Job 7:17-21
Job redeneert hier met God:
I. Betreffende Zijn handelingen met de mens in het algemeen, vers 17, 18. Wat is de mens, dat Gij hem groot acht? Dit kan beschouwd worden, hetzij:
1. Als een hartstochtelijke aanmerking op de handelingen van de Goddelijke gerechtigheid, alsof de grote God zich verkleinde en vernederde door met de mens te twisten. Voorname mannen achten het beneden zich om zich in te laten met hen, die verreweg hun minderen zijn, door hun dwaasheden en onbetamelijkheden te bestraffen, waarom maakt God de mens dan groot door hem te bezoeken en te beproeven, zich zoveel moeite met hem te geven? Waarom wil Hij aldus al Zijn kracht aanwenden, in het werk stellen tegen één, die zo ver beneden Hem is? Waarom wil Hij hem bezoeken met beproeving, die, evenals een alledaagse koorts, standvastig terugkeert als het morgenlicht, en ieder ogenblik beproeven wat hij kan dragen? Wij hebben een verkeerd begrip van God en van de aard van Zijn voorzienigheid, als wij het een verkleining voor Hem achten om kennis te nemen ook van het geringste van Zijn schepselen. Of,
2. Als een vrome bewondering van Gods neerbuigende genade, zoals in Psalm 8:5, 144:3. Hij erkent Gods gunst jegens de mens in het algemeen, zelfs als hij klaagt over zijn eigen bijzondere smarten en benauwdheden. "Wat is de mens, de ellendige mens een arm, gering, zwak schepsel, dat Gij, de grote, hoogheerlijke God, met hem zoudt handelen, zoals Gij met hem handelt? Wat is de mens",
a. "Dat Gij hem zo'n eer bewijst, hem groot maakt door hem in verbond en gemeenschap met U op te nemer?"
b. "Dat Gij zoveel acht op hem slaat, Uw hart zo op hem stelt, als zijnde dierbaar aan U, en die Gij bemint?"
c. "Dat Gij hem iedere morgen bezoekt met Uw medelijden, zoals wij dagelijks een bijzondere vriend bezoeken, of zoals de arts iedere morgen zijn patiënten bezoekt om hen te helpen?"
d. "Dat Gij hem beproeft, hem onderzoekt, zijn pols voelt, zijn uitzien waarneemt, ieder ogenblik als in zorg en angst over hem?" Dat zo'n aardworm als de mens is, de lieveling en gunstgenoot is van de hemel. Wij hebben wèl reden om hierover verwonderd te zijn en in bewondering ervan te zijn opgetogen.
II. Betreffende Zijn handelingen met hem in het bijzonder.
Merk op:
1. De klacht, die hij doet over zijn beproevingen, welke hij hier verzwaart en (zoals wij allen geneigd zijn te doen) op zijn ergst voorstelt in drie uitdrukkingen. a. Dat hij het doelwit was van Gods pijlen. "Gij hebt mij U tot een doelwit gesteld," vers 20. "Op niemand wordt zo geschoten als op mij."
b. Dat hij zichzelf tot een last is, gereed om onder de last van zijn eigen leven weg te zinken. Hoeveel vermaak wij ook in onszelf hebben God kan, als het Hem behaagt, ons tot een last maken voor onszelf. Welke vertroosting kunnen wij smaken in onszelf, als God ons tegentreedt als een vijand en wij geen vertroosting hebben in Hem?
c. Dat er geen tussenpoos was in zijn smarten, vers 19. "Hoelang zal het zijn, eer gij Uwe roede van mij afwendt, of tenminste de strengheid matigt van Uwe tuchtiging, totdat ik mijn speeksel inzwelg?" Het schijnt dat Jobs ziekte bovenal zijn keel had aangetast, zodat hij bijna stikte en zijn speeksel niet kon inslikken. In Hoofdst. 30:18 klaagt hij dat zij hem omgordde als de kraag van zijn rok. "Heere", zegt hij, "wilt Gij mij geen verademing geven?" Hoofdst. 9:18.
2. De bezorgdheid, waarin hij verkeert over zijn zonde. De beste mensen hebben zonde te betreuren, en hoe beter zij zijn, hoe meer zij er over treuren.
