Job 33:1-7
Elihu gebruikt hier verscheidene argumenten om Job te bewegen hem geduldig aan te horen, te geloven dat hij hem een goede dienst wil doen, en de onderrichtingen te willen ontvangen, die hij hem nu zal geven. Laat Job bedenken:
1. Dat Elihu zich niet bij zijn drie vrienden voegt, zich niet met hen tegen hem verenigt, In het vorige hoofdstuk heeft hij zijn afkeer te kennen gegeven van hun wijze van handelen, hun onderstelling verworpen en de methode die zij aangewend hebben om Job te genezen ter zijde gezet. "Daarom, o Job, hoor toch mijn redenen," vers 1. Allen hebben zij in dezelfde toon gesproken, maar ik zal het op een andere wijze beproeven, daarom neem al mijn woorden ter ore, en niet slechts sommigen er van", want wij kunnen over een rede niet oordelen, tenzij wij haar in haar geheel nemen, en haar teneinde toe aanhoren.
2. Dat hij voornemens was er een plechtige zaak van te maken, niet maar hier en daar een woord zou zeggen, niet maar een kort, snedig antwoord zou geven om zijn geest, zijn vernuft aan de dag te leggen. Na een lang stilzwijgen opende hij zijn mond, vers 2, met bedachtzaamheid en bedoeling, na er rijpelijk over nagedacht te hebben, was hij reeds begonnen te spreken, en hij was bereid voort te gaan, indien Job hem door zijn aandacht er toe aanmoedigde.
3. Dat hij besloten was te spreken zoals hij dacht en niet anders, vers 3. "Mijne redenen zullen de oprechtheid mijns harten uitspreken, zij zullen het echte product zijn van mijn overtuiging en mijn gevoelen." Er was reden om te vermoeden dat Jobs drie vrienden in hun hart en geweten niet gedacht hebben dat hij zo'n slechte man was, als zij hem, bloot om hun veronderstelling te steunen, in hun redenen hadden voorgesteld, en dat was niet eerlijk. Het is slecht en laag om diegenen te veroordelen met onze tong, van wie wij in ons hart toch eigenlijk goede gedachten koesteren, alleen maar om er het een of andere doel door te bereiken. Elihu is een eerlijk man en versmaadt het om dit te doen.
4. Dat hetgeen hij zeggen ging gemakkelijk te begrijpen zal zijn, en niet duister en moeilijk om te verstaan. Mijn lippen zullen wetenschap duidelijk uitspreken, vers 3. Job zal zijn bedoeling gemakkelijk vatten, en bemerken wat zijn oogmerk is. Zij, die van de dingen Gods spreken, behoren zorgvuldig alle duisterheid en verwardheid te vermijden zowel in denkbeelden als in wijze van uitdrukking en zo helder en duidelijk te spreken als zij slechts kunnen, want hieruit zal blijken dat zij zelf verstaan hetgeen waarvan zij spreken, dat zij eerlijke bedoelingen hebben, en de stichting beogen van hen, tot wie zij spreken.
5. Dat hij in zijn rede het beste gebruik zou maken van het verstand, dat God hem gegeven heeft, dat leven, die redelijke ziel, die hij van de Geest Gods en de adem des Almachtigen had ontvangen, vers 4. Hij erkent zich onbekwaam om met hen, die ouder in jaren zijn in het strijdperk te treden, maar toch wenst hij, dat zij zijn jonkheid niet zullen verachten omdat hij Gods werk is, zowel als zij, gemaakt door dezelfde hand, begiftigd met dezelfde edele krachten en vermogens, en bestemd voor hetzelfde grote doeleinde, waarom mag dan God, die hem gemaakt heeft, hem niet als een werktuig ten goede gebruiken voor Job? Met deze overweging behoren wij ook onszelf op te wekken (en misschien heeft Elihu er dit gebruik van gemaakt) om, naar de gaven en bekwaamheden, die ons gegeven zijn, goed te doen in onze plaats, God heeft ons gemaakt en ons leven gegeven, en daarom moeten wij er ons op toeleggen om ons leven nuttig te besteden, het door te brengen in de verheerlijking van God en het dienen van ons geslacht naar Zijn wil, opdat wij beantwoorden aan het doel van onze schepping, en er niet gezegd worde, dat wij tevergeefs geschapen zijn.
6. Dat hij zeer gaarne zal willen horen wat Job tegen hetgeen hij zal zeggen kan hebben in te brengen, vers 5. "Zo gij kunt, antwoord mij, Indien er nog veel kracht en moed in u is overgebleven, indien gij door uw ziekte niet geheel zijt uitgeput, schik uw woorden voor mijn aangezicht, breng ze in geregelde orde, en er zal de aandacht aan geschonken worden, die hun toekomt." Zij, die met verstand kunnen spreken, zullen ook naar rede willen horen.
7. Dat hij dikwijls verlangd had naar een die als voor God met hem spreekt, bij wie hij zich met alle vrijmoedigheid kon uiten, en aan wie, als scheidsrechter, hij de zaak kon voorleggen en zo een wilde Elihu zijn vers 6. Ik ben overeenkomstig uw wens in de plaats van God. Hoe zielroerend heeft Job gewenst, Och mocht men rechten voor een man met God! Hoofdst. 16:21, en Hoofdst. 23:3. Och of ik wist waar hem te vinden! Slechts dit beding wilde hij maken, dat zijn verschrikking hem niet verbaasd zal maken, Hoofdst. 13:21. "Welnu," zegt Elihu, "zie voor ditmaal op mij, als zijnde in de plaats van God, ik zal het op mij nemen om Zijn zaak bij u te bepleiten en u aan te tonen, waarin gij Hem beledigd hebt en wat Hij tegen u heeft, en zo gij klachten bij God hebt in te brengen, breng ze bij mij in."
8. Dat hij geen ongelijke partij voor hem was, Uit het leem ben ik ook afgesneden, ik, zowel als de eerste mens, Genesis 2:7, ik, zowel als gij." Job had dit bij God aangevoerd als een reden, waarom Hij niet hard met hem zou handelen, Hoofdst. 10:9. Gedenk toch, dat Gij mij als leem bereid hebt. "Ik" zegt Elihu, "ben uit leem bereid zowel als gij," geformeerd uit hetzelfde leem, zoals sommigen dit lezen. Het is goed voor ons allen om te bedenken dat wij uit het leem bereid zijn, en het is wèl voor ons, dat zij, die bij ons in de plaats van God zijn, dit ook zijn, dat Hij tot ons spreekt door mensen, gelijk wij zelf zijn, Deuteronomium 5:24. God heeft wijselijk de schat gelegd in aarden vaten, gelijk wij zelf zijn, 2 Corinthiers 4:7.
Eindelijk. Dat hij geen reden zal hebben om verschrikt te zijn door de aanval, die hij op hem zal doen, vers 7. Mijne verschrikking zal u niet beroeren."
a. "Zoals uw vrienden u beroerd hebben door hun redenen, ik zal u niet smaden, zoals zij u gesmaad hebben, noch zulke zware beschuldigingen tegen u inbrengen."
b. "Zoals God doen zou, indien Hij verscheen om met hem in het gericht te treden. Ik sta met u op gelijke bodem, ben van dezelfde stof gemaakt als gij en daarom kan ik die verschrikking niet over u brengen, die gij met recht van de verschijning van de Goddelijke majesteit zoudt duchten." Als wij de mensen tot overtuiging willen brengen, dan moet het geschieden door met hen te redeneren, niet door hen te verschrikken, door goede argumenten, niet door dreigementen of geweld.