Job 35:1-8
Wij hebben hier:
I. De slechte woorden, die Elihu Job ten laste legt, vers 2, 3. Om er de slechtheid van aan te tonen, beroept hij zich op hemzelf en zijn eigen sobere gedachten, als hij er over gaat nadenken. Houdt gij dat voor recht? Dit geeft te kennen:
1. Elihu's overtuiging dat de bestraffing, die hij hem nu gaf, rechtvaardig was, want hij kon zich op het oordeel er over op Job zelf beroepen. Zij, die waarheid en billijkheid aan hun zijde hebben, zullen vroeg of laat ook ieders geweten aan hun zijde hebben.
2. Zijn goede mening van Job, dat hij beter dacht dan sprak, en dat, hoewel hij verkeerd gesproken had, hij er niet bij blijven zou als hij zijn dwaling inzag. Als wij in ons haasten gezegd hebben wat niet recht was, dan betaamt het ons om te erkennen dat wij bij nadenken er over inzien dat het verkeerd was.
Elihu bestraft hier Job wegens twee dingen.
A. Dat hij gezegd heeft, dat zijn gerechtigheid meerder is dan die van God, dat is: "Ik heb meer voor God gedaan dan Hij ooit voor mij gedaan heeft, zodat, als de balans wordt opgemaakt, Hij bevonden zal worden mijn schuldenaar te zijn. Alsof Job dacht dat zijn diensten minder beloond waren dan zij verdienden, en zijn zonden meer gestraft waren dan zij verdienden, hetgeen een uiterst onrechtvaardige en goddeloze gedachte is om door iemand gekoesterd, en vooral om door iemand uitgesproken te worden. Toen Job zo nadrukkelijk sprak van zijn eigen oprechtheid en de strengheid van Gods handelingen met hem, heeft hij in werkelijkheid gezegd: Mijn gerechtigheid is meerder dan die van God, terwijl wij toch, al zijn wij ook nog zo goed en al zijn onze beproevingen ook nog zo groot, van ongerechtigheid beschuldigd kunnen worden, maar God is daar niet van te beschuldigen.
B. Vanwege zijn ontkennen van de weldaden en voordelen van de Godsdienst, wijl hij deze dingen lijdt. Wat meer voordeel zal ik daarmee doen dan met mijn zonde? vers 3. Dit maakt hij op uit Hoofdst. 9:30, 31. Al zuiver ik mijn handen met zeep, wat baat het mij? Gij zult mij in de gracht induiken. En Hoofdst. 10:15. Zo ik goddeloos ben, wee mij, maar als ik rechtvaardig ben, het komt op hetzelfde neer. Toen de psalmist zijn eigen beproevingen vergeleek met de voorspoed van de goddelozen was hij in verzoeking om te zeggen: "Ik heb tevergeefs mijn hart gezuiverd," Psalm 73:13. En indien Job dit zei, dan zei hij in werkelijkheid: mijn gerechtigheid is meerder dan die van God, vers 2, want als hij geen voordeel had van zijn Godsdienst, dan was God hem meer verplicht dan hij aan God. Maar hoewel er enige schijn voor was, was het toch niet billijk deze woorden aan Job ten laste te leggen, daar hij ze toch zelf als de goddeloze woorden van voorspoedige zondaren had aangeduid, Hoofdst. 21:15. Wat baat zullen wij hebben als wij tot Hem bidden? en ze terstond als onwaar had afgewezen, vers 16. De raad van de goddelozen is verre van mij. Het is geen billijke manier van disputeren, om de mensen de gevolgen ten laste te leggen van de meningen, die zij uitdrukkelijk afkeuren en afwijzen. II. Het goede antwoord, dat Elihu hierop geeft, vers 4. "Ik zal het ondernemen u te antwoorden, en uw vrienden met u," dat is: "allen die uw gezegden goedkeuren en bereid zijn er u in te rechtvaardigen, en alle anderen, die spreken zoals gij spreekt, ik heb datgene te zeggen, hetwelk hen allen tot zwijgen zal brengen." Om dit te doen beroept hij zich op zijn oude grondstelling, Hoofdst. 33:12. God is meer dan een mens. Dat is een waarheid die, zo er een goed gebruik van wordt gemaakt, tot veel goede doeleinden kan dienen en inzonderheid om te bewijzen dat God niemands schuldenaar is. De voornaamste van de mensen kan een schuldenaar wezen van de geringste, maar zo oneindig groot is de onevenredigheid tussen God en de mens, dat de grote God bij geen mogelijkheid enigerlei weldaad kan ontvangen van of door de mens, en dus ook niet ondersteld kan worden onder enigerlei verplichting te zijn aan de mens, want zo Hij door Zijn voornemen en belofte onder verplichting is, dan is dit alleen aan Hemzelf. Dat is een uitdaging, die door generlei mens aangenomen kan worden Romeinen 11:35, Wie heeft eerst gegeven aan God laat hem het bewijzen, en het zal hem wedervergolden worden. Waarom zouden wij eisen als een schuld aan ons, om iets te winnen door onze Godsdienst (zoals Job dit scheen te eisen), als toch de God die wij dienen er niets door wint?
