Job 34:31-37
In deze verzen:
I. Onderricht Elihu Job wat hij behoort te zeggen onder zijn beproeving, vers 31, 32. Hem bestraft hebbende voor zijn gemelijke, hartstochtelijke woorden, legt hij hem hier betere woorden in de mond. Als wij bestraffen voor hetgeen verkeerd is, dan moeten wij wijzen op en leiden tot hetgeen goed is, tot "de bestraffingen van de tucht" of des onderrichts, Spreuken 6:23. Hij legt het Job niet op om deze woorden te gebruiken, maar beveelt ze hem aan als hetgeen voegzaam zou zijn om te zeggen. In het algemeen: hij wenst dat hij berouw zal hebben van zijn wangedrag en zijn onbetamelijke uitdrukkingen onder zijn beproeving. Jobs andere vrienden hadden gewild dat hij zich een goddeloos man zou bekennen, en door te veel te eisen verkregen zij niets. Elihu wil hem slechts verplichten te erkennen dat hij in dit twistgeding onbedachtelijk had gesproken met zijn lippen. Laat ons hieraan denken bij het geven van bestraffing, en de zaak niet erger maken dan zij is, want het overdrijven in de voorstelling van de misdaad kan de vervolging ervan verijdelen. Elihu heeft de zaak juist getroffen en daarom slaagt hij. Hij beveelt Job aan:
1. Zich voor God te verootmoedigen om zijn zonden, en er de straf voor aan te nemen: "Ik heb Uw straf verdragen. Wat ik lijd is rechtvaardiglijk over mij gekomen, en daarom wil ik het dragen, en er niet slechts God in rechtvaardigen, maar ook Zijn goedheid erkennen." Velen worden gestraft, die de straf niet verdragen, haar niet goed en naar behoren verdragen en dus eigenlijk haar in het geheel niet verdragen. Boetelingen, die oprecht zijn, zullen alles wat God doet goed opnemen en zullen straf of kastijding dragen als een medische operatie, die goeds moet uitwerken.
2. God te bidden om hem zijn zonden bekend te maken, vers 32. "Hetgeen ik niet zie leer Gij mij. Heere, als ik mijn leven naga, dan vind ik veel verkeerds in mij, veel verkeerds dat ik gedaan heb, maar ik heb reden te vrezen dat er nog veel meer verkeerds is dan ik wel weet, erger gruwelen, die ik uit onwetendheid, dwaling of partijdige ingenomenheid met mijzelf nog niet zie, Heere, geef ze mij te zien, wek mijn geweten op om zijn plicht getrouwelijk te vervullen." Een Godvruchtig mens wil gaarne het ergste omtrent zichzelf weten, en inzonderheid onder beproeving begeert hij te weten waarom God met hem twist, en wat God bedoelt met hem te kastijden.
3. Beterschap te beloven, vers 31. Ik zal niet weer overtreden. "Heb ik onrecht gewrocht (of daar ik onrecht gewrocht heb) ik zal het niet meer doen, wat Gij ook voor verkeerds in mij ontdekt hebt, door Uw genade zal ik er naar streven om voortaan beter te doen." Hierin ligt een belijdenis opgesloten dat wij overtreden hebben, oprecht berouw en droefheid naar God hebben vanwege de overtreding, en een nederige onderwerping aan Gods wil en bedoeling in ons te kastijden, welke is: scheiding te maken tussen ons en onze zonden. Hier voltooit de boeteling zijn berouw, want het is niet genoeg smart te gevoelen vanwege onze zonden, wij moeten heengaan en niet meer zondigen, en evenals hier, ons verbinden door de band van een vast besluit om nooit meer terug te keren tot dwaasheid. Dit betaamt met een vast voornemen des harten gezegd te worden, en als plechtige gelofte tot God gezegd te worden.
