Job 35:9-13
Elihu antwoordt hier op een ander woord dat Job gezegd heeft en dat, naar hij dacht, een blaam wierp op de gerechtigheid en goedheid van God, en dus niet zonder aanmerking voorbijgegaan mocht worden.
Merk op:
I. Wat het was, waarover Job klaagde, namelijk dat God geen acht gaf op het geroep van de verdrukten tegen de verdrukkers, vers 9 vanwege de veelheid van de verdrukkingen, de velerlei hardheden, die hoogmoedige tirannen armen lieden aandoen, en de wreedheid, waarmee zij hen behandelen, doen zij de onderdrukten roepen, maar het is tevergeefs. God verschijnt niet om hun recht te doen. Zij roepen, zij blijven roepen vanwege de arm van de groten, die zwaar op hen drukt. Dit schijnt te verwijzen naar de woorden van Job, Hoofdst. 24:12, Uit de stad zuchten de lieden, en de ziel van de verwonden schreeuwt tegen de verdrukkers, toch legt God hun geen dwaasheid op, rekent er niet voor af met hen. Dit is iets dat Job verbaast, hij weet niet wat er van te denken hoe dit overeen te brengen met de rechtvaardigheid van God en met Zijn regering. Is er een rechtvaardig God, en kan het wezen dat Hij zo traag is om te horen, zo traag is om te zien?
II. Hoe Elihu de moeilijkheid oplost. Als het geroep van de verdrukten niet gehoord wordt dan ligt de schuld niet aan God. Hij is bereid hen te horen en te helpen, maar de schuld ligt bij henzelf, zij bidden en ontvangen niet omdat zij kwalijk bidden, Jakobus 4:3. Zij schreeuwen vanwege de arm van de groten, maar het is een klagend geschreeuw, geen boetvaardig, biddend roepen, het schreeuwen van natuur en hartstocht, geen geroep van de genade. Zie Hosea 7:14. Zij roepen ook niet tot Mij met hun hart, wanneer zij huilen op hun legers. Hoe kunnen wij dan verwachten dat zij verhoord en geholpen zullen worden?
1. Zij vragen niet naar God, zoeken niet met Hem bekend te worden onder hun beproeving, vers 10. Maar niemand zegt: waar is God, mijn Maker. Beproevingen worden gezonden om ons te leiden en op te wekken om "naar God te vragen en Hem vroeg te zoeken," Psalm 78:34. Maar velen zuchten onder verdrukking en denken niet aan God, merken Zijn hand niet op in hun ellende, als zij dit wel deden, zij zouden hun rampen en moeilijkheden met meer geduld dragen en er meer zegen door ontvangen, er meer nut en voordeel van hebben. Van de velen, die beproefd en verdrukt worden, zijn er slechts weinigen, die het goede ontvangen dat zij door hun beproeving zouden kunnen ontvangen. Zij moest hen uitdrijven naar God, maar hoe zelden is dit het geval! Het is droevig om zo weinig Godsdienst te zien onder het arm en ellendig deel van het mensdom. Ieder klaagt over zijn rampen en benauwdheden, maar niemand zegt: Waar is God, mijn Maker? dat is: niemand heeft berouw van zijn zonden, niemand keert zich tot Hem die hem slaat, niemand zoekt het aangezicht en de gunst van God, en die vertroosting in Hem, die een tegenwicht zou zijn voor hun uitwendige beproevingen. Zij zijn geheel vervuld van de ellende van hun toestand, alsof datgene hen kon verontschuldigen, dat zij zonder God leven in de wereld, hetwelk hen moet aansporen om Hem vaster aan te kleven. Merk op:
a. God is onze Maker, de oorsprong van ons bestaan, en als zodanig moeten wij Hem beschouwen en gedenken, Prediker 12:1. God, mijne Makers, in het meervoud, hetgeen naar sommigen denken, zo niet een aanwijzing, maar dan toch een te kennen geven is van de Drieëenheid van personen in de eenheid van de Godheid: Laat ons mensen maken.
b. Het is dus onze plicht naar Hem te vragen. Waar is Hij, opdat wij Hem onze hulde brengen, onze afhankelijkheid van Hem erkennen en onze verplichtingen aan Hem? Waar is Hij, opdat wij ons tot Hem wenden om levensonderhoud en bescherming, wet en regel van Hem ontvangen ons geluk mogen zoeken in Zijn gunst, van wiens macht wij ons bestaan ontvangen hebben?
c. Het is te betreuren dat er zo weinig naar Hem gevraagd wordt door de kinderen van de mensen. Allen vragen: Waar is vrolijkheid? Waar is rijkdom? Waar kunnen wij een voordelige koop sluiten? Maar niemand vraagt: Waar is God, mijn Maker?
2. Zij slaan geen acht op de zegeningen, die zij genieten in en onder hun beproevingen, zijn er ook niet dankbaar voor, en daarom kunnen zij niet verwachten dat God hen verlossen zal uit hun benauwdheid.
