Job 36:24-33
Elihu poogt hier Job grote en hoge gedachten van God in te boezemen en hem aldus tot een blijmoedige onderwerping aan Zijn voorzienigheid te bewegen.
I. Hij stelt het werk van God voor, in het algemeen, als doorluchtig en duidelijk zichtbaar, vers 24. Geheel Zijn werk is dit, God doet niets dat min is. Dit is een goede reden waarom wij moeten berusten in al de werkingen van Zijn voorzienigheid betreffende ons in het bijzonder. Zijn zichtbare werken, die de natuur en de wereld in het algemeen betreffen, zijn zodanig, dat wij ze bewonderen en prijzen, en waarin wij des Scheppers wijsheid, macht en goedheid zien, zullen wij dan aanmerkingen maken op Zijn beschikkingen voor ons en de raadsbesluiten van Zijn wil betreffende onze zaken? Wij worden hier geroepen om "het werk Gods aan te merken," Prediker 7:13.
1. Het is duidelijk voor onze ogen, niets is meer klaarblijkelijk: het is wat de lieden aanschouwen, ieder die slechts een half oog heeft, kan het zien, kan het van verre zien. Laat ons de blik richten waarheen wij willen, overal zien wij de voortbrengselen van Gods wijsheid en macht, wij zien datgene gedaan, en nog voortdurend gedaan worden, waarvan wij wel moeten zeggen: Dit is het werk Gods, de vinger Gods, de Heere heeft het gedaan. Iedereen kan van verre de hemel zien met al zijn lichten de aarde en al haar vruchten, en zien dat zij het werk zijn van de Almacht, en nog veel meer als wij ze van nabij zien. Beschouw de kleinste werken van de natuur door een microscoop, schijnen zij niet wonderbaar? De eeuwige kracht en Goddelijkheid van de Schepper "worden duidelijk doorzien en verstaan van de schepselen" Romeinen 1:20. Iedereen, zelfs zij, die het voorrecht niet hebben van een Goddelijke openbaring, kan dit zien, want geen spraak en geen woorden zijn er, waar de stem van deze gedurige, natuurlijke predikers niet wordt gehoord, Psalm 19:4.
2. Het behoort wonderlijk te zijn in onze ogen. De schoonheid en voortreffelijkheid van het werk van God en de evenredigheid van al de delen ervan moeten wij gedenken om ze te verheerlijken en te loven, die niet alleen rechtvaardigen als juist en goed en onlaakbaar, maar verheerlijken als wijs en groot en glorierijk en dat door geen schepsel bedacht of voortgebracht kan worden. De mens kan Zijn werken zien en is instaat er Zijn hand in te onderkennen (hetgeen de dieren niet kunnen), en daarom behoort hij ze te loven en Hem de eer ervan toe te brengen.
II. Hij stelt God, de werker ervan, voor als oneindig en ondoorgrondelijk, vers 26. De stromen van bestaan, macht en volmaaktheid moeten ons heenleiden naar de bron. God is groot, oneindig groot, groot in macht, want Hij is almachtig en onafhankelijk, groot in vermogen, want Hij is zelfgenoegzaam en algenoegzaam, groot in zichzelf, groot in al Zijn werken, groot, en daarom grotelijks te prijzen, groot en daarom kennen wij Hem niet, wie weten dat Hij is, maar niet wat Hij is, wij weten wat Hij niet is, maar niet wat Hij is. Wij weten en kennen ten dele, maar niet in volkomenheid. Dit komt hier voor als een reden waarom wij Zijn handelingen niet moeten aanklagen, noch moeten laken wat Hij doet, omdat dit kwaadspreken is van dingen, die wij niet begrijpen, en antwoorden eer wij gehoord hebben. Wij kennen de duur van Zijn bestaan niet, want die is oneindig, het getal van Zijn jaren kan bij geen mogelijkheid onderzocht worden, want Hij is eeuwig, zij zijn dus niet te tellen, Hij is een wezen zonder begin zonder opvolging van tijd en zonder einde, die altijd was en altijd zijn zal, en altijd dezelfde, de grote IK BEN. Dit is een goede reden waarom wij Hem niets moeten voorschrijven, niet met Hem moeten twisten, want gelijk Hij is, zo zijn Zijn werkingen: volkomen buiten ons bereik.