1. Elihu behoeft niet te bewijzen dat God boven de mens is, allen stemmen dit toe, maar hij poogt Job en ons onder de indruk ervan te brengen door te wijzen op de hoogte des hemels en van de wolken, vers 5. Zij zijn ver boven ons, en God is ver boven deze, hoe ver is Hij dan niet buiten het bereik, hetzij van onze zonden, of van onze diensten! Aanmerk de hemel en zie, en aanschouw de bovenste wolken. God heeft de mens rechtop gemaakt, "Coelumque tueri jussit, en zei hem op te zien naar de hemel." Afgodendienaars zagen op, en aanbaden het heir des hemels, de zon, de maan en de sterren, maar wij moeten opzien naar de hemel en de Heere van dit heir aanbidden. Zij zijn hoger dan wij maar God is nog oneindig hoger. "Zijn majesteit is boven de hemelen," Psalm 8:1, en Zijn kennis is als de hoogten van de hemelen, Hoofdst. 11:8.
2. Maar daar leidt hij uit af, dat God op generlei wijze door iets dat wij doen bewogen kan worden.
A. Hij erkent dat de mensen bevoordeeld of benadeeld kunnen worden door hetgeen wij doen, vers 8. Uwe goddeloosheid zou misschien tegen een man kunnen zijn gelijk gij zijt, zou hem kunnen schaden, zou hem moeite kunnen veroorzaken in zijn uitwendige omstandigheden. Een goddeloos man kan zijn naaste wonden of beroven of belasteren, of kan hem in zonde doen vallen, en aldus schade toebrengen aan zijn ziel. Uw rechtvaardigheid, uw gerechtigheid, uw liefdadigheid, uw wijsheid, uw Godsvrucht, kunnen misschien eens mensen kind ten goede komen. Onze goedheid "raakt tot de heiligen, die op de aarde zijn," Psalm 16:3. Wij hebben het vermogen om aan mensen, gelijk wijzelf zijn, schade te berokkenen of vriendelijkheid te bewijzen. En de vrijmachtige Heere en rechter van allen stelt daar belang in, zal hen belonen die goed doen, en hen straffen die nadeel en schade toebrengen aan hun medeschepselen en mede-onderdanen, maar:
B. Hij ontkent ten enenmale dat God in werkelijkheid benadeeld of bevoordeeld kan worden door hetgeen iemand, al was hij ook de grootste van allen die in het oosten zijn, doet of doen kan.
a. De zonden van de ergste zondaren veroorzaken Hem geen schade of nadeel, vers 6, "Indien gij zondigt, moedwillig zondigt en met voorbedachten rade tegen Hem, zondigt met opgeheven hand, ja indien uw overtredingen menigvuldig zijn, de zondige daden nog zo dikwijls herhaald worden, wat doet gij Hem?" Dit is een tarten van het vleselijke hart en de vermetelste zondaar om zijn ergst te doen. Het is een sterk bewijs van de grootheid en heerlijkheid van God, dat Zijn ergste vijanden buiten machte zijn om Hem werkelijk nadeel toe te brengen. Zonde wordt gezegd tegen God te zijn, omdat de zondaar het zo bedoelt, en zij tast Zijn eer aan, maar zij kan niets tegen Hem doen. De boosheid van de zondaren is machteloze boosheid, zij kan noch Zijn bestaan noch Zijn volmaaktheden vernietigen, Hem niet onttronen, Hem niet van Zijn macht en heerschappij beroven, Zijn rijkdom niet verminderen, Zijn vrede en Zijn rust niet verstoren, Zijn voornemens en bedoelingen niet verijdelen, geen afbreuk doen aan Zijn essentiële heerlijkheid. Job was dus in dwaling, toen hij zei: Welk voordeel zal ik ervan hebben om gereinigd te zijn van mijn zonde? vers 3. God heeft bij zijn reformatie, of verbetering, niets gewonnen, wie won er dan iets bij, indien niet hijzelf?
b. De diensten van de besten van de heiligen brengen Hem geen gewin aan, vers 7, Indien gij rechtvaardig zijt, wat geeft gij Hem? Hij heeft onze dienst niet van node, of, zo Hij het werk gedaan wil hebben, Hij heeft betere handen dan de onze tot Zijn beschikking. Onze Godsdienst voegt hoegenaamd niets toe aan Zijn gelukzaligheid. Het is er zover vandaan dat Hij ons iets verplicht is, dat wij aan Hem verplicht zijn door ons rechtvaardig te maken, en onze gerechtigheid aan te nemen, en daarom kunnen wij niets van Hem eisen en hebben wij geen reden tot klagen als wij niet hebben wat wij verwachten, maar wel om dankbaar te zijn dat het ons beter gaat dan wij verdienen.