A. Hij geeft ons innerlijke vertroosting en blijdschap onder onze uitwendige moeilijkheden, en wij behoren daar gebruik van te maken en Zijn tijd af te wachten voor het wegnemen van onze beproevingen. Hij geeft psalmen in de nacht, dat is: wanneer onze toestand nog zo donker is en nog zo treurig, is er datgene in God, in Zijn voorzienigheid en belofte, hetwelk volstaan kan, niet alleen om ons te ondersteunen, maar om ons te vervullen met blijdschap en vertroosting, en ons instaat te stellen om in alles God te danken en zelfs onder verdrukkingen ons te verblijden. Als wij ons blind staren op onze beproevingen, maar geen oog hebben voor de vertroostingen Gods, die ons zijn weggelegd, dan is het rechtvaardig in God om onze gebeden af te wijzen.
B. Hij behoudt ons het gebruik van ons verstand, vers 11, die ons geleerder maakt dan de beesten van de aarde, dat is: Hij heeft ons met edeler geestvermogens begiftigd dan hen, en heeft ons vatbaar gemaakt voor hogere genietingen en werkzaamheden, hier en voor eeuwig. Nu wordt hiervan melding gemaakt:
a. Als van hetgeen ons stof geeft tot dankzegging, zelfs onder de zwaarste last van de beproeving. Wat het ook zij, dat ons ontnomen is, wij hebben onze onsterflijke ziel, het juweel dat van meer waardij is dan geheel de wereld, zij is ons gelaten, want zelfs zij, die het lichaam doden, kunnen de ziel niet schaden. En indien onze beproevingen geen stoornis brengen in de uitoefening van haar vermogens, zodat wij het gebruik hebben van onze rede en de vrede genieten van onze consciëntie, dan hebben wij grotelijks reden om dankbaar te zijn, hoe zwaar en drukkend onze rampen ook zijn mogen.
b. Als een reden, waarom wij onder onze beproevingen naar God, onze Maker, zullen vragen en Hem zullen zoeken. Dit is de grootste voortreffelijkheid van het verstand, dat het ons bekwaam maakt voor Godsdienst, en hierin inzonderheid is het, dat ons meer geleerd is dan aan de beesten en het gevogelte, vers 11. Zij hebben een verwonderlijk instinct en grote schranderheid om hun voedsel te zoeken, hun medicijn en hun beschutting, maar geen hunner is instaat om te vragen: Waar is God, mijn Maker? Er is onder de redeloze dieren wel iets opgemerkt van logica, wijsbegeerte en staatkunde, maar nooit iets van Godgeleerdheid of Godsdienst, die dingen zijn alleen voor de mens. Indien dus de verdrukten alleen roepen vanwege de arm van de groten, en niet opzien tot God, dan doen zij niets meer dan de redeloze dieren (die klagen als men hun zeer doet) en zij vergeten het onderricht en de wijsheid, waardoor zij ver boven hen gesteld zijn. God geeft verlichting en hulp aan de redeloze dieren, omdat zij naar hun beste vermogen tot Hem roepen, Psalm 104:21, Hoofdst. 39:3. Maar welke reden hebben mensen om hulp te verwachten, die instaat zijn om naar God te vragen als hun Maker, en toch niet anders dan de redeloze dieren tot Hem roepen?
3. Zij zijn trots en onverootmoedigd onder hun beproevingen, die gezonden waren om hen te vernederen, en de hoogmoed voor hen te verbergen, vers 12. Daar roepen zij, daar schreeuwen zij tegen hun verdrukkers, en vullen de oren van allen, die hen omringen met hun klachten, niet schromende om zelfs over God en Zijn voorzienigheid te klagen, maar niemand antwoordt. God werkt geen verlossing voor hen, en de mensen slaan misschien niet veel acht op hen, en waarom? Het is vanwege de hoogmoed van de bozen, het zijn bozen, zij hebben naar ongerechtigheid gezien met hun hart, en daarom zal God hun gebed niet verhoren, Psalm 66:18, Jesaja 1:15. God verhoort zulke zondaren niet. Zij hebben zich misschien zelf in moeilijkheden gebracht door hun eigen goddeloosheid, zij zijn des duivels armen, wie kan dan medelijden met hen hebben? Maar dit is nog niet alles. Zij zijn nog hoogmoedig, daarom zoeken zij God niet, Psalm 10:4, of, indien zij tot Hem roepen, antwoordt Hij niet, omdat Hij alleen "de wens van de zachtmoedigen hoort," Psalm 10:17, en diegenen verlost door Zijn voorzienigheid, die Hij eerst door Zijn genade voor verlossing bereid en geschikt heeft gemaakt, en dat zijn wij niet, indien ons hart onder vernederende omstandigheden onverootmoedigd blijft. De zaak is dus duidelijk. Als wij tot God roepen om de wegneming van de verdrukking en beproeving, waaronder wij zuchten, en zij wordt niet weggenomen, dan is de reden niet dat des Heeren hand verkort is of Zijn oor zwaar is geworden, maar omdat de beproeving haar werk nog niet gedaan heeft, wij zijn nog niet genoegzaam verootmoedigd, en daarom hebben wij het onszelf te wijten dat zij nog aanhoudt.
4. Zij zijn niet oprecht met God, als zij zich tot Hem wenden in hun smekingen, en daarom hoort en verhoort Hij hen niet, vers 13. Gewis zal God de ijdelheid niet verhoren, dat is: het huichelachtig gebed, dat een ijdel gebed is, komende van geveinsde lippen. Het is ijdelheid te denken dat God het zal verhoren, die het hart doorgrondt en waarheid eist in het binnenste.