Jozua 22:10-20
1. Hier is de vrome zorg van de afzonderlijke stammen om de Godsdienst van Kanaän vast te houden, toen zij Kanaäns land verlieten, ten einde niet te wezen "als de vreemde, geheel en al gescheiden van Gods volk," Jesaja 56:3. Daarom bouwden zij aan de oever van de Jordaan een groot altaar, om voor hen te getuigen dat zij Israëlieten waren, en als zodanig "gemeenschap hadden met het altaar des Heeren," 1 Corinthiers 10:18. Toen zij aan de Jordaan kwamen, vers 10, hebben zij er niet over beraadslaagd hoe de herinnering te bewaren aan hun eigen oorlogsdaden in Kanaän, en de diensten, die zij hun broederen hebben bewezen, door een gedenkteken op te richten aan de onsterflijke glorie van de twee en een halven stam, neen, hun betrekking tot de kerk Gods, en hun deel in de gemeenschap van de heiligen, dat is het, dat zij willen bewaren, en waarvan zij de blijken en bewijzen wensen te bestendigen. Daarom hebben zij, toen het voorstel er toe gedaan was door sommigen van hen, die, hoewel blij om te denken dat zij nu naar huis gingen, toch bedroefd waren bij de gedachte dat zij weggingen van het altaar Gods, terstond dit altaar opgericht, dat als een brug meest dienen om met de andere stammen de gemeenschap in de dingen Gods te onderhouden. Sommigen denken dat zij dit altaar aan de Kanaänietische zijde van de Jordaan hebben gebouwd in het lot van Benjamin, opdat zij, hun ogen opheffende naar de rivier, de gedaante zouden zien van het altaar te Silo, als zij geen goede gelegenheid hadden om er heen te gaan, het is echter meer waarschijnlijk dat zij het aan hun eigen zijde van het water gebouwd hebben, want wat hadden zij te bouwen op het land van een ander, zonder toestemming daartoe verkregen te hebben? En het wordt gezegd gebouwd te zijn tegenover het land Kanaän, en er zou ook geen reden zijn geweest tot de verdenking, dat het bestemd was om er op te offeren, indien zij het niet op hun eigen grondgebied hadden gebouwd.
Dit altaar was onschuldig en eerlijk bedoeld maar het zou toch goed geweest zijn, daar het de schijn had van kwaad en een aanleiding kon zijn tot ergernis voor hun broederen, dat zij het orakel Gods hadden geraadpleegd voor zij het bouwden, of tenminste hun broederen bekend hadden gemaakt met hun voornemen, en, om hun verdenking te voorkomen, hun van tevoren dezelfde verklaring van hun altaar hadden gegeven, die zij later gegeven hebben om die verdenking weg te nemen. Hun ijver was prijzenswaardig, maar zij hadden er in geleid moeten worden door oordeel en verstand. Voor het doel, dat zij er mee voor hadden, was het niet nodig om met de bouw van dit altaar zoveel spoed te maken. Zij hadden de tijd moeten nemen om na te denken en raad in te winnen. Maar toen hun oprechte, goede bedoeling gebleken is, zien wij toch niet dat zij wegens hun onbezonnenheid werden bestraft of gelaakt. God ziet de zwakheid voorbij, die ons ook in eerlijke ijver soms aankleeft, en dat moeten de mensen ook doen.
II. De heilige ijver van de andere stammen voor de eer van God en van Zijn altaar te Silo. Terstond werd aan de vorsten Israëls bericht gebracht van de oprichting van dit altaar, vers 11. En wetende, hoe strikt en streng de wet was, die gebood dat al hun offeranden gebracht moesten worden aan de plaats, die God zou verkiezen, en nergens anders, Deuteronomium 12:5,7, waren zij spoedig bedacht, dat het oprichten van een tweede altaar een belediging was van de keus, die God nu onlangs gedaan had van de plaats om er Zijn naam in te stellen en dat het de onmiddellijke strekking had van een aanbidding van een anderen god.
1. Hun achterdocht was zeer te verontschuldigen, want het moet erkend worden: op het eerste gezicht had de zaak een slecht aanzien, scheen zij de bedoeling aan te duiden om een altaar op te richten en in stand te houden in mededinging met het altaar te Silo. Het was niet heel vreemd of buitensporig om uit het bouwen van een altaar de gevolgtrekking af te leiden, dat de bedoeling was er offers op te brengen, en dat zou hen tot afgoderij kunnen leiden, en eindigen in een algehele afval van het geloof en de aanbidding van de God Israëls. Zo'n grote hoop hout zou dit vuur kunnen aansteken. God ijvert voor Zijn inzettingen, en daarom moeten wij het ook doen, en bevreesd zijn voor alles wat naar afgoderij uitziet, of er naar toe leidt.
