Job 40:20-28
Of met deze leviathan de walvis of de krokodil bedoeld wordt is een grote strijdvraag onder de geleerden, die ik niet op mij neem te beslissen, sommige van de bijzonderheden komen meer overeen met de een, andere met de ander, beide zijn zeer sterk en woest, en de macht van de Schepper wordt in hen gezien. De schrandere Sir Richard Blackmore verenigt zich met het algemeen aangenomen gevoelen betreffende de behemoth, dat met deze de olifant bedoeld is, maar stemt in met de mening van de geleerde Bochart, dat de leviathan de krokodil moet wezen, die zowel bekend was in de rivier van Egypte. Ik beken dat hetgeen waardoor ik geneigd ben om er veeleer de walvis in te zien, is niet alleen omdat hij een veel groter en schoner dier is, maar omdat er in de geschiedenis van de schepping zo bijzonder nota van genomen is, meer dan van enigerlei andere diersoort, Genesis 1:21. "God schiep de grote" walvissen, waaruit blijkt, niet alleen dat walvissen in die streken welbekend waren in de tijd van Mozes, die een weinig na Job geleefd heeft, maar dat de schepping van de walvissen algemeen beschouwd werd als een groot bewijs van de macht en Godheid van de Schepper, en wij kunnen de gissing maken dat dit de reden was (want anders schijnt het onverklaarbaar) waarom Mozes zo bijzonder melding maakt van de schepping van de walvissen, dat God in Zijn rede tot Job uitvoeriger heeft stil gestaan bij de grootte en de kracht van dit schepsel, dan bij die van enig ander schepsel, als het bewijs van Zijn macht. En van de leviathan wordt hier gesproken als van een bewoner van de zee, en de krokodil is dat niet, en: daar "in de zee, die groot en wijd van ruimte is, daar is de leviathan," Psalm 104:25, 26.
In deze verzen:
1. Toont Hij hoe onmachtig Job was om de leviathan te vermeesteren.
a. Dat hij hem niet kon vangen, zoals men een kleine vis vangt met de hengel, vers 21, 26. Hij had geen aas, waarmee hij hem kon lokken, geen haak, waarmee hij hem kon vangen, geen vissnoer om hem uit het water te halen, geen doorn om zijn kaak te doorboren, en hem er mee naar huis te dragen.
b. Dat hij hem niet tot zijn gevangene kon maken, hem niet kon noodzaken om genade te roepen, of zich aan hem op genade of ongenade over te geven, vers 22,23. "Hij kent zijn kracht te goed om vele smekingen tot u te richten, en een verbond met u te maken om uw slaaf te zijn, op voorwaarde dat gij hem het leven zult sparen."
c. Dat hij hem niet in een kooi kon lokken en hem daar kon houden als een vogel voor de kinderen om mee te spelen, vers 24. Er zijn schepselen die zo klein en zwak zijn, dat zij gemakkelijk op die wijze te houden zijn, maar de leviathan behoort niet tot dezen, hij is gemaakt om een schrik voor het mensdom te zijn, niet om tot spel en vermaak voor hem te dienen.
d. Dat hij hem niet opgediend op zijn tafel kon krijgen hij en zijn metgezellen konden geen gastmaal van hem houden, zijn vlees is te vast om tot voedsel te kunnen dienen, en al ware dit ook niet zo-hij is niet gemakkelijk te vangen.
e. Dat zij zich niet konden verrijken met zijn buit, zullen zij hem delen onder de kooplieden? de beenderen aan de een, de olie aan de ander? Als zij hem kunnen vangen, dan zullen zij dit doen, maar waarschijnlijk was de kunst van de walvisvangst toen nog niet tot die volkomenheid gekomen als waartoe zij later gekomen is.
f. Dat zij hem niet konden verderven zijn huid niet met haken konden vullen, vers 26. Hij bleef buiten het bereik van hun werktuigen om te doden, of zo zij hem al aanraakten, troffen zij hem toch niet diep genoeg. Dat het nutteloos was het te beproeven: de hoop om hem te vangen, zal feilen, vers 28. Hij is zo geducht, dat de mensen, als zij het beproeven hem te vangen, op zijn aanzien terugdeinzen, en een sterk, kloekmoedig man schier in onmacht zal vallen. Zal hij ook voor zijn aangezicht niet nedergeslagen worden? En zal dat de vervolgers niet doen aflaten? Leg uw hand op hem, zegt God aan Job, het is op uw gevaar. "Raak hem aan, zo gij durft, gedenk des strijds, hoe weinig gij instaat zijt om zo'n kracht tegen te treden, en wat dus waarschijnlijk de uitslag zal zijn van de strijd, en doe het niet meer, maar geef de poging op." Het is goed om des strijds te gedenken eer wij er ons toe begeven, en intijds het harnas af te leggen als wij inzien dat het doelloos zou zijn om het aan te houden. Hiermede wordt Job vermaand om niet voort te gaan in zijn twisten met God, maar vrede met Hem te maken, gedenk waarmee de strijd gewis zal eindigen, als het tot een werkelijk treffen komt. Zie Jesaja 27:4, 5.
2. Daaruit leidt Hij af hoe weinig hij bij machte was om met de Almachtige te strijden. Niemand is zo koen, niemand is zo roekeloos, om de leviathan op te wekken, Hoofdst. 41:1, daar het bekend is dat hij hem zeker te sterk zal zijn, wie is dan hij, die zich voor Gods aangezicht stellen zou, om Hem of Zijn doen aan te klagen, of om de sterkte Zijns toorns te weerstaan? Indien de mindere schepselen, die onder de voeten van de mens gesteld zijn, en over welke hij heerschappij heeft, ons aldus in ontzag houden, hoe schrikkelijk moet dan niet de majesteit zijn van de grote God, die vrijmachtige heerschappij heeft over ons, en tegen wie de mens zolang in opstand is geweest! "Wie zal voor Zijn aangezicht bestaan van de tijd Zijns toorns af?"