Job 32:6-14
Elihu blijkt een man te wezen:
I. Van grote bescheidenheid en ootmoed. Hoewel hij een jong man was van grote gaven, was hij toch niet verwaand of vrijpostig, zijn aangezicht glinsterde, maar evenals Mozes wist hij het niet, waardoor het zoveel helderder blonk. Laat het opgemerkt worden door allen, maar inzonderheid door jonge lieden, als wel waardig om door hen nagevolgd te worden:
1. Welk een mistrouwen hij had van zichzelf en van zijn eigen oordeel, vers 6. "Ik ben minder van dagen, daarom heb ik geschroomd en gevreesd ulieden mijn gevoelen te tonen, uit vrees van mij te vergissen of iets te doen, dat mij niet betaamt." Hij had zo nauwkeurig gelet op alles wat er voorviel, en zoveel aandacht geschonken aan hetgeen hij had gehoord, dat hij er zich een oordeel over had gevormd, maar hoe duidelijk de zaak nu ook voor hem was, toch schroomde hij zich erover uit te spreken, omdat hij in gevoelen verschilde met hen, die ouder waren dan hij. Het betaamt ons om mistrouwig te zijn omtrent ons eigen oordeel, onze eigen mening in zaken waarover verschil van gevoelen bestaat, ras te zijn om het gevoelen van anderen te horen, en traag om het onze uit te spreken, inzonderheid als wij tegen het oordeel ingaan van hen, voor wie wij ten opzichte van Godsvrucht en geleerdheid met recht hoge eerbied koesteren.
2. Welk een eerbied hij betoonde aan zijn meerderen in jaren, en welke grote verwachtingen hij van hen koesterde, vers 7. Ik zei: Laat de dagen spreken. Ouderdom en ervaring geven de mens een groot voordeel in het beoordelen van de dingen, daar zij hem van zoveel temeer stof voorzien voor zijn gedachten, en zijn geestvermogens rijpen en scherpen, waarmee hij die stof verwerken moet, en dit is een goede reden, waarom oude lieden zich moeite moeten geven om zelf te leren en om anderen te onderwijzen (want anders is hun grijsheid een schande voor hen) en waarom jonge lieden hun onderricht moeten ter harte nemen. Het is kostelijk om bij een oude discipel tehuis te liggen, Handelingen 21:16, Titus 2:4.
Elihu's bescheidenheid bleek in de geduldige aandacht, die hij schonk aan hetgeen zijn oudere vrienden zeiden, vers 11, 12. Hij wachtte op hun woorden als iemand, die veel ervan verwachtte, overeenkomstig het gevoelen, dat hij van deze achtbare mannen koesterde. Hij luisterde naar hun redenen, teneinde hun bedoeling te weten en volkomen te begrijpen wat er de strekking van was, en wat de kracht was van hun argumenten, hij luisterde naar hen met grote zorgvuldigheid, en dat wel:
A. Niettegenstaande zij langzaam waren, zeer veel tijd vereisten om hun redenen uit te zoeken, dikwijls naar stof en naar woorden moesten zoeken, ophielden van spreken, aarzelden, niet met hun werk gereed waren. Doch hij zag dit voorbij en luisterde naar hun redenen die, zo zij werkelijk overtuigend waren, er door hem niet minder om geacht zouden worden vanwege het gebrekkige van de voordracht,
B. Hoewel zij beuzelden en geen hunner Jobs woorden beantwoordde, noch zei wat geschikt was om hem te overtuigen, luisterde hij er toch naar met grote aandacht in de hoop dat zij eindelijk iets tot stand zouden brengen. Wij moeten dikwijls gewillig zijn om te luisteren naar hetgeen waar wij niet van houden, want anders kunnen wij niet alle dingen onderzoeken. Zijn geduldig luisteren naar hun redevoeringen voert hij aan: a. Als hetgeen waardoor hij recht kreeg op vrijheid van spreken op zijn beurt, en om hun aandacht te vragen. "Hanc veniam petimusque damusque vicissim-Deze vrijheid vragen wij van en geven wij aan elkaar." Zij, die gehoord hebben mogen spreken, en zij die geleerd hebben mogen onderwijzen.
b. Als hetgeen hem in staat stelde om een oordeel uit te spreken over hetgeen zij gezegd hadden. Hij had opgemerkt wat zij beoogden, en daarom wist hij er wat van te zeggen. Laat ons eerst volkomen bekend worden met het gevoelen van onze broederen, eer wij hen laken, want hij die antwoord geeft eer hij zal gehoord hebben, of als hij slechts ten halve gehoord heeft, dat is hem dwaasheid en schande, en doet hem kennen als ongepast en heerszuchtig.
II. Hij schijnt een man geweest te zijn van groot verstand en moed, en die evengoed wist wanneer en hoe te spreken als wanneer en hoe te zwijgen. Ofschoon hij zoveel eerbied had voor zijn vrienden, dat hij hen door zijn spreken niet in de rede is gevallen, had hij toch zoveel eerbied voor waarheid en gerechtigheid, dat hij hun niet ontrouw was door zijn zwijgen. Stoutmoedig voert hij aan:
1. Dat de mens een redelijk schepsel is, en dat dus iedere mens voor zichzelf zijn bescheiden oordeel heeft, weshalve hem de vrijheid moet gegeven worden om het uit te spreken. Hij bedoelt hetzelfde wat Job bedoeld heeft Hoofdst. 12:3 :Ik heb ook een verstand zoals gijlieden, als hij zegt: daar is een geest in de mens, vers 8. Slechts drukt hij het met wat meer bescheidenheid uit, dat de ene mens verstand heeft zo goed als de andere, en niemand er aanspraak op kan maken het monopolie van de rede te bezitten, of er de alleenhandel van voor zich kan opeisen. Indien hij bedoeld had: ik heb openbaring, zo goed als gij (zoals sommigen het opvatten) dan had hij dit moeten bewijzen, maar indien hij slechts bedoelde: ik heb verstand zo goed als gij, dan kunnen zij dit niet ontkennen, want het is de eer van ieder mens, en het is geen aanmatiging om er aanspraak op te maken, en zij konden ook de gevolgtrekking, die hij er uit afleidde, niet tegenspreken, vers 10, daarom hoor naar mij. Leer hieruit:
a. Dat de ziel een geest is, noch zelf stoffelijk noch van stof afhankelijk, maar instaat om met geestelijke dingen om te gaan, hetgeen de voorwerpen van de zinnen niet zijn.