2. Hun ijver bij dit vermoeden was zeer loffelijk, vers 12. Toen zij vreesden, dat deze stammen, die door de Jordaan van hen gescheiden waren, zich afscheiden gingen van God, namen zij dit op als het grootste onrecht, dat hun aangedaan kon worden, en zij toonden zich bereid om, als het nodig was hun leven te wagen ter verdediging van het altaar Gods, en de wapens op te vatten ter kastijding en onderwerping van deze rebellen, en om de verspreiding te voorkomen van de besmetting indien zachte middelen niet zouden baten, het verkankerde lid van hun lichaam af te snijden. Zij allen vergaderden zich, en Silo was de plaats van hun bijeenkomst, omdat het ter verdediging was van de Goddelijke handvest, die nu onlangs aan deze plaats was verleend, dat zij nu optraden. Hun besluit was zoals het betaamde aan een koninkrijk van priesters, die, aan God en Zijn dienst gewijd zijnde, "hun broederen niet kenden, en hun zonen niet achtten," Deuteronomium 33:9. Zij zouden terstond tegen hen optrekken met een leger, indien het bleek dat zij van God waren afgevallen en tegen Hem rebelleerden. Hoewel zij been waren van hun been hun medegenoten waren geweest in de verdrukking in de woestijn, hun van dienst waren geweest in de oorlogen van Kanaän, zullen zij hen toch, indien het blijkt dat zij zich afkeren om vreemde goden te dienen, als vijanden behandelen, niet als kinderen Israëls, maar als "kinderen van de hoererijen," want aldus heeft God het bevolen, Deuteronomium 13:14 en verv. Zij hadden nog pas onlangs hun zwaard in de schede gestoken, en zich teruggetrokken van de gevaren en vermoeienissen van de strijd in de rust, die God hun had gegeven, en toch zijn zij bereid een nieuwe oorlog te beginnen veeleer dan tekort te komen in hun plicht om afgoderij tegen te gaan en te straffen, en zich te verzetten tegen alles wat er toe leiden kan. Een kloekmoedig besluit, waaruit blijkt hoe van harte zij hun Godsdienst liefhadden en naar wij hopen, hoe nauwgezet zij waren in de beoefening er van. Het is het best om bederf in de Godsdienst terstond tegen te gaan, eer het veld wint, of op het recht van verjaring aanspraak kan maken.
3. Hun wijze voorzichtigheid bij dit besluit was niet minder loffelijk. God had hun voor gevallen van die aard bevolen: te onderzoeker "na te sporen en wel te vragen," Deuteronomium 13:14, opdat zij onder voorgeven van voor hun Godsdienst op te komen, hun broederen geen onrecht zouden doen. Dienovereenkomstig besluiten zij hier hun legers niet voor de strijd uit te zenden voordat zij gezanten hadden afgevaardigd om de zaak te onderzoeken, en die gezanten waren mannen van het hoogste aanzien, een uit iederen stam, met Pinehas als woordvoerder aan hun hoofd, vers 13,14. Aldus werd hun ijver voor God getemperd geleid en beheerst door zachtmoedige wijsheid. Hij, die alle dingen weet, en alle boze dingen haat heeft de ergste misdadigers niet willen straffen voordat Hij eerst was "afgegaan om te bezien" Genesis 18:21. Menige ongelukkige twist zou voorkomen of spoedig bijgelegd zijn door een onpartijdig onderzoek naar de oorzaak van de ergernis. Vergissingen te herstellen, misverstanden op te helderen, en alzo uit de weg te ruimen verkeerd opgevatte woorden en daden in het ware licht te stellen, dat alles zou het beste middel wezen om bijzondere en openbare twisten tot een bevredigend einde te brengen.
4. De wijze, waarop de gezanten deze zaak hebben behandeld, was volkomen in overeenstemming met de gezindheid van de vergadering hieromtrent, en toont zowel ijver als voorzichtigheid. A. De beschuldiging, die zij tegen hun broederen inbrengen, is wel zeer zwaar, en kan door niets anders verontschuldigd worden dan door het feit, dat zij er bij gedreven werden door hun ijver voor Gods eer en nu bedoeld was om de toorn te rechtvaardigen van de vergadering te Silo, en de veronderstelde schuldigen op te wekken om zich te zuiveren, want anders hadden zij hun oordeel kunnen opschorten, of het tenminste kunnen verzachten, en het maar niet zo als vaststaande moeten aannemen, zoals zij hier doen, vers 16, dat het bouwen van dit altaar een overtreding was tegen Israëls God, en wel een overtreding niet minder snood dan de afval van krijgslieden van hun aanvoerder-u heden afkerende van achter de Heere-en de opstand van onderdanen tegen hun wettige vorst-om heden tegen de Heere weerspannig te zijn-Harde woorden! Het was goed dat zij hun beschuldiging niet konden bewijzen. Laat de onschuld het niet vreemd vinden om aldus verkeerd voorgesteld en beschuldigd te worden: hetgeen ik niet weet, eisen zij van mij.
