Job 34:16-30
Hier richt Elihu zich meer bijzonder tot Job. Hij had tot de overigen gesproken als tot lieden van verstand, nu hij tot Job spreekt, gebruikt hij een indien of zo ten opzichte van zijn verstand. Zo er dan verstand bij u is, hoor dit, en merk het op, vers 16.
I. Hoor dit: dat er met God niet getwist moet worden over iets dat Hij doet. Het is vermetele aanmatiging om Gods handelingen aan te klagen en te veroordelen, zoals Job door zijn misnoegdheid gedaan heeft. Het was:
1. Even ongerijmd als het zou wezen om iemand tot macht te bevorderen, die een verklaard vijand is van gerechtigheid: Zal hij, die het recht haat, regeren? vers 17. De rechtvaardige Heere heeft de gerechtigheid zo lief dat in vergelijking met Hem, van Job zelf hoewel hij een oprecht en vroom man is, gezegd zou kunnen worden dat hij het recht haat, en zal hij dan regeren? Zal hij God willen besturen of verbeteren wat Hij gedaan heeft? Zullen onrechtvaardige schepselen als wij de wet voorschrijven aan de rechtvaardige God? Of moet Hij zich naar ons regelen? Als wij denken aan het bederf van onze natuur en de tegenstand, die er in ons is tegen de eeuwige regel van de billijkheid, dan moeten wij wel zien hoe onbeschaamd en goddeloos het in ons is om God de wet te willen voorschrijven.
2. Het was even ongerijmd als het wezen zou om een zeer rechtvaardig, onschuldig man voor het gerecht te dagen en vonnis over hem te vellen, hoewel het bij het gerechtelijk onderzoek ten duidelijkste is gebleken dat hij zeer rechtvaardig was. Zoudt gij de zeer rechtvaardige verdoemen? Hem, die rechtvaardig is in al Zijn wegen en niet anders kan dan zeer rechtvaardig zijn?
3. Nog ongerijmder en onbetamelijker zou het zijn om tot een soeverein te zeggen: Gij Belial, en tot de rechters, de prinsen, gij zijt goddeloos, vers 18. Dit zou beschouwd worden als een onduldbare belediging van de majesteit en van de overheid, geen koning, geen prins zou het verdragen. Ten gunste van de regering nemen wij aan dat het oordeel dat zij uitspreken recht is, tenzij duidelijk het tegendeel blijkt, maar wat wij ook mogen denken: het voegt niet dat wij een koning in zijn aangezicht zeggen dat hij goddeloos is. Nathan heeft David bestraft door een gelijkenis. Maar wat ook een hogepriester of een profeet hebben mogen doen, voor een gewoon onderdaan past het niet om zo vrijmoedig te spreken tot de gestelde machten. Hoe ongerijmd is het dan niet om aldus tot God te spreken! Hem ongerechtigheid toe te schrijven die niemands aangezicht aanneemt en dus niet in verzoeking is iets onrechtvaardige te doen! Hij neemt het aangezicht van de vorsten niet aan, en kent de rijke niet voor de arme, en daarom voegt het dat Hij zal regeren en voegt het niet dat wij Hem bedillen. Rijken en armen staan voor God op dezelfde bodem. Een rijk, aanzienlijk man zal er om zijn rijkdom en grootheid niet te beter om varen of enigerlei gunst vinden, en het zal er de arme wegens zijn armoede niet te slechter om gaan, noch in een eerlijke zaak hem verloren doen gaan. Nu Job arm is, zal hij evenveel gunst vinden bij God als toen hij rijk was, want allen, rijken en armen, zijn het werk van Zijn handen. Hun persoon is dit, de arme is door dezelfde hand en uit dezelfde stof gemaakt als de rijke, Hun toestand is dit, de armen zijn arm gemaakt door Gods voorzienigheid, zowel als de rijken er rijk doorgemaakt zijn, en daarom zal het de armen niet slechter gaan om hetgeen hun lot, niet hun schuld is. II. Hoor dit: dat God erkend moet worden in alles wat Hij doet, en dat wij ons in alles wat Hij doet aan Hem hebben te onderwerpen. Elihu biedt aan Job verscheiden dingen ter overweging aan, ten einde grote en hoge gedachten van God in hem te verwekken en hem aldus te bewegen om zich aan Hem te onderwerpen en niet langer met Hem te twisten.
