Job 32:1-5
Gewoonlijk zijn de jonge lieden de twistredenaars en oude lieden de moderateuren, maar hier, oude lieden de twistredenaars zijnde, wordt, als een bestraffing voor hen wegens hun onbetamelijke drift, een jong man opgewekt om de moderateur te zijn. Onderscheidene vrienden van Job waren tegenwoordig, die gekomen waren om hem te bezoeken en onderricht te ontvangen. Nu hebben wij hier:
I. De reden, waarom zijn drie vrienden stilzwegen. Zij hielden op van hem te antwoorden, en lieten hem aan het woord, dewijl hij in zijn ogen rechtvaardig was, omdat, verklaarden zij, het doelloos was om te redeneren met een man, die zo stijfzinnig was, vers 1. Zij, die laatdunkend en verwaand zijn, zijn ook inderdaad moeilijk tot overtuiging te brengen, van een dwaas (een door God verdwaasd man) is meer verwachting dan van hen, die zichzelf tot dwazen gemaakt hebben, Spreuken 26:12. Maar zij hebben Job niet billijk beoordeeld, hij was werkelijk rechtvaardig voor God, en niet slechts rechtvaardig in zijn eigen ogen, zodat het slechts was om hun eigen eer te redden, dat zij dit als reden opgaven van hun stilzwijgen, zoals korzelige twistredenaars gewoonlijk doen als zij in de klem komen en geen zin hebben om zich gewonnen te geven.
II. De redenen, waarom de vierde, Elihu, nu sprak. Zijn naam Elihu betekent Mijn God is Hij. Zij hadden allen tevergeefs gepoogd Job te overtuigen, maar Mijn God is Hij die het kan en zal, en het ook ten laatste gedaan heeft
Hij alleen kan het verstand openen. Hij, Elihu, wordt gezegd een Buziet te zijn, van Buz, de tweede zoon van Nahor, Genesis 22:21, en van het geslacht van Ram, dat is, volgens sommigen, Aram, Genesis 22:21, van wie de Syriërs of Aramieten afstamden. Van het geslacht van Abraham, zo heeft het de Chaldeeuwse paraphrast, onderstellende, dat hij eerst Ram, hoog, daarna Abram, een hoge vader, en eindelijk Abraham, de hoge vader van een menigte, genoemd is. Elihu was niet zo goed bekend als de anderen, en daarom wordt hij meer in bijzonderheden beschreven en aangeduid.
1. Elihu sprak, omdat zijn toorn ontstoken was, en hij dacht dat hij daar reden toe had. Na zijn opmerkingen gemaakt te hebben over de twist, is hij niet heengegaan om nu de twistenden te belasteren, hen in het verborgen te treffen met een boze tong, maar wat hij te zeggen had, zei hij hun in het aangezicht, opdat zij zich zouden rechtvaardigen zo zij konden.
A. Hij was toornig op Job, omdat hij dacht dat deze niet met zoveel eerbied van God had gesproken als hem betaamd had, en dat was maar al te waar, vers 2, omdat hij zijn ziel meer rechtvaardigde dan God, dat is: hij gaf zich meer moeite om zich te zuiveren van de aantijging van ongerechtigheid wijl hij aldus beproefd was, dan om God te zuiveren van de beschuldiging van onrechtvaardigheid in hem te beproeven, alsof hij meer bezorgd was voor zijn eigen eer dan voor de eer van God, terwijl hij in de eerste plaats God had moeten rechtvaardigen en Zijn eer handhaven, waarna hij zijn eigen goede naam had moeten overlaten om op Gods tijd gezuiverd te worden van alle blaam. Een Godvruchtig hart ijvert voor de eer van God, en kan niet anders dan toornig zijn als die veronachtzaamd wordt. Het is ook geen overtreding van de wet van de zachtmoedigheid om vertoornd te zijn op onze vrienden als zij beledigend zijn voor God. Ga weg, achter Mij, Satan, zegt Christus tot Simon. Elihu erkende dat Job een goed en Godvruchtig man is, maar wilde toch niet spreken zoals hij sprak, toen hij dacht dat wat hij zei verkeerd was. Het is een al te grote beleefdheid jegens onze vrienden, om hen niet op hun gebreken te wijzen.
B. Hij was toornig op zijn vrienden, omdat hij dacht dat zij niet zo billijk voor Job waren als zij behoorden te zijn, vers 3, omdat zij, geen antwoord vindende, nochtans Job verdoemden. Zij hadden uitgemaakt dat hij een huichelaar, een goddeloos man was, en wilden dit oordeel over hem niet herroepen, niet wijzigen, en toch konden zij niet bewijzen dat hij dit was, noch het getuigenis, dat hij bijbracht van zijn onschuld, wederleggen. Zij konden de premissen niet bewijzen, en hielden toch vast aan de gevolgtrekking. Zij konden zijn argumenten niet beantwoorden, en toch wilden zij zich niet gewonnen geven, terecht of ten onrechte wilden zij hem veroordelen, en dat was niet billijk. Zelden wordt een twist begonnen, en nog zeldzamer wordt een twist zolang voortgezet als die twist voortgezet werd, zonder dat er aan beide zijden schuld is. Elihu heeft-zoals het een moderateur betaamt- niemands partij genomen, maar was gelijkelijk misnoegd op de vergissingen en het verkeerde beleid van beide. Zij, die wezenlijk de waarheid zoeken, moeten aldus onpartijdig zijn in hun oordeel betreffende de strijdende partijen, en wat waar en goed is van geen van de partijen verwerpen om de wille van hetgeen verkeerd bij hen is, noch goedkeuren of verdedigen wat verkeerd is, om de wil van hetgeen waar en goed is, maar leren te onderscheiden tussen het kostbare en het snode.
2. Elihu sprak, omdat hij dacht dat het tijd was om te spreken, en dat het nu eindelijk zijn beurt was, vers 4, 5.
a. Hij had gewacht op Jobs redenen, had hem geduldig ten einde toe aangehoord, totdat de woorden van Job een einde hadden.
b. Hij had gewacht op het zwijgen van zijn vrienden, zodat hij, evenals hij hem niet in de rede wilde vallen, hen ook niet wilde beletten te spreken, niet omdat zij wijzer waren dan hij, maar omdat zij ouder waren, weshalve het gezelschap verwachtte, dat zij het eerst spreken zouden, en Elihu was zeer bescheiden en wilde hen volstrekt niet bekorten in hun voorrecht. Er zijn regelen van voorrang die gehandhaafd moeten worden ten einde de orde te bewaren, innerlijke, ware eer zal wel de ware wijsheid en waardigheid vergezellen maar omdat iedereen zichzelf of zijn vriend voor de wijste en aardigste zal houden, kan deze overweging geen vaste regel aanbieden voor de uitwendige, ceremoniele eer, die dus aan de oudsten in jaren of van dienst toegekend moet worden, en deze achting kunnen de ouden met des te meer recht eisen omdat zij haar aan anderen bewezen hebben toen zij de jongeren waren, en de jongeren kunnen haar zoveel geredelijker betonen, omdat zij hun betoond zal worden als zij de ouderen zullen zijn.