Job 8:1-7
I. Bildad bestraft hier Job om hetgeen hij gezegd had, vers 2, berispt zijn hartstocht, maar (zoals dit gewoonlijk gaat) doet dit met nog groter hartstocht. Wij dachten dat Job vele verstandige dingen gezegd heeft, die zeer ter zake waren, en dat hij rede en recht aan zijn zijde had, maar Bildad, als een ijverig vertoornd twistredenaar wijst het alles af met zijn: Hoelang zult gij deze dingen spreken? Hij neemt aan dat Elifaz genoeg gezegd heeft om hem tot zwijgen te brengen, en dat dus alles wat hij gezegd had, niet tot de zaak toedeed. Aldus (zegt Caryl) zijn bestraffingen dikwijls gegrond op vergissingen. De bedoeling van de mensen wordt niet recht begrepen, en dan worden zij ernstig bestraft alsof zij kwaaddoeners waren. Bildad vergelijkt Jobs rede bij een geweldigen wind. Job had er zich mee verontschuldigd, dat zijn redenen slechts als wind waren Hoofdst. 6:26, en dat zij er dus niet zoveel beweging om moesten maken. "Ja, maar," zegt Bildad, "zij zijn als een geweldige wind, bulderend en dreigend, onstuimig en gevaarlijk, en daarom is het zaak ons er tegen te beschutten."
II. Hij rechtvaardigt God in wat Hij gedaan heeft. Het was niet nodig dat hij dat toen deed, want Job heeft God niet gelaakt, zoals hij het wilde doen voorkomen, en hij zou dit gedaan kunnen hebben, zonder een afkeurend oordeel uit te spreken over Jobs kinderen, zoals hij hier doet. Kon hij niet vóór God spreken, zonder tegelijk een beschuldiger van de broederen te zijn?
1. In het algemeen heeft hij gelijk, God verkeert het recht niet, handelt nooit tegen een vastgestelde regel van gerechtigheid, vers 3. Verre zij het van Hem, dat Hij dit zou doen en van ons om Hem ervan te verdenken. Hij verdrukt nooit de onschuldigen, en op de schuldigen legt Hij geen zwaardere lasten dan zij verdienen. Hij is God, de Rechter, en zal de Rechter van de gehele aarde geen recht doen? Genesis 18:25. Indien er ongerechtigheid ware in God, "hoe zal Hij de wereld oordelen" Romeinen 3:5, 6. Hij is de Almachtige, Shaddai, de Algenoegzame. De mensen verkeren het recht, soms uit vrees voor de macht van anderen, maar God is almachtig en is voor niemand bevreesd. De mensen doen soms onrecht om de gunst van anderer te verwerven, maar God is algenoegzaam en kan door niemands gunst bevoordeeld worden. Het is de zwakheid van de mens en machteloosheid dat hij dikwijls onrechtvaardig is, het is Gods almacht dat Hij dit niet zijn kan.
2. Maar hij is niet billijk in de toepassing ervan. Hij houdt het voor een bewezen, uitgemaakte zaak, dat Jobs kinderen, wier dood een van zijn zwaarste beproevingen was, aan de een of andere bekende goddeloosheid of slechte daad schuldig waren, en dat de ongelukkige omstandigheden van hun dood een afdoend bewijs waren dat zij zondaren waren boven alle de kinderen van het Oosten, vers 4. Job erkende geredelijk dat God het recht niet verkeert, maar daar volgde toch niet uit dat zijn kinderen verworpenen waren, of dat zij om een grote misdaad gestorven moeten zijn. Het is waar, dat wij en onze kinderen tegen God hebben gezondigd en dat wij Hem moeten rechtvaardigen in alles wat Hij over ons brengt, doch buitengewone beproevingen zijn niet altijd de straf voor buitengewone zonden, maar soms beproevingen of toetsstenen van buitengewone genade, en in ons oordeel over de zaak van anderen moeten wij- tenzij het tegendeel blijkt-de gunstiger zijde er van aannemen zoals onze Heiland ons voorschrijft, Lukas 13:2,4. Bildad heeft hierin dus niet recht geoordeeld.