1. God is almachtig, en kan met de sterksten van de mensen handelen als Hij in het gericht met hen treedt, vers 20. Zelfs het volk, het gehele lichaam van een natie, hoe talrijk ook, zal beroerd, overhoop geworpen, in wanorde worden gebracht, als het Gode behaagt zelfs de machtige, de vorst, hoe hoog en achtbaar hij zij en hoe geducht onder de mensen, zal, als God het woord spreekt, weggerukt worden van de troon, ja weggenomen worden uit het land van de levenden, zij zullen sterven, zullen voorbijgaan. Wat kan Hij niet doen, die al de machten des doods onder Zijn bevel heeft? Let op het plotselinge van deze verwoesting: In een ogenblik sterven zij. Het is geen werk van tijd voor God om Zijn trotse vijanden naar beneden te brengen als het Hem behaagt is dit spoedig gedaan. Hij is ook niet verplicht hen te waarschuwen, neen, zelfs geen uur van tevoren: In deze nacht zal uw ziel van u geëist worden. Let op de tijd ervan: Zelfs te middernacht wordt een volk geschud dat het vergaat, als zij gerust en zorgeloos zijn en niet instaat om zich te redden, zoals de Egyptenaren toen hun eerstgeborenen gedood werden. Dit is het onmiddellijke werk van God, zij worden weggenomen, zonder hand, onmerkbaar, door verborgen oordelen. God kan zelf de grootste tiran vernederen zonder de hulp van enig mens. Welke hand Hij soms ook gebruikte om Zijn doeleinden tot stand te brengen, Hij heeft er geen nodig, maar kan het doen zonder hand. Het is ook maar niet een enkele machtige, die Hij aldus kan terneder werpen, maar gehele scharen van hen, vers 24. Hij vermorzelt de geweldigen zonder getal, want generlei verenigde macht is bestand tegen de almacht. Maar als God tirannie vernietigt, dan bedoelt Hij daarmee geen anarchie, indien zij naar beneden gerukt worden, die slecht regeerden, dan volgt daar niet uit dat de volken geen heersers, geen regeerders moeten hebben, want als Hij de geweldigen verplettert, dan stelt Hij anderen in hun plaats, die beter zullen regeren, of zo zij dit niet doen, dan werpt Hij ook hen in de nacht terneder, Hij keert hen om en zij worden verbrijzeld, vers 25. Getuige Belsazar. Of, indien Hij hun tijd wil laten om zich te bekeren, dan vernietigt Hij hen niet terstond, maar klopt hen tezamen als goddelozen in een plaats waar aanschouwers zijn, vers 26. Het een of ander vernederend oordeel wordt over hen gebracht, deze goddeloze heersers worden getroffen als andere goddelozen, even gewis en even ontzettend, getroffen in hun lichaam, hun bezittingen, hun huisgezin of geslacht, en dit ter waarschuwing van hun naburen. De slag wordt toegebracht "in terrorem-ter verschrikking van anderen," en daarom wordt hij toegebracht ten aanschouwe van anderen, opdat ook zij mogen zien en vrezen, en sidderen voor de gerechtigheid van God. Indien koningen niet voor Hem bestaan, hoe zullen wij dan voor Hem bestaan!
2. God is alwetend en kan het meest verborgene ontdekken. Gelijk de sterksten Zijn arm niet kunnen weerstaan, zo kunnen de listigsten niet aan Zijn oog ontkomen. Als daarom sommigen ongestraft blijven, dan betaamt het ons om, inplaats van er met God over te twisten, het toe te schrijven aan een verborgen reden, die alleen aan God bekend is. Want:
A. Zijn ogen zijn op ieders wegen, vers 21. Alle dingen zijn naakt en geopend voor Hem. De mensen zijn niet slechts binnen het bereik van Zijn oog, zodat Hij hen kan zien, maar Zijn oog is op hen, zodat Hij hen werkelijk ziet en gadeslaat. Hij ziet ons allen, ziet al onze gangen, waar wij ook heengaan, overal zijn wij onder Zijn oog. Al onze daden, goede en slechte, worden gezien en als het ware door Hem opgetekend, en zij worden bewaard om in het gericht te worden gebracht als de boeken geopend zullen worden.
B. Niets is, niets kan voor Hem verborgen zijn, vers 22. Daar is geen duisternis, en daar is geen schaduw des doods, zo dicht of zo dik, zo eenzaam of zo ver verwijderd van het licht en van het gezicht, dat de werkers van de ongerechtigheid er zich in zouden kunnen verbergen voor het ontdekkende oog en de wrekende hand van de rechtvaardige God.