II. Hij spreekt hem over zijn ontevredenheid en onrust onder zijn beproeving, vers 33. Wij zouden gaarne zien dat alles wat ons aanbelangt, zal gaan zoals wij het wensen, maar Elihu toont aan: 1. Dat het ongerijmd en onredelijk is om dit te verwachten. "Moet het naar uw zin zijn? vers 33. Neen, welke reden is daarvoor? Elihu spreekt hier met grote eerbied voor de Goddelijke wil en wijsheid en met voldoening of welbehagen erin. Het is hoogst voegzaam dat alles gaan zal naar Gods zin en wil. Elihu spreekt hier ook met rechtmatige minachting van de waan van hen, die hoogmoedig zijn en alles naar hun eigen zin zouden willen inrichten. Zal het naar uw zin zijn? Moeten wij altijd het goede hebben, waar ons hart naar uitgaat? Dan zouden wij anderen onrecht doen, en dwaselijk onszelf verstrikken. Moeten wij nooit beproefd worden, omdat wij er geen zin in hebben? Voegt het dat zondaren nooit iets te lijden hebben, dat leerlingen niet onder tucht zijn? Of indien wij wèl beproefd moeten worden, past het dan dat wij de roede zullen kiezen, waarmee wij gekastijd worden? Neen, het voegt dat alles naar Gods wil zijn zal, en niet naar onze wil, want Hij is de Schepper, en wij zijn schepselen. Hij is oneindig wijs en verstandig, wij zijn dwaas en kortzichtig, Hij is een van zin, wij zijn wispelturig.
2. Dat het geheel doelloos is dit te verwachten. "Hij zal vergelden, hetzij gij weigert of verkiest, vers 33. God zal Zijn eigen weg volgen, Zijn eigen raad volbrengen, en vergelding doen naar de uitspraak van Zijn eigen gerechtigheid, hetzij u dit behaagt of mishaagt. Hij zal noch om uw toestemming noch om uw raad vragen, maar wat Hem behaagt zal Hij doen. Daarom is het uw wijsheid om rustig te zijn, en een deugd te maken van de noodzakelijkheid, uw voordeel te doen met hetgeen is, omdat het niet in uw macht staat het te veranderen. Indien gij u vermeet te kiezen en te weigeren, dat is: aan God de wet voor te schrijven en u te verzetten tegen hetgeen Hij doet, ik zal dat niet doen, ik zal berusten in alles wat Hij doet, en daarom: spreek wat gij weet, zeg wat gij wilt doen, of gij tegenstand wilt bieden, of u wilt onderwerpen. De zaak ligt duidelijk voor u, kom tot een besluit, gij zijt in Gods hand, niet in de mijne.
III. Hij beroept zich op alle verstandige, onpartijdige lieden, of er niet zeer veel zonde en dwaasheid was in hetgeen Job gezegd heeft.
1. Hij wil dat de zaak grondig onderzocht en tot een beslissing gebracht zal worden, vers 36. "Mijn begeerte is dat Job beproefd zal worden tot het einde toe. Indien enigen het op zich willen nemen, om wat hij gezegd heeft te rechtvaardigen, laat hen het doen, indien niet zo laat ons allen overeenkomen, om er een eenstemmig getuigenis tegen in te brengen." Velen verstaan dit van zijn onderzocht worden door beproevingen. "Laat zijn beproevingen voortduren totdat hij geheel verootmoedigd is en zijn hoogmoedige geest naar beneden is gebracht, totdat hij zijn dwaling inziet en herroept wat hij zo vermetel en aanmatigend tegen God gezegd heeft en tegen Zijn voorzienigheid. Laat de beproeving aanhouden totdat het doel bereikt is."
