Job 9:25-35
Job wordt nu al meer en meer klaagziek en ontevreden, en hij eindigt in dit hoofdstuk niet met die eerbiedige uitdrukkingen omtrent Gods wijsheid en gerechtigheid, waarmee hij het heeft begonnen. Zij, die zich toegeven in die zucht tot klagen en murmureren, weten niet tot welke onbetamelijkheid, ja tot welke goddeloosheid zij daardoor komen zullen. Het begin van dat twisten met God is als een, die het water opening geeft, daarom verlaat die twist eer hij zich vermengt. Als wij in benauwdheid zijn, dan is het ons vergund aan God onze nood te klagen, zoals de psalmist zo dikwijls doet, maar over God klagen, zoals Job hier doet, dat mogen wij ganselijk niet.
I. Zijn klacht hier over het voorbijgaan van zijn dagen van voorspoed is juist, vers 25, 26. "Mijn dagen, namelijk al mijn goede dagen, zijn voorbij, om nooit weer te keren, plotseling heengegaan, eer ik het wist." Nooit heeft een renbode, die met goede tijding was afgezonden (zoals Cushi en Ahimaaz), zo'n haast gemaakt, als waarmee al mijn genietingen van mij weggevloden zijn, nooit is enig schip met zo ongelooflijke snelheid naar zijn haven heengezeild, nooit is een arend sneller op zijn prooi gevlogen, ook is er van al mijn voorspoed geen spoor overgebleven, niet meer dan van "een arend in de lucht of van een schip in de zee," Spreuken 30:19. Zie hier:
1. Hoe snel de beweging is van de tijd, hij gaat steeds voort, zich heenspoedende naar zijn einde, en blijft voor niemand stilstaan. Hoe weinig behoefte hebben wij aan tijdverdrijf en hoe grote behoefte hebben wij er aan de tijd uit te kopen, als hij zo snel heengaat naar de eeuwigheid, die even snel tot ons nadert, als de tijd zich van ons wegspoedt.
2. Hoe ijdel de genietingen zijn van de tijd, waarvan wij geheel beroofd kunnen worden, terwijl de tijd er nog is! Onze dag kan langer zijn dan de zonneschijn van onze voorspoed, en als die weg is, dan is het of hij er niet geweest is. De herinnering dat wij onze plicht gedaan hebben, zal ons later lieflijk zijn, maar de herinnering aan al de wereldse rijkdom, die wij verkregen hebben, zal dat niet wezen als al die rijkdom verdwenen is. Die rijkdom is weg, kan niet teruggeroepen worden, hij heeft geen goed, geen geluk aangebracht, en laat ook geen geluk achter.
II. Zijn klacht over zijn tegenwoordige ellende is verschoonbaar, vers 27, 28.
1. Hij schijnt zijn best gedaan te hebben om zich, zoals zijn vrienden hem aanrieden, tot rust en kalmte te brengen. Dit was het goede, dat hij wilde doen: hij wilde gaarne zijn klachten vergeten en God loven, zijn bedruktheid van zich wegdoen en zich vertroosten, ten einde geschikt te zijn voor gemeenschapsoefening met God en met de mens, maar:
2. Hij bevond dat hij het niet kon, "ik schroom voor al mijn smarten, als ik het meest strijd tegen mijn verdriet, dan heeft dat het meest de overhand op mij, en blijkt mij te sterk te wezen!" Het is in zo'n geval gemakkelijker te weten wat wij doen moeten, dan het te doen, te weten in welke gemoedsgesteldheid wij behoren te wezen, dan in die gemoedsgesteldheid te komen en er in te blijven. Het is gemakkelijk hen, die in leed en ellende zijn, tot geduld te vermanen en hun te zeggen dat zij hun kwalen en rampen moeten vergeten en zich moeten vertroosten, maar dat is niet zo spoedig gedaan als gezegd. Vrees en smart zijn tiranniserende dingen, niet gemakkelijk tot de onderwerping te brengen aan Godsdienst en rede, waarin zij behoren gehouden te