B. De verzwaring van de misdaad, die zij hun broederen ten laste leggen, is wel ietwat ver gezocht, vers 17. Is ons de ongerechtigheid van Peor te weinig? Hiervan wordt waarschijnlijk melding gemaakt, omdat Pinehas, de eerste commissaris in deze aangelegenheid, zich in die zaak heeft onderscheiden, Numeri 25:7, en omdat zij, naar wij kunnen onderstellen, zich nu op de eigen plaats bevonden, waar die ongerechtigheid gepleegd was, aan de andere kant van de Jordaan. Het is goed om te gedenken aan die voorbeelden van Gods toorn, geopenbaard van de hemel over alle goddeloosheid en ongerechtigheid van de mensen, die in onze tijd zijn voorgekomen, en waarvan wij zelf ooggetuigen waren, en er dan een goed gebruik van te maken. Hij herinnert hen aan de ongerechtigheid van Peor:
a. Als een zeer grote en God tergende zonde. Het bouwen van dit altaar scheen slechts een kleine zaak, maar die leiden kon tot een ongerechtigheid, even groot als die van Peor, en daarom moet zij bij het eerste opkomen worden tegengegaan. De herinnering aan grote zonden, die vroeger bedreven werden, moet ons aansporen om op onze hoede te zijn tegen de minste aanleiding of gelegenheid om te zondigen, tegen ieder begin van zonde, want de weg van de zonde gaat bergafwaarts.
b. Als een zonde om welke de gehele vergadering had geleden: de plaag is in de vergadering des Heeren geweest, aan welke in een dag niet minder dan twee en twintig duizend mensen zijn gestorven. Was dat niet genoeg om u tegen afgoderij te waarschuwen? Hoe! Wilt gij wederom een plaag over ulieden brengen? Zijt gij zo verzot op een afgodisch altaar, dat gij u daarvoor aldus aan de oordelen Gods wilt blootstellen? Gevoelt ons leger niet nog te deze dage deze zonde en de straf er voor? Tot op deze dag zijn wij er niet van gereinigd, er blijven nog vonken van over."
Ten eerste. "Van de besmetting dier zonde, sommigen van ons neigen zo tot afgoderij, dat, zo gij een ander altaar opricht zij er, of gij het wilt of niet, aanleiding in zullen vinden om een anderen god te aanbidden".
Ten tweede. "Van de toorn Gods over ons vanwege die zonde, wij hebben reden te vrezen, dat zo wij door een andere zonde God er toebrengen ze aan ons te bezoeken, Hij de ongerechtigheid van Peor tegen ons zal gedenken, zoals Hij gedreigd heeft die van het gouden kalf tegen ons te gedenken, Exodus 32:34. En durft gij de slapende leeuw van de Goddelijke wraak wakker maken?" Het is dwaas en gevaarlijk voor de mensen om te denken, dat hun vroegere zonden klein zijn, te klein voor hen, zoals diegenen doen, die zonde bij zonde voegen, en zich aldus "toorn vergaderen als een schat in de dag des toorns."" Zo laat het ons dan genoeg zijn, dat wij de voorgaande tijd des levens der heidenen wil volbracht hebben," 1 Petrus 4:3.
C. De reden, die zij geven, dat zij zich zo bezorgd tonen in deze zaak, is zeer voldoende. Zij waren er toe verplicht tot hun eigen noodzakelijke bescherming, volgens de wet van het zelfbehoud. "Want, indien gij heden van God afvalt, wie weet, of niet morgen Zijn oordelen over de gehele vergadering zullen komen, vers 18, zoals in het geval van Achan, vers 20. Hij zondigde, en wij allen hebben er voor geleden, waaruit wij dus een lering hebben te trekken, en uit hetgeen God toen deed, moeten zij afleiden wat Hij kan doen, en vrezen wat Hij zal doen, indien wij niet getuigen tegen de zonde van u, die zovelen zijt, en haar straffen." Zij, die geroepen zijn om de openbaren vrede te bewaren, zijn van rechtswege verplicht tegenover de openbare veiligheid, om hun macht aan te wenden tot beteugeling en onderdrukking van ondeugd en onheiligheid, opdat die zonden, als zij oogluikend worden toegelaten, niet nationaal worden, en Gods oordeel brengen over het land. Ja, daarom gaat het ons allen aan, en zijn wij allen verplicht, om onze naaste te bestraffen, als hij verkeerd doet, en mogen wij de zonde niet in hem verdragen, Leviticus 19:17.
D. De aanbieding, die zij doen, is zeer gunstig en zeer vriendelijk, vers 19, dat namelijk indien zij het land hunner bezitting onrein achten vanwege het gebrek aan een altaar, en zij dus niet gerust konden zijn zonder er een te hebben, dan zullen zij welkom wezen, als zij willen komen wonen in het land waar de tabernakel des Heeren is, en zich daar willen vestigen, zeer gaarne zullen zij zich dan bekrimpen en behelpen, om ruimte voor hen te maken. Hiermede toonden zij een oprechte en waarlijk Godvruchtige ijver tegen scheuring, daar zij, veeleer dan dat hun broederen het nodig zouden achten om een afzonderlijk altaar op te richten, al was ook hun voorgewende reden er toe zeer zwak, en gegrond op een vergissing, bereid waren een aanzienlijk deel van het land af te staan, dat God hun door het lot had toegewezen, en hen in hun midden op te nemen. Dit was de geest van hen, die waarlijk Israëlieten zijn.