11. Want Manasse had, om deze van zijn eigenlijk gebied verwijderd gelegen bezittingen nader aan te duiden, in Issaschar en in Aser, de volgende landstreken: Beth-Sean 1) en haar onderhorige plaatsen; in het Jordaandal, 2 uur vande Jordaan gelegen, en Jibleam, ook Bileam geheten (
1 Kronieken 6:70), tussen Jizreël en En-Gannim, het tegenwoordige Jelameh, en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te Dôr, het tegenwoordige Tortura, aan de Middellandse Zee (12:23), en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te En-Dôr 2) (
1 Samuël 28:7), aan de noordzijde van de kleine Hermon, en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te Thaänach, of Thaenach (12:21), enige uren noordwestelijk van Jibleam, en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te Megiddo, ten noordwesten van Thaänach (12:21), en haar onderhorige plaatsen: drie landstreken, het Drieheuvelland genoemd, d.i. de drie laatstgenoemde steden: Endor, Thaänach en Megiddo, allen op hoogten gelegen, vormende een aan elkaar verbonden omtrek "Drieheuvelland" geheten.
1) Beth-Sean is bekend wegens het feit, dat Sauls lichaam aldaar aan de muur werd geslagen (1 Samuël 31:10vv.). De stad heet nu Bei-San..
2) En-dôr ligt tegen de helling van de berg, evenals Naïn, maar de rots, waarop het is gebouwd, is door de natuur geheel en al uitgehold, en vertoont een schakel van spelonken, wier donkere holligheden de toveres van Sauls dagen onwillekeurig voor de geest roepen..
Het is vreemd, dat Thaänach en Megiddo hiermee onder de steden opgenoemd worden, die Manasse onder Aser en Issaschar bezeten heeft, daar beide plaatsen, wanneer wij de opgaven over de omvang van het gebied van Manasse wel begrepen hebben, van zelf reeds aan dit laatste behoren. Echter schijnt de hoofdinhoud van dit vers: "want Manasse had in Issaschar en Aser" niet zozeer te slaan op Thaänach en Megiddo, als wel op En-dôr, dat in de stam Issaschar lag. Naast deze laatste stad worden echter de beide eerste steden genoemd, omdat zij tezamen, zoals hier boven is aangegeven, het drieheuvelland vormden. Dus moesten zij staatkundig tot Issaschar behoren, al lagen zij ook geografisch onder Manasse. Ware het geval omgekeerd geweest, en ware En-dôr bij Issaschar gevoegd geworden, dan hadden Thaänach en Megiddo eveneens aan Issaschar behoord. Het is opmerkenswaardig in het bovenstaande vers, dat eerst de steden zelf genoemd worden, die Manasse in het gebied van de naburige stammen kreeg, Beth-Sean en haar onderhorige plaatsen, en Jibleam en haar onderhorige plaatsen, en vervolgens niet de steden, maar de inwoners van Dôr, En-dôr, Thaänach, Megiddo. Dit heeft zijn grond in het volgende vers, waarin verhaald wordt, dat uit de drie laatste steden de Kanaänitische bewoners niet konden worden verdreven door de Manassieten. Daarom worden hier meer bedoeld de bewoners dan de steden..