III. Hij noemt enige voorbeelden van Gods wijsheid, macht en soevereine heerschappij in de werken van de natuur en de beschikkingen van de gewone voorzienigheid, beginnende in dit hoofdstuk met de wolken en de regen, die eruit nederdaalt. Het is niet nodig critisch te zijn in het onderzoek hetzij van de spreekwijze of van de wijsbegeerte van deze uitnemende rede. De algemene strekking ervan is aan te tonen:
a. Dat God oneindig groot is en de Heere is van alles, de eerste oorzaak en opperbestuurder van al de schepselen, en alle macht heeft in hemel en op aarde, die wij daarom in alle ootmoed en met eerbied moeten aanbidden, van wie wij goed behoren te spreken, en aan wie wij alle eer moeten geven.
b. Dat het vermetele aanmatiging in ons is, om Hem de regelen en methoden voor te schrijven van Zijn bijzondere voorzienigheid met de kinderen van de mensen, of te verwachten dat Hij er ons rekenschap van zal geven, als toch de werkingen van Zijn gewone voorzienigheid nopens de meteoren zo verschillend zijn, zo geheimenisvol en zo ondoorgrondelijk.
Om Job onder de indruk te brengen van Gods verhevenheid en vrijmacht, had Elihu hem gezegd op te zien naar de wolken, Hoofdstuk 35:5. In deze verzen toont hij ons wat wij in de wolken, die wij zien, kunnen waarnemen hetgeen ons leiden zal tot de beschouwing van de heerlijke volmaaktheden van haar Schepper.
Beschouw de wolken:
1. Als fonteinen voor deze lagere wereld, de bronnen en schatkameren van haar vochten door welke zij circuleren, een noodzakelijke voorziening, want stilstand van die circulatie zou voor deze lagere wereld even schadelijk zijn als stilstand van de bloedsomloop in het lichaam van de mens. Het is van de moeite waard om in dit gewone verschijnsel op te merken:
a. Dat de wolken boven afdruipen op de aarde beneden. Indien de hemel als koper wordt, dan wordt de aarde ijzer, daarom luidt de belofte van overvloed aldus: Ik zal de hemel verhoren, en die zal de aarde verhoren. Dit duidt ons aan dat alle goede gave van boven is, van Hem, die de Vader is van de lichten en de Vader van de zegen, en het leert ons ons gebed tot Hem te richten en opwaarts te zien.
b. Dat zij hier gezegd worden af te druipen over de mens, vers 28, want hoewel Hij doet regenen op de woestijn, waarin geen mens is Hoofdst. 38:26, Psalm 104:11, wordt hierin toch inzonderheid acht geslagen op de mens aan wie de mindere schepselen allen dienstbaar gemaakt zijn, en van wie de hulde des lofs hiervoor geëist wordt. Onder de mensen regent God over rechtvaardigen en onrechtvaardigen, Mattheus 5:45.
c. Zij worden gezegd het water af te druipen in droppelen, niet in watergoten, zoals toen de sluizen des hemels geopend waren, Genesis 7:11. God bewatert de aarde met hetgeen, waarmee Hij haar eens overstelpt heeft, het slechts op een andere manier uitdelende, om ons te doen weten hoezeer wij in Zijn macht zijn, en hoe vriendelijk Hij is door regen te geven bij droppelen, opdat het voordeel, de nuttigheid ervan in verdere kring en meer gelijkelijk verspreid zou worden, zoals met een kunstmatige gieter.
