Jozua 17:1-6
Manasse was zelf slechts de helft van de stam van Jozef, maar was nog verdeeld en onderverdeeld.
1. Hij was verdeeld in twee delen, het een deel reeds gevestigd aan de andere kant van de Jordaan, bestond uit hen, die de nakomelingen waren van Machir, vers 1. Deze Machir was aan Manasse geboren in Egypte, had zich daar onderscheiden als een krijgsman, waarschijnlijk in de strijd tussen de Efraïmieten en de mannen van Gath, 1 Kronieken 7:21 h. Zijn krijgshaftige aard ging over op zijn nakomelingen, en daarom gaf Mozes hun Gilead en Basan aan de andere kant van de Jordaan, Hoofdstuk 13:31. Hier wordt gezegd dat hij het lot ontving, omdat hij Jozefs eerstgeborene was. Bisschop Patrick denkt dat het overgezet moet worden: "ofschoon hij Jozefs eerstgeborene was," en dan is de bedoeling duidelijk, namelijk dat het tweede lot voor Manasse was, omdat, hoewel hij de eerstgeborene was, Jakob toch aan Efraïm de voorrang had gegeven. Zie de namen van deze hoofden van de geslachten, die zich aan de andere kant van de Jordaan hadden gevestigd, 1 Kronieken 5:24 h.
2. Het deel van de stam, gevestigd aan deze zijde van de Jordaan, was onderverdeeld in tien geslachten, vers 5. Er worden hier zes zonen van Gilead genoemd, vers 2, dezelfden, die in Numeri 26:30-32 vermeld zijn, behalve dat hij, die daar Iëzer genoemd wordt, hier Abiëzer genoemd wordt. Vijf van deze zonen hadden ieder hun deel, van de zesde, Hefer genaamd, was de mannelijke linie uitgestorven met zijn zoon Zelafead, die alleen vijf dochters naliet, van wie wij dikwijls gelezen hebben, en deze vijf ontvingen ieder haar deel, daar zij echter allen haar aanspraken op Hefer grondden, zijn haar vijf delen tezamen slechts gelijk aan een van de delen van de vijf zonen. Of indien Hefer, behalve Zelafead nog andere zonen had, in wie de naam van het geslacht bewaard bleef, dan hebben hun nakomelingen de dochteren gehuwd van Zelafead, de oudsten broeder, en in haar recht werden hun dan delen toegewezen. Zie Numeri 36:12.
Hier is:
a. De aanspraak van de dochters van Zelafead, gegrond op het gebod, dat God aan Mozes haar betreffende heeft gegeven, vers 4. Toen zij jong waren, hadden zij zelf haar zaak bepleit voor Mozes, en verkregen dat zij een erfdeel zouden ontvangen met haar broederen, en nu wilden zij die schenking niet verliezen door na te laten om tot Jozua te spreken. Zij schijnen ter rechter tijd zelf haar aanspraken ingediend te hebben, en hebben het niet door haar echtgenoten laten doen.
b. De toewijzing van haar erfdelen overeenkomstig haar aanspraak. Jozua wist zeer wel wat God hieromtrent had geboden, en hij heeft er niet tegen ingebracht, dat zij niet gediend hebben in de oorlogen van Kanaän, en er dus geen reden was waarom zij delen zouden in het bezit van Kanaän maar gaf haar geredelijk een erfdeel in het midden van de broederen haars vaders, en nu oogstten zij het voordeel van haar Godvruchtigen ijver en verstandige voorziening in deze zaak. Aldus zullen zij, die zich in de woestijn van deze wereld een plaats verzekeren in het erfdeel van de heiligen in het licht er voorzeker de genieting van hebben in de andere wereld, terwijl zij die dit nu verzuimen die plaats voor altijd zullen verliezen.