Jozua 18:11-28
Wij hebben hier het lot van de stam van Benjamin, dat door Gods voorzienigheid bepaald werd aan de ene zijde naast Jozef, omdat Benjamin Jozefs eigen en enige broeder was (daar zij dezelfde moeder hadden) en Benjamin de kleine was, Psalm 68-28, en de bescherming nodig had van Jozef de grote, maar toch nog een beteren Beschermer had, want Hij "zal hem de gehele dag overdekken," Deuteronomium 33:12. En naast Juda aan de andere zijde, opdat die stam later zich met Juda zal verenigen in trouw en aanhankelijkheid aan de troon van David en de tempel te Jeruzalem. Wij hebben hier:
1. De nauwkeurige grenzen van deze stam, die wij niet in bijzonderheden behoeven te verklaren, daar hij ten zuiden aan Juda paalde en ten noorden aan Jozef, zodat hij ten oosten de Jordaan tot grens had, en de stam van Dan ten westen. De landpaal wordt (volgens de Engelse overzetting) gezegd zich te keren naar de hoek van de zee zuidwaarts, vers 14, terwijl toch het lot van deze stam nergens tot aan de Grote Zee kwam. Bisschop Patrick denkt dat hiermede bedoeld wordt, dat die grens parallel liep met de Grote Zee, hoewel op een afstand er van. Dr. Fuller oppert de mening dat, wijl er niet van "de grote zee" wordt gesproken, maar alleen van "de zee," waarmee dikwijls slechts een meer wordt aangeduid, het water van Gibeon kan bedoeld zijn, dat een "hoek" van de zee kan genoemd worden en in Jeremia 41:12, "als het grote water dat bij Gibeon is" wordt aangeduid, en het wordt omgeven door de westelijke grens van deze stam.
2. De bijzondere steden in deze stam, niet alle steden doch alleen de meest aanzienlijke worden hier genoemd, zes en twintig in getal. Jericho, hoewel die plaats ontmanteld was en niet herbouwd mocht worden als een stad met poorten en muren, wordt het eerst genoemd, omdat zij wel als landelijk dorp herbouwd en bewoond mocht worden, en dus niet nutteloos was voor deze stam. Gilgal was in die stam, waar Israël zich het eerst legerde toen Saul tot koning was gemaakt, 1 Samuël 11:14. Later is het een zeer goddeloze stad geweest. "Al haar boosheid is te Gilgal," Hosea 9:11. Bethel was een vermaarde plaats in die stam, hoewel Benjamin het huis van David bleef aanhangen, schijnt Bethel in het bezit te zijn geweest van het huis van Jozef, Richteren 1:23-25, en daar heeft Jerobeam een van zijn kalveren opgericht. Gibeon was in deze stam, waar in het begin van Salomo's tijd het altaar was, 2 Kronieken 1:3. Ook Gibea, de beruchte plaats waar het bijwijf van de Leviet mishandeld werd, Mizpa, en dicht bij Samuëls Eben-Haezer, ook Anathoth, Jeremia's stad, waren in deze stam, evenals het noordelijk deel van Jeruzalem. Paulus was de eer van die stam, Romeinen 11:1, Filippenzen 3-5, maar waar zijn land lag, weten wij niet, hij heeft het betere vaderland gezocht.