d. Soms komt de regen neer in zeer kleine droppelen, maar op een andermaal in stortregen, en dit verschil tussen de ene regenbui en de andere moet toegeschreven worden aan de Goddelijke voorzienigheid, die het aldus beschikt heeft.
e. Hoewel hij neerkomt in droppelen, druipt hij toch overvloedig af over de mens, vers 28, en daarom wordt hij de rivier Gods genoemd, die vol waters is, Psalm 65:10.
f. De wolken gieten de regen af, naar de damp is, die zij opgetrokken hebben, vers 27. Zo rechtvaardig is de hemel jegens de aarde, maar de aarde is dit niet in de vergelding, die zij er voor doet.
g. Het voortbrengsel van de wolken is soms een grote verschrikking, en op andere tijden een grote gunst voor de aarde, vers 31. Als het Hem behaagt richt Hij daardoor de volken, op welke Hij vertoornd is. Storm en orkanen en overmatige regens, die de vruchten van de aarde vernielen en overstromingen veroorzaken, komen van de wolken, maar van de andere kant, door haar geeft Hij gewoonlijk spijs in overvloed, zij druipen vettigheid af op de weiden en velden, die bekleed zijn met kudden, en de dalen, die bedekt zijn met koren, Psalm 65:12-14.
Eindelijk. Er wordt soms kennis gegeven van het naderen van de regen, vers 33. Daarvan, onder anderen, verkondigt zijn geklater. Vandaar dat wij lezen van een geruis des overvloedigen regens, 1 Koningen 18:41, K voordat hij nog kwam, en een zeer welkome voorbode is dat toen geweest! Gelijk het gedruis, zo kondigt ook het aanzien des hemels de regen aan, Lukas 12:56. Ook het vee bespeurt door een verwonderlijk instinct dat een verandering in het weer ophanden is, en zoekt een schuilplaats, de mens beschamende, die het kwaad niet wil voorzien om zich te verbergen.
2. Als schaduwen van de bovenwereld, vers 29. Kan men ook verstaan de uitbreiding van de wolken? Zij zijn over de aarde uitgebreid als een gordijn of gewelf, hoe zij zo zijn, hoe zij uitgebreid zijn en in evenwicht worden gehouden, verstaan wij niet, hoewel wij hem dagelijks zien. Zullen wij dan voorwenden de redenen en methoden te verstaan van Gods rechterlijke handelingen met de kinderen van de mensen, wier karakter en toestand zo verschillend zijn, als wij niet eens de uitbreiding van de wolken kunnen verklaren, die het licht bedekken? vers 32. Het is een wolk, die tussen doorkomt, Hoofdst. 26:9. En wij zijn er ons van bewust dat door het tussenbeiden komen van de wolken tussen ons en de zon, wij:
a. Soms bevoorrecht, begunstigd worden, want zij doen dienst als een zonnescherm om ons te beschutten tegen de heftige hitte van de zon, die ons anders zou branden. Van "een wolk des dauws in de hitte des oogstes" wordt gesproken als van een zeer grote verkwikking. Jesaja 18:4.
b. Soms donker en dreigend er door aangezien worden, want zij verduisteren de aarde op de middag en verduisteren het licht van de zon. Zonde wordt vergeleken bij een wolk, Jesaja 44:22, omdat zij tussen ons en het licht van Gods aangezicht treedt, en er het schijnen van verhindert. Maar hoewel de wolken voor een tijd de zon verduisteren en regen afdruipen toch "(post nubila Phoebus- komt na de regen zonneschijn)" nadat Hij de wolk vermoeid, uitgeput heeft, breidt Hij er Zijn licht over uit, vers 30. Er is glans na de regen, 2 Samuël 23:4, S de zonnestralen schieten uit en reiken zover dat zij zelfs de wortelen dat is: de bodem, van de zee bedekken, om vandaar de weer nieuwe dampen te doen opstijgen en voorraad voor de wolken te verzamelen. In dit alles moeten wij gedenken om Gods werk te verheerlijken.