worden. III. Maar zijn klacht tegen God, alsof Hij onverzoenlijk en onvermurwbaar was, is volstrekt niet te verontschuldigen. Zij was de taal van zijn bederf. Hij wist beter, en op een andere tijd zou het ver van hem geweest zijn om zulke harde gedachten van God te koesteren, als die nu in zijn hart binnendrongen en zich uitten in die hartstochtelijke klacht. Godvruchtige mensen zijn niet altijd zichzelf in hun spreken, maar God gedenkt dat zij stof zijn, gedenkt aan de kracht van de verzoekingen, die hen aanvallen, en zal het hun niet toerekenen. Job schijnt hier te spreken:
1. Alsof hij er aan wanhoopte van God enigerlei verlichting te krijgen van zijn leed, al zou hij ook nog zulke goede bewijzen geven van zijn oprechtheid: "ik weet dat Gij mij niet onschuldig zult houden, mijn beproevingen zijn nu al zolang over mij, en zijn zo snel en zo grotelijks toegenomen, dat ik niet verwacht dat Gij ooit mijn onschuld aan het licht zult brengen door er mij uit te redden en mij tot mijn staat van voorspoed terug te brengen. Terecht of ten onrechte, ik moet als een goddeloos man behandeld worden, mijn vrienden zullen mij als zodanig blijven beschouwen, en God zal mij in de beproeving en de smarten laten blijven, die hen aanleiding gaven om op die wijze over mij te denken. Waarom arbeid ik dan tevergeefs om mijn onschuld te bewijzen en aan mijn oprechtheid vast te houden? vers 29. Het is tevergeefs om te pleiten voor een zaak, die alrede geoordeeld is. Bij de mensen is het dikwijls vergeefse moeite ook voor de onschuldigsten om te beproeven hun onschuld te bewijzen: zij moeten schuldig verklaard worden, al is het bewijs hunner onschuld ook nog zo duidelijk, maar zo is het niet in onze handelingen met God, die de beschermer is van de verdrukte onschuld, en nooit is het tevergeefs geweest Hem een rechtvaardige zaak over te geven.
Hij wanhoopt niet slechts aan verlichting maar verwacht dat zijn poging om zich te zuiveren en te rechtvaardigen hem slechts nog aanstotelijker zal maken, vers 30, 31. "Indien ik mij was met sneeuwwater, mijn oprechtheid nog zo duidelijk doe blijken, het zal tevergeefs zijn, het oordeel moet tegen mij zijn, Gij zult mij in de gracht induiken," (in de poel des verderfs, volgens sommigen, of liever in een vuil hondenhok), "hetgeen mij onaangenaam zal maken voor de reukzenuwen van allen, die mij omringen, mijn kleren zullen van mij gruwen en ik zal ervan walgen mijzelf aan te raken." Hij zag zijn beproevingen van God komen, dat was het wat hem zwart maakte in de ogen van zijn vrienden, uit dien hoofde klaagde hij er over, en over het voortduren ervan, als over het verderf, niet alleen van zijn welvaart, zijn gemak en genoegen, maar van zijn goede naam. Maar die woorden zijn ook vatbaar voor een goede uitlegging. Al doen wij ook alles om ons voor de mensen te rechtvaardigen, onze eer en goede naam bij hen op te houden, al houden wij onze handen ook nog zo rein van de besmetting van grove zonde, die onder het oog van de wereld valt, kan toch God, die onze harten kent, ons van zoveel verborgen zonden beschuldigen, dat al onze aanspraken op onschuld en reinheid er door teniet gedaan worden, en wij bespeuren dat wij hatelijk zijn in het oog van God, die heilig is. Toen Paulus nog een Farizeër was, heeft hij zijn handen zeer rein gemaakt, maar toen het gebod kwam en hem de zonden van zijn hart ontdekte, hem de begeerlijkheid heeft doen kennen, heeft dat hem in de gracht gedompeld.