A. In alle oprechtheid erkent hij zich schuldig voor God, ik heb gezondigd, vers 20. God had van hem gezegd, dat hij een volmaakt en oprecht man was, Hoofdst. 1:8 en toch zegt hij hier van zichzelf: ik heb gezondigd Diegenen kunnen oprecht zijn, die toch niet zondeloos zijn, en zij, die oprecht berouw hebben van hun zonde, zullen door de Middelaar aangenomen worden als in Evangelische zin volmaakt te zijn. Tegenover zijn vrienden hield Job vol dat hij geen geveinsde, geen goddeloos man was, en toch erkent hij voor zijn God dat hij gezondigd heeft. Als wij voor grove daden van zonde bewaard zijn gebleven, dan volgt hier nog niet uit dat wij onschuldig zijn. De besten moeten voor God erkennen dat zij gezondigd hebben. Dat hij God de Mensenhoeder noemt, kan beschouwd worden als bedoeld om als een verzwering van zijn zonde aangemerkt te worden. "Hoewel God Zijn oog op mij gehad heeft ten goede, heb ik toch tegen Hem gezondigd." Als wij onder beproeving zijn, dan is het een geschikte tijd om belijdenis te doen van zonde als de oorzaak, die onze beproeving heeft teweeggebracht. Een boetvaardige belijdenis van zonde zou hartstochtelijke klachten overstemmen, ja ze doen verstommen.
B. Ernstig vraagt hij, hoe hij met God verzoend kon worden: n Wat zal ik U doen? zoveel tegen U gedaan hebbende?" Zijn wij overtuigd gezondigd te hebben, en er toe gebracht om het te erkennen? Dan moeten wij wel tot de gevolgtrekking komen, dat er iets gedaan moet worden om de noodlottige gevolgen ervan te voorkomen. De zaak moet niet blijven zoals zij is, er moeten maatregelen worden beraamd, om het verkeerde, het slechte, dat gedaan werd, ongedaan te maken. En als wij ons waarlijk van het gevaar bewust zijn, waaraan wij ons hebben blootgesteld, dan zullen wij bereid zijn alles, wat het ook zij, te doen, vergeving aannemen op elke voorwaarde, weshalve wij begerig zullen wezen om te weten wat wij doen moeten, Micha 6:6, 7, wat wij aan God zullen doen, niet om te voldoen aan de eisen van Zijn gerechtigheid (dat geschiedt alleen door de Middelaar), maar om ons bevoegd te maken voor de tekenen van Zijn gunst, naar de strekking van het Evangelieverbond. Bij het doen van deze vraag is het goed het oog te hebben op God als de Hoeder of Redder van de mensen, niet hun Verderver. In ons berouw en onze boetvaardigheid moeten wij goede gedachten van God behouden, als één, die zich niet verlustigt in het verderf van Zijn schepselen, maar liever heeft dat zij zich bekeren en leven. "Gij zijt de Behouder van de mensen, wees mijn Behouder, want ik hoop op Uwe genade." C. Hij vraagt ernstig om de vergeving van zijn zonden, vers 21. Gelijk van de ene kant, door de warmte van zijn gemoed, zijn klachten heftig en bitter werden, zo werd, van de anderen kant, zijn gebed er levendig en dringend door gemaakt, zoals hier: "Waarom vergeeft Gij niet mijn overtreding? Zijt Gij niet een God van oneindige genade, die bereid is te vergeven? Hebt Gij geen berouw in mij gewerkt? Waarom schenkt Gij mij dan niet de vergeving van mijn zonde, en doet Gij mij de stem van die vreugde en blijdschap niet horen?" Hij meent gewis meer dan de blote wegneming van zijn uitwendige benauwdheid en smart, maar smeekt hierin dringend om het weerkeren van Gods gunst, over het gemis waarvan hij geklaagd heeft in Hoofdst. 6:4. "Heere, vergeef mij mijn zonden, en geef mij de vertroosting van die vergeving, dan zal ik mijn rampen en beproevingen gemakkelijk dragen", Mattheus 9:2, Jesaja 33:24. Als de goedertierenheid Gods de overtreding vergeeft, die wij begaan hebben, dan neemt de genade Gods de ongerechtigheid weg, die in ons heerst. Waar God de schuld van de zonde wegneemt, daar breekt Hij ook de kracht van de zonde.
D. Teneinde aan deze bede om vergeving kracht bij te zetten, pleit hij op zijn vooruitzicht van spoedig te zullen sterven: want nu zal ik in het stof liggen. De dood zal ons in het stof leggen, er ons te slapen leggen, en misschien wel nu binnen weinig tijds. Job had geklaagd over rusteloze nachten, en dat de slaap van zijn ogen geweken was, vers 3, 4-13, 14, maar zij, die op een donzen bed niet kunnen slapen, zullen weldra slapen in een bed van stof, en niet verschrikt worden door dromen, noch zich er heen en weer op wentelen. "Gij zult mij vroeg zoeken, maar ik zal niet zijn, het zal dan te laat wezen. Indien mijn zonden niet vergeven worden terwijl ik leef, dan ben ik voor eeuwig verloren." De gedachte dat wij weldra moeten sterven, en misschien plotseling zullen sterven, moet ons allen zeer verlangend maken naar de vergeving van onze zonden, en dat onze ongerechtigheid zal worden weggenomen.