Jozua 1:16-18
Dit antwoord werd gegeven, niet alleen door de twee en een halve stam, ofschoon zij het laatst toegesproken waren, maar door de ambtlieden van al het volk, vers 10, als hun vertegenwoordigers in overeenstemming met de Goddelijke bepaling, door welke Jozua over hen gesteld was, en zij gaven het van harte, goedsmoeds en vastberaden.
1. Zij beloven hem gehoorzaamheid, vers 16, niet alleen als onderdanen aan hun vorst, maar als soldaten aan hun generaal, wiens bijzondere orders zij hebben op te volgen, hij, die krijgsknechten onder zich heeft, zegt tot dezen: Ga! en hij gaat, en tot de anderen: Kom! en hij komt, Mattheus 8:9. Aldus verbindt zich hier het volk van Israël jegens Jozua: "Alles wat gij ons geboden hebt, zullen wij doen, zonder murmurering of twisting, en overal waar gij ons zenden zult, al is het ook op de moeilijkste en gevaarlijkste onderneming, zullen wij gaan." Aldus moeten wij trouw zweren aan de Heere Jezus, als de overste leidsman van onze zaligheid en ons verbinden te doen wat Hij ons gebiedt door Zijn woord, en te gaan waar Hij ons door Zijn voorzienigheid heenzendt.
En daar Jozua, zich ootmoedig bewust zijnde hoe ver hij achterstond bij Mozes, vreesde dat hij niet zo'n invloed zou hebben op het volk, en niet zo'n gezag over hen zou kunnen uitoefenen als Mozes, beloven zij hier, dat zij hem even gehoorzaam zullen zijn als zij ooit aan Mozes geweest waren, vers 17. Wel is waar, zij hadden geen reden om te roemen op hun gehoorzaamheid aan Mozes, hij had hen een weerspannig volk gevonden, Deuteronomium 9:24. Maar zij bedoelen, dat zij zo gehoorzaam zullen zijn aan Jozua, als zij hadden moeten wezen en als sommigen van hen ook geweest zijn (en de meerderheid van hen tenminste soms geweest is) aan Mozes. Wij moeten hen, die heengegaan zijn, hoe uitnemend zij ook waren, hetzij in de magistratuur of in de bediening van de Godsdienst niet zo roemen, dat wij tekortkomen in de plicht jegens en het eren van hen, die hen overleven en opvolgen, al staan zij dan ook achter bij hen in gaven en genade. Gehoorzaamheid om des gewetens wil blijft, al is het ook, dat God in Zijn voorzienigheid de handen verwisselt, door welke Hij regeert en werkt.
2. Zij bidden om Gods tegenwoordigheid met hem, vers 17. "Alleenlijk dat de Heere, uw God, met u zij, om u te zegenen en voorspoedig te maken, zoals Hij met Mozes geweest is." Smekingen en gebeden moeten gedaan worden voor allen, die in hoogheid zijn, 1 Timotheus 2:1,2. T En het beste, dat wij voor onze overheden kunnen vragen, is dat God met hen zal zijn, dat zal hen tot een zegen voor ons maken zodat wij, door dit voor hen te zoeken, met onze eigen belangen te rade gaan. Er wordt hier een reden aangeduid waarom zij hem willen gehoorzamen, zoals zij Mozes gehoorzaamd hebben, namelijk omdat zij geloofden (en in het geloof baden) dat God met hem zijn zal, zoals Hij met Mozes is geweest. Zij, die naar wij reden hebben te denken, gunst van God hebben, behoren eer en achting van ons te ontvangen. Sommigen verstaan het als een grens, of voorwaarde van hun gehoorzaamheid: Wij zullen u gehoorzamen in zoverre wij zien, dat de Heere met u is, maar niet verder. "Zolang gij u nauw aan God houdt zullen wij ons nauw houden aan u, tot hiertoe zal onze gehoorzaamheid gaan en niet verder." Maar het was zoverre van hen om Jozua te verdenken, dat hij van de Goddelijken regel zou afwijken, dat zo'n voorwaarde, of beding, onnodig was.
3. Zij maken een wet, waarbij de doodstraf gesteld wordt voor ieder Israëliet, die ongehoorzaam is aan Jozua's bevelen, of die zijn woord weerspannig is, vers 18. Indien zo'n wet in Mozes' tijd gemaakt was, dan zou hierdoor wellicht menige rebellie tegen hem voorkomen zijn, want de meeste mensen vrezen meer voor het zwaard van de magistraat dan voor de gerechtigheid Gods. Maar er was een bijzondere reden voor het uitvaardigen van deze wet, nu zij de oorlog met Kanaän gingen ondernemen, want in tijden van oorlog is de strengheid van de krijgstucht meer noodzakelijk dan in andere tijden. Sommigen denken dat zij in deze wet het oog hadden op de wet betreffende de profeet als Mozes, die God hun verwekken zou, die, naar zij denken wel voornamelijk betrekking heeft op Christus, maar intussen Jozua als type van Hem er bij insluit, namelijk dat de man, die niet naar Hem zal horen, uitgeroeid zal worden van zijn volken, van die zal Ik het zoeken, Deuteronomium 18:19.
4. Zij moedigen hem aan om goedsmoeds voort te gaan met het werk, waartoe God hem heeft geroepen, en met hun begeerte, dat hij sterk zal zijn en goede moed zal hebben, beloven zij hem inderdaad, dat zij alles zullen doen wat zij kunnen om hem door een nauwkeurig, kloekmoedig en blijmoedig opvolgen van al zijn orders, aan te moedigen. Het strekt zeer tot bemoediging van hen, die voorgaan in een goed werk, te zien dat zij die volgen gewillig en van harte volgen. Jozua, hoewel een man van beproefde dapperheid, heeft het niet euvel geduid aan het volk, maar het als een grote vriendelijkheid van hen aangenomen, dat zij hem aldus vermaanden sterk te zijn en goede moed te hebben.