Job 6:22-30
Job gaat hier voort met zijn vrienden hun onvriendelijkheid te verwijten en de harde behandeling, die hij van hen ondervond. Hij beroept zich hier op henzelf voor verscheidene zaken, die strekken om hem te rechtvaardigen en hen te veroordelen. Indien zij slechts onpartijdig wilden denken en spreken zoals zij denken, dan moesten zij wel erkennen:
I. Dat hij wel behoeftig, maar niet schraapzuchtig was, en geen last was voor zijn vrienden. Zij, die dit zijn, wier moeilijkheden dienen om hen te doen bedelen, worden gewoonlijk minder beklaagd dan de stille armen. Job zou verheugd zijn zijn vrienden te zien, maar hij zei niet: Brengt mij, vers 22, of Bevrijdt mij vers 23. Hij verlangde niet hen op kosten te jagen, drong zijn vrienden niet, hetzij:
1. Om een collecte voor hem te doen, om hem weer vooruit te helpen in de wereld. Hoewel hij er op kon wijzen dat zijn verliezen hem door de hand van God waren toegebracht, en niet door zijn eigen schuld of dwaasheid waren veroorzaakt, dat hij geheel verarmd en ten ondergang was gebracht, dat hij in welvaart had geleefd, en dat hij, toen hij het kon, liefdadig was geweest voor anderen en bereid hulp te verlenen aan hen, die in nood waren, dat zijn vrienden rijk zijn en instaat om hem te helpen, toch zei hij niet: Geeft mij van uw vermogen. Een goed man zal, als hij zelf in moeilijkheid is, bevreesd zijn om lastig te wezen voor zijn vrienden. Of,
2. Volk voor hem op de been te brengen, om hem te helpen zijn vee uit de handen van de Sabeërs en Chaldeen te hernemen, of om weerwraak aan hen te oefenen. "Heb ik om u gezonden om mij van de hand van de verdrukker te bevrijden? Neen, ik heb nooit verwacht dat gij u om mijnentwil aan enigerlei gevaar zoudt blootstellen, of u enigerlei moeite zoudt geven. Liever wil ik tevreden neerzitten onder mijn beproeving, en mij zo goed ik kan zien te redden, dan op de beurs van mijn vrienden te leven." Paulus heeft gewerkt met zijn handen teneinde niemand te bezwaren of ten laste te zijn. Dat Job hun niet om hulp gevraagd heeft, heeft hen er niet van vrijgesteld om hem hulp te bieden, toen hij haar nodig had en het in hun macht was haar te geven, maar het verzwaarde hun onvriendelijkheid jegens hem, dat hij, toen hij niets meer van hen verlangde dan een vriendelijke blik en een goed woord, die toch niet van hen kon verkrijgen. Het gebeurt dikwijls dat wij van de mens, zelfs als wij weinig verwachten, nog minder verkrijgen, maar van God, zelfs als wij veel verwachten, toch nog meer ontvangen, Efeziers 3:20.
II. Dat hij, hoewel hij van mening met hen verschilde, toch niet stijfhoofdig was, maar bereid was om zich te laten overtuigen en zich voor de waarheid te buigen, zodra hem aangetoond zou zijn dat hij in dwaling was vers 24, 25. "Indien gij inplaats van hatelijke aanmerkingen te maken en liefdeloze vermoedens te uiten, mij duidelijk onderricht en steekhoudende argumenten wilt geven, dan ben ik bereid mijn dwaling te erkennen. Leert mij en ik zal zwijgen, want ik heb dikwijls met genoegen en bewondering opgemerkt hoe krachtig de rechte redenen zijn, maar de methode, die gij volgt, zal nooit proselieten maken, wat bestraft het bestraffen, dat van ulieden is? Uw veronderstelling is vals, uw vermoedens zijn ongegrond, uw behandeling van de zaak is zwak, en uw toepassing gemelijk en liefdeloos." Er is in eerlijk, onpartijdig en juist redeneren een gebiedende kracht, en het is een wonder dat de mensen er niet door overwonnen worden, maar vuile en honende taal is krachteloos en dwaas, en het is niet te verwonderen dat de mensen er verbitterd en verhard door worden. Het is de ontwijfelbare aard van ieder eerlijk man, dat hij waarlijk wenst zijn vergissingen en dwalingen hersteld te zien, er begerig naar is dat men hem doet zien waarin hij gedwaald heeft, en dat rechte redenen, als zij dit blijken te zijn, hoewel strijdig met zijn vroeger gevoelen, zowel krachtig als aangenaam zijn.
III. Dat zij, al is het ook, dat hij misdaan heeft, hem toch niet met zoveel hardheid moesten bejegenen, vers 26, 27. "Zult gij met zeer veel kunst (dat is de betekenis van het woord) bedenken om woorden te bestraffen, enige hartstochtelijke uitdrukkingen, die ik gebruikt heb in deze wanhopige toestand, alsof zij stellige aanduidingen waren van heersende goddeloosheid en atheïsme? Een weinigje eerlijkheid en liefde zou u genoopt hebben om ze te verontschuldigen, en er een betere uitlegging aan te geven. Moet men over iemands geestelijke staat oordelen naar enige roekeloze, in drift gesproken woorden, die hem door overweldigende smart ontwrongen zijn? Is dit billijk? Is dit vriendelijk? Is het recht om in zo'n geval te critiseren? Zoudt gij zelf aldus behandeld willen worden?" Hun onvriendelijke behandeling werd door twee dingen verzwaard.