III. Hij houdt aan Job de hoop voor dat, indien hij werkelijk oprecht is, zoals hij voorgeeft te zijn, hij nog een goed einde zal zien aan zijn tegenwoordige rampen. Uw kinderen hebben tegen Hem gezondigd en zijn weggeworpen in hun overtreding, maar zij zijn gestorven in hun eigen zonde, indien gij nu echter rein en oprecht zijt, en als een bewijs daarvan God wilt zoeken, u aan Hem wilt onderwerpen, dan zal alles wel zijn, vers 6, 7. Dit kan beschouwd worden op tweeërlei wijze hetzij:
1. Als bedoeld om te bewijzen dat Job een geveinsde was en een goddeloos man, niet zozeer omdat zijn beproeving zo zwaar was, als wel omdat zij zolang aanhield. "Indien gij, toen gij tot armoede werdt gebracht en uw kinderen gedood werden, rein en oprecht waart geweest, en u dit betoond hadt onder uw beproeving, dan zou God nu reeds lang in genade tot u zijn weergekeerd naar de tijd in dewelken gij gedrukt waart, omdat Hij dit echter niet doet, hebben wij reden om tot de gevolgtrekking te komen dat gij niet zo rein en oprecht zijt als gij voorgeeft te zijn. Indien gij u onder de eerste beproeving goed had gedragen, dan zou de laatste niet over u gekomen zijn." Hierin had Bildad geen gelijk, want een Godvruchtige kan tot zijn beproeving niet alleen zeer zwaar, maar ook zeer langdurig door rampen en wederwaardigheden worden bezocht, en al zouden zij ook zijn levenlang duren, dan zou dit toch, in vergelijking met de eeuwigheid, slechts voor een ogenblik zijn. Maar, dewijl Bildad het nu op die wijze heeft voorgesteld, het bewijs van Jobs oprechtheid in Gods genadige hulp en redding wil zien, heeft het Gode behaagd door Bildads eigen argument Jobs oprechtheid in het licht te stellen, Hij heeft zijn laatste meer gezegend dan zijn begin. Of:
2. Als bestemd om Job te leiden en te bemoedigen, opdat hij zich niet aan wanhoop zou overgeven, alles als verloren zou beschouwen, er was nog hoop, zo hij slechts de rechte weg wilde inslaan. Hij geeft hem goede raad, misschien wel zonder te verwachten dat die opgevolgd zal worden, dezelfde, die Elifaz hem had gegeven, Hoofdst. 5:8, God te zoeken, en dat wel bijtijds, spoedig en ernstig niet traag te zijn in zijn terugkeren tot God. Hij raadt hem aan niet te klagen maar te bidden, met ootmoed en geloof zijn smeking te richten tot de Almachtige, en wel toe te zien dat er oprechtheid zij in zijn hart, waaraan het hem vreesde hij, totnutoe heeft ontbroken. "Gij moet rein en oprecht zijn, er moet eerlijkheid zijn in uw huis, dat moet de woning zijn van uw gerechtigheid, maar niet gevuld zijn met slecht verkregen goederen, want anders zal God uw gebeden niet verhoren." Psalm 66:18. Alleen het gebed van de oprechten is de Heere welgevallig en zal overmogen, Spreuken 15:8..
a. Hij geeft hem goede hoop dat hij nog goede dagen zien zal, maar bij zichzelf echter vermoedende dat hij niet bevoegd was ze te zien. Hij verzekert hem dat, zo hij God vroeg wilde zoeken, God opwaken zal tot zijn hulp, hem zal gedenken en tot hem zal wederkeren, hoewel Hij hem nu scheen te vergeten, dat, zo er in zijn woning gerechtigheid was, er ook voorspoed in zijn zal, want eerlijkheid is wijsheid en goed beleid, en inwendige Godsvrucht is zeer bevorderlijk aan uitwendige voorspoed. Als wij tot God wederkeren in de weg des plichts, dan hebben wij reden te hopen dat Hij tot ons zal wederkeren in de weg van genade en zegen. Laat Job hier niet tegen inbrengen dat hem zo weinig gelaten is om er de wereld opnieuw mee te beginnen, dat het onmogelijk is dat hij ooit weer zo voorspoedig zal zijn als hij geweest is. Neen: "AI zou uw begin ook nog zo gering wezen, een weinig meel in de kruik en een weinig olie in de fles, zal Gods zegen het zo vermenigvuldigen, dat het grotelijks vermeerderd zal worden." Dit is Gods manier om de zielen van Zijn volk te verrijken met genade en vertroosting, niet per saltum-als opeens, met een sprong, maar per gradam-stap voor stap. Het begin is klein, maar de voortgang is tot volkomenheid. Het dagende licht neemt toe tot de volle middag, een mostaardzaadje wordt tot een grote boom. Laat ons dus de dag van de kleine dingen niet verachten, maar op de dag van grote dingen hopen.