2. Hij doet een beroep beide op God en de mens, en begeert het oordeel van beide er over.
A. Sommigen lezen vers 36 als een beroep op God. Mijn Vader, iaat Job beproefd worden. Zo heeft het de kanttekening, want hetzelfde woord betekent mijn begeerte en mijn vader, en sommigen onderstellen dat hij zijn ogen ophief toen hij dit zei, bedoelende: "Mijn Vader, die in de hemelen zijt, laat Job beproefd worden, totdat hij zich onderworpen heeft. Als wij bidden hetzij voor onszelf of voor anderen om zegen te ontvangen uit de beproeving, dan moeten wij God beschouwen als een Vader, omdat die beproevingen vaderlijke kastijdingen zijn en deel uitmaken van de opvoeding, die wij als Zijn kinderen opvangen, Hebreeën 12:7 B. Hij beroept zich op hen, die daar tegenwoordig waren, vers 34.4) Laat de lieden van verstand mij zeggen of zij aan Jobs woorden een gunstiger verklaring kunnen geven dan ik er aan gegeven heb, en of hij niet zeer slechte woorden gesproken heeft en "Peccavi-ik heb verkeerd gedaan," behoort te roepen. Hij dacht dat uit hetgeen Job gezegd had bleek:
a. Dat hij zichzelf niet goed begreep, maar zeer dwaselijk had gesproken, vers 35. Hij kan niet zeggen dat Job zonder kennis en wijsheid is maar in deze zaak heeft hij niet met wetenschap gesproken, en wat zijn hart ook moge zijn, zijn woorden zijn niet met kloek verstand geweest. Wat hij gezegd heeft tot zijn vrouw, kan nu ook tot hem gezegd worden: Gij spreekt als een van de zotten spreekt, en om dezelfde reden: Zouden wij het goede van God ontvangen, en het kwade niet ontvangen? Hoofdst. 2:10.
b. Soms behoeven en verdienen wij dezelfde bestraffingen, die wij aan anderen gegeven hebben. Zij, die Gods wijsheid afkeuren, maken in werkelijkheid hun eigen wijsheid te schande. Dat hij geen behoorlijke eerbied had voor God, maar goddelooslijk had gesproken. Indien hetgeen hij zei tot de einde toe beproefd wordt, dat is: indien men er de ergste uitlegging aan geeft, dan zal bevonden worden:
Ten eerste. Dat hij de partij heeft genomen van Gods vijanden. Zijn antwoorden waren voor de goddelozen dat is: wat hij gezegd heeft, heeft de strekking om de handen te sterken en het hart te verharden van goddeloze mensen in hun goddeloosheid, daar hij hun voorspoed besprekende, veel verder gegaan was dan nodig was. Laat goddeloze mensen, evenals Baäl, voor zichzelf twisten, zo zij er lust in hebben, maar verre zij het van ons om voor hen te antwoorden, of iets tot hun gunste te zeggen.
Ten tweede. Dat hij Gods vrienden beledigd heeft, als het ware de meester over hen heeft gespeeld. Hij heeft onder ons in de handen geklapt, vers 37, en als hij niet ten einde toe beproefd en wezenlijk verootmoedigd wordt, dan zal hij al meer en meer beledigend worden, alsof hij de overwinning had behaald en ons allen tot zwijgen had gebracht. Slecht te spreken is al erg genoeg, maar in de handen te klappen, en er in te roemen als wij het gedaan hebben, alsof dwaling en hartstocht de overwinning hadden behaald, dat is nog veel erger.
Ten derde. Dat hij tegen God zelf had gesproken, en door te blijven bij hetgeen hij gezegd had, tot zijn zonde nog rebellie gevoegd heeft, vers 37. Te spreken, al is het ook maar een enkel woord, tegen God, door wie wij spreken en voor wie wij behoorden te spreken, is een grote zonde, wat is het dan om de redenen tegen God te vermenigvuldigen, alsof wij Hem wilden overbluffen? Wat is het om ze te herhalen, inplaats van ze te herroepen? Zij, die gezondigd hebben en, als zij tot berouw en bekering worden geroepen, aldus in gemelijkheid voortgaan, voegen rebellie tot hun zonde, en maken haar aldus uiterst zondig.