Merk hier op:
a. De werkers van de ongerechtigheid zouden zich willen verbergen, indien zij konden, voor het oog van de wereld uit schaamtegevoel, en voor het oog van God uit vrees zoals Adam in het midden van het geboomte des hofs. De dag komt, wanneer de groten en de rijken en de oversten over duizend en de machtigen tot de bergen en de steenrotsen zullen roepen om hen te verbergen.
b. Zij zouden gaarne zelfs door de schaduw des doods verborgen worden, verborgen worden in het graf en daar voor eeuwig sterven, liever dan voor de rechterstoel van Christus te verschijnen.
C. Het is ijdel om te denken Gods gerechtigheid te kunnen ontvlieden, of ons te kunnen verbergen als Zijn toorn ons vervolgt. De werkers van de ongerechtigheid kunnen wegen en middelen vinden om zich te verbergen voor de mensen, maar niet voor God. Hij kent hun werken, vers 25, Hij weet zowel wat zij doen als wat zij voornemens zijn.
3. God is rechtvaardig, en in alles wat Hij doet, handelt Hij naar de regelen van de billijkheid. Zelfs als Hij de geweldigen omkeert en hen vermorzelt, legt Hij de mens toch niet te veel op, vers 23. Gelijk Hij de onschuldigen niet zal straffen, zo zal Hij de schuldigen niet meer opleggen dan zij verdienen, of naar de verhouding is tussen de zonde en de straf. De oneindige Wijsheid zal de rechter wezen. Hij zal niemand reden geven om te klagen dat Hij hard met hem handelt, ook zal niemand in het gericht treden met God, of een beschuldiging tegen Hem inbrengen. Indien hij het wel doet, dan zal God rechtvaardig zijn in Zijn spreken en rein in Zijn richten. Daarom was Job zeer te laken wegens zijn klachten over God, en wordt hem goed geraden om zijn aanklacht maar te laten vallen, daar hem voorzeker geen rechtsingang zal worden verleend. Het past geen mens om ooit met de Almachtige in het gericht te treden, zo lezen sommigen dit vers. Job heeft dikwijls gewenst zijn zaak bij God te bepleiten, Elihu zegt: "Waartoe zou het dienen? Het oordeel, dat nopens u is uitgesproken, zal gewis bevestigd worden, er kan geen vergissing, geen dwaling in worden gevonden, het zal dus toch moeten blijven zoals het is." Alles is goed wat God doet, en zal aldus worden bevonden. Om te bewijzen dat God, als Hij de geweldigen vermorzelt en hen tezamen klopt als goddelozen, hun niet te veel oplegt, toont hij wat hun goddeloosheid was, vers 27, 28, laat men dit nu vergelijken met hun straf, en dan oordelen of zij het al of niet hebben verdiend. In korte woorden: deze onrechtvaardige rechters, die God rechtvaardiglijk zal richten, hebben God niet gevreesd en geen mens ontzien, Lukas 18:2..
a. Zij waren rebellen tegen God, zij waren van achter Hem afgeweken, hebben Zijn vrees van zich afgeworpen, zelfs het denken aan Hem opgegeven, want zij hebben op geen van Zijn wegen acht gegeven, vers 27, en evenmin hebben zij acht gegeven op Zijn geboden en de leiding van Zijn voorzienigheid, maar hebben zonder God in de wereld geleefd. Dit is op de bodem van al de goddeloosheid van de goddelozen: zij wijken van achter God, en het is omdat zij geen achtgeven, niet omdat zij het niet kunnen, maar omdat zij het niet willen. Van onbedachtzaamheid komt goddeloosheid, en vandaar alle onzedelijkheid.
b. Zij waren tirannen van geheel het mensdom, vers 28. Zij willen niet tot God roepen voor zichzelf, maar zij doen het geroep van de armen tot Hem komen en dat geroep is tegen hen. Zij schaden en verdekken de armen, doen hun onrecht, verpletteren hen, maken hen nog armer dan zij zijn, en voegen nog smart toe aan hen, die reeds beproefd zijn, en deze roepen tot God, brengen hun klacht tot Hem, en Hij verhoort hen en verdedigt hun zaak. De toestand van hen, die de gebeden en tranen van de armen tegen zich hebben is zeer hachelijk wand het geroep van de verdrukten zal vroeg of laat wraak doen nederkomen op het hoofd van de verdrukkers, en niemand kan zeggen dat hem dan te veel opgelegd wordt. Exodus 22:23.