b. Dat het een geest is, die verstaat of begrijpt. Hij is instaat om waarheid te ontdekken en aan te nemen, er over te redeneren en dienovereenkomstig te besturen en te heersen.
c. Deze geest van verstaan of begrijpen is in ieder mens, het is een licht hetwelk verlicht een iegelijk mens, Johannes 1:9.
d. Het is de inblazing des Almachtigen, die ons dit verstand geeft, want Hij is de Vader van de geesten, en de bron van het verstand. Zie Genesis 2:7, Prediker 12:7, Zacheria 12:1.
2. Dat zij, die boven anderen bevorderd zijn in grootheid en achtbaarheid, naar verhouding niet altijd boven hen zijn in kennis en wijsheid, vers 9. De groten zijn niet altijd wijs. Het is jammer dat zij het niet zijn, want dan zouden zij met hun grootheid nooit kwaad doen en met hun wijsheid zoveel temeer goed doen. De mensen behoren om hun wijsheid bevorderd te worden en zij, die in eer en macht zijn, hebben het meest wijsheid van node, en hebben de meeste gelegenheid om er nog in toe te nemen, en toch volgt daar niet uit dat de groten altijd wijs zijn, en daarom is het dwaasheid om met een blind geloof of vertrouwen ieders mening te onderschrijven. De ouden verstaan niet altijd het recht. Zelfs zij kunnen zich vergissen, en daarom moeten zij niet verwachten, alle gedachten gevangen te leiden tot de gehoorzaamheid aan hen, ja daarom moeten zij het niet als een belediging beschouwen om tegengesproken te worden, maar het veeleer als een vriendelijkheid opvatten om door jongeren onderricht te worden. Daarom zeg ik: Hoor naar mij, vers 10. Wij moeten bereid zijn om naar rede te luisteren ook van hen, die in alle opzichten onze minderen zijn, en er naar te handelen. Hij, die goede ogen heeft, kan op de vlakke grond meer zien dan hij die kortzichtig is op een bergtop zien kan. "Beter is een arm en wijs jongeling dan een oud en zat Koning", Pre. 4:13.
3. Dat er nodig iets gezegd moest worden om dit geschil in een waar licht te stellen, daar het door alles wat totnutoe gezegd was, slechts duisterder en ingewikkelder werd, vers 13. "Ik moet spreken, opdat gij niet zoudt zeggen: Wij hebben de wijsheid gevonden, opdat gij niet zoudt denken dat uw argumenten tegen Job beslissend en onwederlegbaar zijn, en dat Job door geen ander argument dan het uwe overtuigd en verootmoedigd kan worden: dat God hem heeft nedergestoten, geen mens, dat het uit zijn buitengewone beproevingen blijkt dat God zijn vijand is, en dat hij dus een goddeloos man moet wezen. Ik moet u aantonen dat dit een valse onderstelling is, en dat Job tot overtuiging gebracht kan worden, zonder die stelling te handhaven." Of: "Opdat gij niet denkt dat het het wijste is wat gij doen kunt om nu maar niet verder met hem te redeneren maar het aan God over te laten om hem neer te stoten." Het is tijd om te spreken als wij dwalingen horen voorstaan, inzonderheid als dit gedaan wordt onder voorgeven van er de zaak Gods door te steunen. Het is tijd om te spreken als men zich op Gods oordelen beroept om er eigen hoogmoed en hartstocht mee te steunen en het onrechtvaardige, liefdeloze oordeel over de broederen, dan is het tijd om voor God te spreken.
4. Dat hij iets nieuws in het midden had te brengen, en pogen zou het geschil op betere wijze te leiden dan totnutoe geschied was, vers 14, Hij denkt een gunstig gehoor te mogen verwachten, want:
a. Hij zal niet antwoorden op Jobs betuiging van zijn oprechtheid, hij erkent er de waarheid van, en treedt dus niet op als zijn vijand. "Hij heeft tegen mij geen woorden gericht. Tegen zijn betoog heb ik over het geheel genomen, geen bezwaar, ik verschil ook niet met hem in beginselen. Ik heb hem slechts een zachte bestraffing te geven voor zijn hartstochtelijke uitdrukkingen." Hij zal hun argumenten niet herhalen, noch zich gronden op hun beginselen, "met ulieder woorden zal ik hem niet beantwoorden, niet met dezelfde zaak, zou ik slechts zeggen wat al gezegd is, men zou mij rechtmatig het zwijgen kunnen opleggen, als zijnde ongepast, noch op dezelfde wijze, ik wil mij niet schuldig maken aan die gemelijkheid jegens hem, die mij in ulieden zo mishaagt." Een wijs man zal een geschil dat reeds van alle kanten besproken is, nu verder laten rusten, tenzij hij wat gezegd en gedaan is kan verbeteren. Waarom zou hij "actum agere-doen wat reeds gedaan is?"