2. Alsof hij er aan wanhoopte om ook maar gehoor bij God te verkrijgen, en dat zou inderdaad hard zijn.
A. Hij klaagt dat hij niet met God op gelijke voet staat, vers 32. "Hij is niet een man als ik. Ik zou het kunnen wagen om te twisten met een man zoals ik, (de potscherven kunnen strijden met de potscherven van de aarde) maar Hij is oneindig ver boven mij, en daarom durf ik niet met Hem in het strijdperk treden, ik zou ongetwijfeld het onderspit moeten delven indien ik met Hem streed."
Merk hier op:
a. God is niet een mens zoals wij zijn. Van de grootste vorsten kunnen wij zeggen: "Het zijn mensen zoals wij", maar niet van de grote God. Zijn gedachten en Zijn wegen zijn oneindig ver boven de onze, en wij moeten Hem niet afmeten naar ons. De mens is dwaas en zwak, broos en wispelturig, maar God is dat niet. Wij zijn afhankelijke, stervende schepselen, Hij is de onafhankelijke, onsterflijke Schepper.
b. Dit denkbeeld moet ons zeer nederig houden voor God, ons doen zwijgen voor Zijn aangezicht. Laat ons niet ons tot de gelijken maken van God, maar Hem altijd beschouwen als ver boven ons.
B. Dat er geen scheidsman was om in het geschil tussen hem en God te beslissen, vers 33. Daar is geen scheidsman tussen ons. Die klacht duidt zijn wens aan dat er zo een ware, en de LXX geven dan ook die lezing: "O dat er een middelaar ware tussen ons!" Job zou hem gaarne uitspraak hebben laten doen, daar echter geen schepsel instaat was scheidsman in deze te zijn, moet hij de zaak overlaten aan God zelf en in Zijn oordeel berusten. Onze Heere Jezus is de gezegende scheidsman, die de vrede tot stand heeft gebracht tussen hemel en aarde, Zijn hand op ons beide gelegd heeft, aan Hem heeft de Vader al het oordeel overgegeven, en daaraan hebben wij ons te onderwerpen. Maar die zaak was toen nog niet zo aan het licht gebracht als zij thans is door het Evangelie, dat geen plaats meer laat voor zodanige klacht.
C. Dat de verschrikkingen Gods, die zich tegen hem gerust hebben, hem in zo'n verwarring gebracht hebben, dat hij niet wist hoe tot God te spreken met het vertrouwen, waarmee hij voorheen gewoon was tot Hem te naderen, vers 34, 35. "Behalve nog, dat ik door Zijn oneindige grootheid en majesteit op een afstand gehouden word, word ik ook nog door Zijn tegenwoordige handelingen met mij zeer ontmoedigd. Dat Hij van op mij Zijn roede wegdoe, hij bedoelt niet zozeer zijn uitwendige beproevingen, als wel de last, die op zijn gemoed drukte vanwege de vrees voor Gods toorn, deze was het, die hem verbaasd maakte. "Laat die last, deze verschrikking, van mij worden weggenomen, laat mij wederom Zijn genade aanschouwen en niet meer verbaasd worden door het gezicht van Zijn verschrikkingen, dan zal ik spreken en Hem mijn zaak voorstellen. Maar zo is het niet met mij, de wolk wordt volstrekt niet uiteengedreven, de toorn Gods is nog op mij, drukt mijn geest, mijn gemoed, even zwaar als ooit, en ik weet niet wat te doen."
Laat ons uit dit alles leren:
a. Ontzag te hebben voor God, en de sterkte Zijns toorns te vrezen. Indien Godvruchtige mensen in zo'n ontsteltenis er door gekomen zijn, waar zal dan de goddeloze en zondaar verschijnen?
b. Medelijden te hebben met hen, die verslagen zijn van geest, en vurig voor hen te bidden, omdat zij in die toestand niet zelf kunnen bidden.
c. Goede gedachten van God te blijven koesteren, want harde gedachten van Hem laten veel kwaad binnen. d. God te loven, dat wij ons niet in zo'n mistroostige toestand bevinden, als waarin wij Job hier zien, maar wandelen in het licht des Heeren. Laat ons hierin ons verheugen, meer: ons verheugen met beving.