Jozua 10:28-43
Wij zien hier hoe Jozua van de glorierijke overwinning, die hij had behaald, en het voordeel, dat hij er door verkregen heeft, nog verder een nuttig gebruik maakt, en dit goed te doen strekt een generaal tot lof.
I. Wij hebben hier een bijzonder bericht van de onderscheiden steden, van welke hij zich toen terstond meester heeft gemaakt.
1. De steden van drie van de koningen, die hij op het slagveld had overwonnen, ging hij in bezit nemen, Lachis, vers 31, 32, Eglon, vers 34, 35, en Hebron, vers 36, 37. De andere twee, Jeruzalem en Jarmuth, werden toen niet ingenomen, misschien waren zijn troepen of te veel vermoeid door hetgeen zij reeds gedaan hadden, of zo tevreden met hetgeen zij verkregen hadden, dat zij niet gezind waren die plaatsen aan te vallen, en zo lieten zij de schoonste gelegenheid voorbijgaan die zij ooit konden verwachten, om ze gemakkelijk tenonder te brengen, terwijl het later niet zonder veel moeite geschied is, Richteren 1:1, 2 Samuël 5:6.
2. Drie andere steden, koninklijke steden, nam hij in: Makkeda, naar welker omtrek de vijf koningen gevloden waren, hetgeen Jozua met zijn krijgsmacht daarheen bracht om hen te vervolgen, en waardoor haar val verhaast werd, vers 28. Libna, vers 29, 30, en Debir vers 38, 39.
3. Een koning, die met zijn krijgsmacht Lachis te hulp kwam, dat zijn koning had verloren, bleek zich tot zijn eigen verderf met de zaak bemoeid te hebben. Dat was Horam koning van Gezer, die hetzij uit vriendschap voor zijn naburen, of wel tot zijn eigen veiligheid, de voortgang van Jozua's wapenen trachtte te stuiten, en met geheel zijn krijgsmacht verslagen en gedood werd, vers 33. Aldus worden de goddelozen dikwijls verstrikt in hun eigen raadslagen, en door God tegen te staan op de weg van Zijn oordelen, zullen zij die oordelen zoveel spoediger over hun eigen hoofd brengen.
II. Een algemeen bericht van het land, dat hierdoor tenondergebracht werd en in Israëls handen kwam, vers 40-42. Het deel des lands dat zij het eerst in bezit kregen, lag ten zuiden van Jeruzalem, en is later grotendeels de stam van Juda ten erfdeel geworden. Merk in dit verhaal op:
1. De groten spoed, die Jozua maakte in het veroveren van de steden, hetgeen, naar sommigen denken, te kennen wordt gegeven, door het beknopte en zaakrijke in de stijl van het verhaal. Snel als de bliksem vloog hij van plaats tot plaats, en hoewel zij allen tot het uiterste volhielden, en geen van deze steden haar poorten voor hem opende, heeft hij ze toch allen in korten tijd in handen gekregen, ze op dezelfde dag opgeëist en ingenomen, vers 28, of in twee dagen, vers 32. Nu zij nog door schrik verlamd waren door de nederlaag hunner legers en de dood hunner koningen, heeft hij met verstand en beleid zijn slag waargenomen. Zie hoeveel werks in zeer weinig tijd gedaan kan worden, indien wij slechts ijverig werkzaam willen zijn en gebruik willen maken van de gelegenheid, die zich ons aanbiedt.
2. Jozua's grote strengheid jegens de overwonnenen. Aan man, vrouw, noch kind werd door hem lijfsbehoud verleend, allen sloeg hij met de scherpte des zwaards, vers 28, 30, 32, 35 verv,. en hij verbande alles wat adem had vers 40, en liet geen overigen overblijven. Niets zou deze militaire executie kunnen rechtvaardigen, behalve dat zij deden gelijk als de Heere de God Israëls, geboden had, vers 40, hetgeen voldoende was, niet alleen om hen te steunen en hen te verdedigen tegen de beschuldiging van wreedheid, maar om te heiligen hetgeen zij gedaan hadden, en het tot een Gode welbehaaglijk dienen te maken van Zijn gerechtigheid. Hiermede wilde God Zijn haten tonen van de afgoderijen en andere afgrijselijkheden waaraan de Kanaänieten zich hadden schuldig gemaakt, en het aan ons overlaten om, naar het ontzettende van de verwoesting, die over hen gekomen is toen de mate hunner ongerechtigheid eindelijk vol was, te oordelen hoe groot wel de terging is geweest, waarmee zij Hem getergd hebben.
b. Hiermede wilde Hij Zijn liefde verheerlijken voor Zijn volk Israël, door zoveel mensen in hun plaats te geven, en "volken inplaats van hun ziel," Jesaja 43:4, toen "de heidenen verdreven werden, om plaats te maken voor deze wijnstok," Psalm 80:9. De Goddelijke gerechtigheid scheen meer dan ooit het bloed van de mensen te eisen, opdat de Israëlieten zich verplicht zouden weten om hun leven door te brengen ter ere van die God, die zoveel levens van Zijn schepselen aan hun belangen heeft opgeofferd.
c. Het was een type en afschaduwing van de laatste verwoesting en het eeuwig verderf van de onboetvaardige en onverzoenlijke vijanden van de Heere Jezus, die, de rijkdom versmaad hebbende van Zijn genade, tot in eeuwigheid het gewicht moeten gevoelen van Zijn toorn, en een oordeel zullen hebben zonder barmhartigheid. De goddelozen zullen terugkeren, naar de hel toe, alle Godvergetende heidenen, zonder dat dit enigerlei smaad werpt op Gods oneindige goedheid.
3. Het uitnemend welslagen van deze expeditie. De roof van deze steden werd nu verdeeld onder de krijgslieden, die ze geplunderd hadden, en de steden zelf, met het omliggende land, zullen weldra verdeeld worden onder de stammen, want de Heere streed voor Israël, vers 42. Zij konden de overwinning niet behaald hebben, indien God de strijd niet op zich had genomen. Wij zullen overwinnen, als God voor ons strijdt, en zo God voor ons is, wie zal tegen ons zijn?