij het verderf beschrijft, waarvoor hij hen waarschuwt.
a. Dat deze overgebleven Kanaänieten, zo zij hen herbergden, in gemeenschap met hen gingen komen, hun tot een strik en tot een net zullen zijn, beide om hen tot zonde te brengen (niet slechts tot afgoderij maar tot allerlei onzedelijkheid, hetgeen het verderf zou wezen, niet alleen van hun deugd, maar van hun wijsheid en verstand, hun moed en hun eer) maar ook tot allerlei dwaze en onvoordelige plannen. En als zij hen dan door heimelijke handelingen tot het een of ander kwaad hebben verlokt, zodat zij in het voordeel over hen komen, dan zullen zij meer openlijk tegen hen gaan optreden, tot een gesel aan hun zijden en tot doornen in hun ogen gaan worden, misschien hun vee doden of wegdrijven, hun koren verbranden of stelen, hun huizen plunderen, en hen op alle mogelijke wijze kwellen en plagen, want wèlke vriendschap zij ook zullen voorwenden, een Kanaäniet, tenzij hij tot het geloof en de aanbidding van de ware God bekeerd is, zal te allen tijde de naam en het gezicht van een Israëliet heten en verafschuwen. Zie dan hoe de straf beantwoorden zou aan de zonde, ja hoe de zonde zelf de straf meebrengt.
b. Dat de toorn des Heeren tegen hen ontstoken zou worden. Hun maken van verbonden met de Kanaänieten, zal hen niet slechts in de gelegenheid stellen om hun kwaad te doen, en als het koesteren wezen van een adder in hun boezem, het zal ook God er toe brengen om hun vijand te worden, en het vuur Zijns toorns tegen hen te ontsteken.
c. Dat al de bedreigingen des woords vervuld zullen worden, zoals de beloften vervuld zijn geworden, want de God van de eeuwige waarheid is aan beide getrouw, vers 15. "Gelijk als al die goede dingen over u gekomen zijn overeenkomstig de belofte, zolang gij u dicht aan God hebt gehouden, zo zullen al die kwade dingen over u komen overeenkomstig de bedreigingen, indien gij Hem verlaat." Mozes had hun goed en kwaad voorgesteld, zij hadden ervaring van het goede, en hadden daar nu het genot van, en even zeker zal het kwaad komen, zo zij ongehoorzaam zijn. Gelijk Gods beloften geen paaien is met ijdele droombeelden, zo zijn ook Zijn bedreigingen geen verschrikkingen voor de leus.
d. Dat het zou eindigen in het algehele verderf van hun kerk en hun staat, zoals Mozes hun voorzegd had. Dit wordt hier driemaal vermeld. Uw vijanden zullen u kwellen, totdat gij omkomt van dit goede land, vers 13. Wederom: "God zal u plagen, totdat Hij u verdelge van dit goede land, vers 15. Hemel en aarde zullen samen werken om u uit te roeien, zodat gij zult omkomen van het goede land", vers 16. Het zal hun verderf verzwaren, dat het land, waarvan zij zullen omkomen, een goed land is, een land dat God zelf hun had gegeven, en dat Hij hun daarom verzekerd zou hebben, indien zij er zich niet zelf door hun goddeloosheid hadden uitgeworpen. Zo zal de kostelijkheid van het hemelse Kanaän, en de vrije schenking die God er van gedaan heeft, de rampzaligheid verzwaren van hen, die er voor eeuwig van buitengesloten zijn en er van omkomen. Niets zal hen zo goed doen zien hoe ongelukkig zij zijn, als te zien hoe gelukkig zij hadden kunnen wezen. Jozua stelt hun aldus de noodlottige gevolgen voor van hun afval, opdat zij, wetende de schrik des Heeren, bewogen zullen worden om Hem met een vast voornemen des harten aan te hangen.