1. Dat zij hun voordeel deden met zijn zwakheid en de hulpeloze toestand, waarin hij zich bevond: gij werpt u op een wees, een spreekwoordelijke uitdrukking, die iets zeer wreeds en onmenselijks te kennen geeft. "Wezen kunnen zich niet beveiligen tegen beledigingen, hetgeen mensen van een laag karakter aanmoedigt om hen te beledigen en te vertreden, en dat doet gij mij." Job, een kinderloos vader zijnde, acht zich even blootgesteld aan belediging en mishandeling als een vaderloos kind, Psalm 127:5, en hij had reden om het euvel op te nemen, dat zij daarom over hem triomfeerden. Laat hen, die zich werpen op hen, die op enigerlei wijze als wezen beschouwd kunnen worden, om hen te overweldigen en te verdrukken, weten dat zij hiermede niet alleen het menselijk medelijden afleggen, maar ook strijden tegen het mededogen Gods, die een Vader van de wezen en een Helper van de hulpelozen is en zijn zal.
2. Dat zij vriendelijkheid voorwenden. "Gij graaft een put voor uw vriend. Gij zijt niet slechts onvriendelijk voor mij, die uw vriend ben, maar onder schijn van vriendschap verstrikt gij mij." Toen zij kwamen om hem te zien en bij hem neer te zitten, dacht hij dat hij zijn hart voor hen kon uitstorten, en dat zij, hoe bitterder zijn krachten waren, des te meer pogingen in het werk zouden stellen om hem te vertroosten. Hierdoor heeft hij zich vrijer uitgelaten dan hij anders gedaan zou hebben. Hoewel David zijn gevoel van toorn onderdrukt heeft terwijl de goddeloze nog tegen hem over was, zou hij er waarschijnlijk wel lucht aan gegeven hebben indien geen anderen dan vrienden om hem heen waren geweest, Psalm 39:2. Maar die vrijmoedigheid in het spreken, waartoe hij door hun betoon van belangstelling in hem gekomen was, had hem blootgesteld aan hun bestraffingen, en zo konden zij gezegd worden een put voor hem te hebben gegraven. Zo zullen wij, als ons hart verhit is in ons, er licht toe komen om ons voor te stellen, dat hetgeen verkeerd gedaan is, opzettelijk gedaan werd om ons te schaden.
IV. Dat hij, hoewel hem enige driftige hartstochtelijke woorden ontsnapt waren, toch over het algemeen en in de hoofdzaak gelijk had, en dat zijn rampen en beproevingen wel zeer buitengewoon waren, maar daarom toch niet bewezen dat hij een geveinsde, een goddeloze was. Hij houdt vast aan zijn gerechtigheid, en wil haar niet loslaten. Om haar aan te tonen, beroept hij zich:
1. Op hetgeen zij in hem zagen, vers 28. "Belieft het u, wendt u tot mij, wat ziet gij in mij, dat mij of als een waanzinnige, of als een goddeloze doet kennen? Ja, ziet mij in het aangezicht, en gij zult er aanduidingen bemerken van een geduldig, onderworpen gemoed. Laat de uitdrukking van mijn gelaat voor mij getuigen, dat ik, hoewel ik mijn dag vervloekt hebt, mijn God niet heb gevloekt." Of liever: "ziet op mijn zweren en gezwellen, en door deze zal het blijken dat ik niet lieg", dat is: "dat ik niet klaag zonder reden. Laat uw eigen ogen u er van overtuigen dat mijn toestand zeer treurig is en dat ik niet met God twist, door hem erger voor te stellen dan hij is."
2. Op hetgeen zij van hem hoorden, vers 30. "Gij hoort wat ik te zeggen heb, zou er onrecht op mijn tong wezen? Het onrecht, waarvan gij mij beschuldigt? Heb ik God gelasterd of Hem verzaakt? Zijn mijn redeneringen niet juist? gemerkt gij niet aan hetgeen ik zeg, dat ik verkeerde dingen kan onderscheiden? Ik kan uw drogredenen en uw verkeerde opvattingen ontdekken, en als ik zelf in dwaling was, zou ik het bespeuren. Wat gij ook van mij moogt denken, ik weet wat ik zeg."
3. Op hun eigen nadere en sobere gedachten vers 29. "Keert toch weer, denkt nog eens na over de zaak, onpartijdig en zonder vooroordeel, en laat de uitkomst er van geen onrecht zijn, laat het geen onrechtvaardige uitspraak zijn, en gij zult bevinden dat mijn gerechtigheid daarin is," dat is: "Ik heb gelijk in deze zaak, en hoewel ik mijn geest niet kan bedwingen zoals ik moest, behoud ik toch mijn oprechtheid, en ik heb niets gezegd of gedaan of geleden, waaruit blijkt dat ik geen eerlijk man ben." Een rechtvaardige zaak verlangt niets meer dan rechtvaardig gehoord en, zo het nodig is, wederom gehoord te worden.