Job 39:29-33
De vogelen van de lucht zijn, zowel als de dieren van de aarde, blijken en bewijzen van de wondervolle macht en voorzienigheid Gods. God noemt hier twee zeer statige vogels.
1. De sperwer-een soort van valk-een edele vogel van grote kracht en schranderheid, en toch een roofvogel, vers 29. Van deze vogel wordt hier nota genomen om zijn vlucht, die snel en sterk is en inzonderheid omdat hij zijn vleugelen uitbreidt naar het zuiden, waar hij de zon volgt in de winter, weg van de koudere luchtstreken in het noorden, inzonderheid als hij ruit, de oude vederen afwerpt, om nieuwe te verkrijgen. Dat is zijn wijsheid, en het is God, niet de mens, die hem deze wijsheid heeft gegeven. Misschien werd de buitengewone schranderheid van de valk in het navliegen van zijn prooi toen niet gebruikt voor het vermaak van de mensen, zoals zij er later voor aangewend werd. Het is te betreuren dat de valk, die geleerd heeft te vliegen op des mensen bevel om hem vermaak te verschaffen ooit misbruikt wordt tot oneer van God, daar het van God is, dat hij de schranderheid heeft ontvangen, waardoor zijn vlucht de mens tot vermaak en dienst is.
2. De arend, een koninklijke vogel, en toch ook een roofvogel. Dat hem het verlof, ja meer, het vermogen daartoe is gegeven, kan er toe bijdragen, om ons te verzoenen met de voorspoed van verdrukkers onder de mensen. Van de arend wordt hier nota genomen:
a. Om de hoogte van zijn vlucht geen andere vogel vliegt zo hoog, heeft zo sterke vleugels, en kan zo goed het zonlicht verdragen. "Is het naar uw bevel, dat de arend zich omhoog verheft? vers 30, is het door enigerlei kracht, die hij van u heeft, en zijt gij het, die zijn vlucht richt? Neen, het is door de natuurlijke kracht en het instinct, die God hem gegeven heeft, dat hij zich verheft ver buiten uw gezicht, en nog verder buiten het bereik van uw stem."
b. Vanwege de sterkte van zijn nest, zijn huis is zijn kasteel, zijn burcht, hij maakt het in de hoogte, op de rots, op de scherpte van de steenrots, die zijn jongen buiten gevaar doet zijn. Geruste zondaren denken even veilig te zijn in hun zonden, als de arend in zijn nest in de hoogte, "in de kloven van de steenrotsen," Jeremia 49:16, maar "Ik zal u vandaar nederstoten, spreekt de Heere." Hoe hoger slechte mensen zitten boven de toorn van de aarde, hoe dichter zij zich behoorden te denken bij de wraak des hemels.
c. Om de scherpte van zijn gezichtsvermogen, vers 32. zijn ogen zien van verre af, niet opwaarts maar nederwaarts, naar zijn prooi. Hierin is hij een zinnebeeld van de geveinsde, die, terwijl hij in zijn belijdenis van de Godsdienst zich schijnt te verheffen naar de hemel, zijn oog en hart gericht houdt op zijn prooi op de aarde, het een of ander tijdelijk voordeel, het een of andere huis van een weduwe, dat hij hoopt te verslinden onder schijn van vroomheid.
d. Om de wijze, waarop hij zich en zijn jongen onderhoudt. Hij aast op levende dieren, die hij grijpt en in stukken scheurt, en dan naar zijn jongen heenbrengt, die geleerd hebben bloed te slorpen, zij doen dit bij instinct, en weten niet beter, maar dat mensen, die verstand en een geweten hebben, naar bloed dorsten dat zou nauwelijks geloofd kunnen worden, indien er niet in iedere eeuw de ellendige voorbeelden van werden gezien. Hij aast ook op dode lichamen van mensen, waar verslagenen zijn, daar is hij, In een andere zin dan het paard, ruiken deze roofvogels de krijg van verre. Als er dus een grote slachting aangericht zal worden onder de vijanden van de kerk, dan worden de vogelen genodigd "om te komen tot het avondmaal des groten Gods, opdat zij het vlees eten van de koningen, en het vlees van de oversten over duizend," Openbaring 19:17, 18. Onze Heiland zinspeelt op dit instinct van de arend, Mattheus 24:28. "Waar het dode lichaam zal zijn, daar zullen de arenden vergaderd worden." Ieder schepsel gaat naar hetgeen zijn geschikt voedsel is, want Hij, die hen van hun voedsel voorziet, heeft hun die neiging ingeplant. Deze en nog vele andere van zulke voorbeelden van de natuurlijke kracht en schranderheid in de mindere schepselen, die wij niet kunnen verklaren, noodzaken ons om onze eigen zwakheid en onwetendheid te belijden en ere te geven aan God, de fontein van alle bestaan, van alle macht, wijsheid en volmaaktheid.