4. God heeft een onbetwistbare heerschappij over al de zaken van de kinderen der mensen, en bestuurt alle zaken zowel van gemeenten, staten of particuliere personen zo, dat gelijk wat Hij bedoelt en voorneemt niet verijdeld kan worden, wat Hij doet ook niet veranderd kan worden, vers 29.
Merk op:
a. De donkere, dreigende blikken van de wereld kunnen hen niet beroeren, op wie God goedkeurend en vriendelijk nederziet. Als Hij stilt, wie zal dan beroeren? Dit is een uitdaging, gericht tot al de machten van hel en aarde, een tarten om hen te ontrusten, tot wie God van vrede spreekt, en voor wie Hij vrede schept. Indien God uitwendige vrede geeft aan een volk, dan kan Hij wat Hij geeft beveiligen, en aan de vijanden ervan de macht benemen om er enigerlei onrust aan te veroorzaken. Indien God aan een particulier persoon inwendige vrede schenkt, de kalmte en blijvende verzekerdheid die de uitwerking zijn van rechtvaardigheid, dan kunnen noch de beschuldigingen van Satan, noch de beproevingen van deze tegenwoordige tijd, noch zelfs de banden des doods beroeren. Wat kan hen ongerust maken, wier ziel vernacht in het goede, gerust is in God? Zie Filipp. 4:7.
b. De glimlachjes van de gehele wereld kunnen diegenen geen kalmte of gerustheid geven, die beroerd worden omdat God hen toornig aanziet, want als Hij in misnoegen Zijn aangezicht verbergt en de troost van Zijn gunst terughoudt, wie zal Hem dan aanschouwen? Dat is: Wie kan een misnoegd God aanschouwen en bestand zijn tegen Zijn toorn of die afwenden? Wie kan Hem Zijn aangezicht doen tonen als Hij besluit het te verbergen, of heenzien door de wolken en de donkerheid, die rondom Hem zijn? Of wie kan een ontrust zondaar aanschouwen en hem wezenlijke hulp en verlichting toebrengen? Wie kan een vriend zijn van hem, van wie God een vijand is? Niemand kan de ellende van de uitwendige toestand verlichten zonder God. "Indien de Heere u niet helpt, waarvan zou ik u helpen?" 2 Koningen 6:27. K En evenmin kan iemand de ellende, de benauwdheid van de geest verlichten tegen God en Zijn verschrikkingen? Als God aan een schuldig geweten het besef geeft van Zijn toorn, dan is al de troost, die het schepsel kan bieden, krachteloos. "Liedekens bij een treurig hart zijn als edik op salpeter." Het onweerstaanbare van Gods werkingen moet erkend worden in de handelingen Gods zowel in gemeenten als in particuliere personen. Wat Hij doet tegen een geheel volk of tegen een bijzonder persoon, kan niet in bedwang worden gehouden. Zijn voorzienigheid bestuurt machtige koninkrijken zowel als de aangelegenheden van de geringste persoon. De kracht van geheel een volk kan Zijn macht niet weerstaan en de kleinheid van een enkel persoon aan Zijn kennisneming niet ontsnappen, maar wat Hij doet zal krachtdadig en op zegevierende wijze gedaan worden.
5. God is wijs en zorgzaam voor het openbare welzijn, en daarom zorgt Hij er voor dat de huichelachtige mens niet regere, opdat het volk niet worde verstrikt, vers 30. Zie hier:
a. De hoogmoed van de huichelaars, zij bedoelen te heersen, de lof van de mensen en macht in de wereld zijn het loon, dat zij op het oog hebben en waarnaar zij streven.
b. De staatkunde van de tirannen: als het hun doel is zich te verheffen, dan maken zij soms gebruik van de Godsdienst als een dekmantel voor hun eerzucht en door hun huichelarij komen zij op de troon.
c. Het gevaar, waarin het volk verkeert als huichelaars regeren, het zal waarschijnlijk verstrikt worden in zonde of beroering, of in beide. Macht in de handen van veinsaards is dikwijls verderflijk voor de rechten en vrijheden van een volk, die hun gemakkelijker door list dan door geweld ontnomen worden. Veel kwaad is ook gedaan aan de kracht van de Godzaligheid onder een voordoen van de gedaante ervan. De zorg van de Goddelijke voorzienigheid voor het volk om dit gevaar te voorkomen, opdat de huichelachtige mens niet regere, hetzij in het geheel niet regere of niet lang regere. Indien God genade heeft weggelegd voor een volk, dan zal Hij of de opkomst, de verheffing, van huichelachtige regeerders voorkomen, of hun val verhaasten.