Numeri 26:5-51
Dit is het register van de stammen zoals zij nu ingeschreven waren, naar dezelfde orde waarmee zij in hoofdstuk 1 geteld waren.
Merk hier op:
1. Dat van elke stam de geslachten vermeld worden, dat is: van de afstammelingen van de verschillende zonen van de patriarchen tot wier eer zij naar hun naam genoemd zijn. De geslachten van de twaalf stammen worden aldus geteld: van Dan slechts een geslacht, want Dan heeft maar een zoon gehad, en toch was die stam de talrijkste van alle, behalve die van Juda, vers 42, 43. Zijn begin was gering, maar zijn laatste is zeer vermeerderd geworden. Zebulon was verdeeld in drie geslachten, Efraïm in vier, Issaschar in vier, Nafthali in vier en Ruben in vier, Juda Simeon en Aser hadden ieder vijf geslachten. Gad en Benjamin hadden ieder zeven geslachten, en Manasse had acht. Benjamin heeft tien zonen naar Egypte gebracht. Genesis 46:21, maar drie van hen zijn of kinderloos gestorven, of hun geslachten zijn uitgestorven, want wij vinden hier van slechts zeven de namen bewaard, en die gehele stam behoort niet tot de talrijkste, want in de opbouw van geslachten en volken bindt Gods voorzienigheid zich niet aan hetgeen ons waarschijnlijk voorkomt. De onvruchtbare heeft zeven gebaard, en die vele kinderen had is krachteloos geworden 1 Samuël 2:5.
2. De getallen van elke stam. Als wij deze getallen vergelijken met die, welke voortkwamen uit hun telling bij de berg Sinai, dan vinden wij dat de som totaal bijna gelijk is. Thans bedraagt de gehele som achttien honderd en twintig minder dan toen, en toch is van zeven stammen het getal toegenomen. Juda nam toe met negentien honderd, Issaschar met negen duizend negen honderd, Zebulon met drie duizend een honderd, Manasse met twintig duizend vijf honderd, Benjamin met tien duizend twee honderd, Dan met zeventien honderd Aser met elf duizend negen honderd. Maar die toeneming werd meer dan opgewogen door de afneming van de vijf andere stammen. Ruben nam af met twee duizend zeven honderd en zeventig, Simeon met zeven en dertig duizend een honderd, Gad met vijf duizend een honderd en vijftig, Efraïm met acht duizend en Nafthali met acht duizend. Hierin hebben wij op te merken:
a. Dat alle drie stammen, welke gelegerd waren onder de banier van Juda, die de voorvader was van Christus, zijn toegenomen, want Zijn kerk zal gebouwd en vermeerderd worden.
b. Dat geen van de stammen zo sterk was toegenomen als die van Manasse die bij de vorige telling de kleinste van al de stammen was, slechts twee en dertig duizend twee honderd bedroeg, terwijl hij hier een van de grootste is, en zijn broeder Efraïm, die daar talrijk was, is nu hier een van de minsten. Jakob had zijn handen kruiselings op hun hoofden gelegd, en Efraïm boven Manasse gesteld waarop de Efraïmieten zich misschien verhovaardigd hebben, zodat zij hun broeders, de Manassieten, gingen vertreden, maar toen de Heere zag, dat Manasse veracht was, heeft Hij hem aldus uitermate doen vermenigvuldigen want het is Zijn heerlijkheid de zwakken te hulp te komen en hen die neergeworpen zijn, op te richten.
c. Dat geen van de stammen zo sterk afnam als die van Simeon, van negen en vijftig duizend drie honderd, verminderde hij op twee en twintig duizend twee honderd dus bijna tot op een derde van hetgeen hij geweest is. Een geheel geslacht van die stam (namelijk dat van Ohad, vermeld in Exodus 6:14, was uitgestorven in de woestijn. Vandaar dat Simeon niet genoemd wordt in de zegen van Mozes, Deuteronomium 33, en dat het erfdeel van die stam in Kanaän onaanzienlijk was, het was slechts onder het snoer van de kinderen van Juda, Jozua 19:9. Sommigen maken de gissing dat de meesten van de vier en twintig duizend, die aan de plaag gestorven zijn om de ongerechtigheid van Peor, tot die stam behoorden, want Zimri, die een aanvoerder was in die ongerechtigheid, was een overste van die stam, velen van zijn stamgenoten zullen dus door zijn invloed zijn verderfenissen zijn nagevolgd.
3. In het bericht van de stam van Ruben wordt melding gemaakt van de rebellie van Dathan en Abiram, die van die stam hadden een bondgenootschap met Korach, een Leviet vers 9-11. Hoewel de geschiedenis er van slechts enige hoofdstukken vroeger uitvoerig verhaald is, wordt er hier toch weer melding van gemaakt, als gepast om bij het nageslacht in herinnering te blijven, er aan te denken telkenmale als zij hun stamboom aanzagen en behagen vonden in de oudheid van hun geslachten en de heerlijkheid van hun voorouders, opdat zij zich een zaad van kwaaddoeners zouden noemen. Twee dingen worden hier van hen gezegd:
a. Dat zij vermaard of beroemd waren in de vergadering, vers 9. Waarschijnlijk waren zij merkwaardig wegens hun vernuft, hun werkzaamheid en hun geschiktheid voor zaken. Deze Dathan en Abiram hadden ter bestemder tijd onder God en Mozes tot eer kunnen komen, maar hun eerzuchtig gemoed bracht hen er toe om tegen God en Mozes te strijden, en toen zij twistten met de een, twistten zij ook met de ander. En wat was het gevolg?
b. Dat zij, die beroemd hadden kunnen worden, berucht werden, zij werden tot een teken, vers 10. Zij zijn tot gedenktekenen gemaakt van de Goddelijke gerechtigheid, in hun verderf toonde God zich heerlijk in heiligheid, en zo werden zij gesteld tot een waarschuwing aan anderen in alle eeuwen, om zich te wachten om in de voetstappen te treden van hun hoogmoed en rebellie. Er wordt hier nota genomen van de bewaring van de kinderen van Korach, vers 11, zij stierven niet, zoals de kinderen van Dathan en Abiram, ongetwijfeld omdat zij zich rein gehouden hebben van de besmetting, en zich niet bij de opstand wilden voegen, neen, zelfs niet met hun eigen vader. Indien wij niet delen in de zonde van de zondaren, dan zullen wij ook niet delen in hun plagen. Deze kinderen van Korach waren later van grote dienst voor de kerk, daar zij door David aangesteld werden als zangers in het huis des Heeren, vandaar dat vele psalmen gezegd worden te zijn voor de kinderen van Korach, en misschien moesten zij zolang daarna zijn naam dragen, veeleer dan die van een hunner andere voorvaderen, als een waarschuwing aan henzelf en als een voorbeeld van de macht van God die deze keurige vruchten uit die bittere wortel heeft doen voortkomen. De kinderen van geslachten, die geschandvlekt waren, moeten er naar streven om door hoge deugden de schande van hun vaderen af te wissen.