Jozua 12:1-6
Eer Jozua-of wie anders de geschiedschrijver is-er toe overgaat om een opsomming te geven van Israëls nieuwe veroveringen, herhaalt hij in deze verzen de geschiedenis van hun vorige veroveringen in Mozes' tijd, toen zij meesters zijn geworden van de grote en machtige koninkrijken van Sihon en Og. Nieuwe zegeningen moeten de herinnering niet uitwissen aan vorige zegeningen, en de heerlijkheid van de tegenwoordige werktuigen van goed voor de kerk, moet de rechtmatige eer niet verduisteren of verminderen van hen, die voorgegaan zijn, en de zegen en het sieraad zijn geweest van hun tijd. Jozua's diensten en daden waren blijkbaar groot, maar laat die van Mozes niet voorbijgezien en vergeten worden, daar God, die beide gewrocht heeft, dezelfde is, beide tezamen doen Hem kennen als de Alfa en Omega van Israëls grote verlossing. Hier is:
1. Een beschrijving van dit veroverde land, de maat en de grenzen er van in het algemeen vers 1, Van de beek Arnon af in het zuiden tot de berg Hermon in het noorden. In het bijzonder hebben wij hier een beschrijving van bet koninkrijk van Sihon, vers 2, 3, en van dat van Og, vers 4, 5. Mozes had dit land zeer bijzonder beschreven, Deuteronomium 2:36, 3:4 en verv, en de beschrijving, hier gegeven, komt overeen met de zijne. Koning Og wordt gezegd te Astaroth en te Edreï te wonen, vers 4 waarschijnlijk omdat die beide koninklijke steden waren, en hij er paleizen had, nu eens in de ene, en dan weer in de andere verblijf hield, de ene was misschien zijn zomer en de andere zijn winterverblijf. Maar Israël ontnam hem beide, en nu was een graf genoeg voor hem, die niet met een paleis tevreden kon zijn.
2. De verdeling van dit land. Mozes heeft het op hun verzoek aan de twee en een halven stam toegewezen, en het onder hen verdeeld vers 6, waarvan wij de geschiedenis uitvoerig gehad hebben in Numeri 32. De verdeling er van, toen het door Mozes veroverd was, wordt hier vermeld als een voorbeeld voor Jozua in hetgeen hij te doen had, nu hij het land had veroverd, dat aan deze zijde van de Jordaan was gelegen. In zijn tijd gaf Mozes aan een deel van Israël een zeer rijk en vruchtbaar land maar het lag aan de andere kant van de Jordaan Jozua gaf aan geheel Israël het heilige land, de berg van Gods heiligheid, aan deze zijde van de Jordaan. Zo heeft de wet op enkelen van Gods geestelijk Israël uitwendige, tijdelijke zegeningen doen komen, die een onderpand waren van toekomende goederen, maar onze Heere Jezus, de ware Jozua, heeft voor al de kinderen van de belofte geestelijke zegeningen bereid, de voorrechten van het heiligdom en het hemelse Kanaän. De triomfen en schenkingen van de wet waren heerlijk, maar die van het Evangelie zijn veel meer overvloedig in heerlijkheid.