Job 30:15-31
In dit tweede deel van Jobs klacht, die zeer bitter is en veel treurige tonen te horen geeft, kunnen wij zeer veel opmerken waarover hij klaagt, en een weinig waarmee hij zich vertroost.
I. Hier is veel waarover hij klaagt.
1. In het algemeen, het was een dag van grote beproeving en smart.
a. De beproeving greep hem aan, overviel hem. Zij greep hem aan, vers 16. De dagen des druks grijpen mij aan, zij hebben mij gevangen, zoals de gerechtsdienaar de schuldenaar gevangen neemt en zich met geweld van hem verzekert. Als de ellende komt met een opdracht, dan doet zij een vaste greep en zal niet loslaten. Zij overviel hem, vers 27, De dagen van de verdrukking zijn mij voorgekomen, dat is: "zij kwamen tot mij zonder mij vooruit te waarschuwen, ik verwachtte ze niet, en heb ook geen voorziening gemaakt voor zo'n boze tijd."
Merk op: hij rekent zijn beproeving bij dagen, die spoedig geteld en voleindigd zijn, en als niets zijn in vergelijking met de eeuwen van de eeuwigheid, 2 Corinthiers 4:17.
b. Hij was er door in grote droefheid. Zijn ingewanden ziedden van smart en rustten niet, vers 27. De bewustheid van zijn rampen knaagde voortdurend aan zijn hart, van dag tot dag ging hij in het zwart, altijd zuchtende, altijd wenende, en er was zo'n nevel over zijn geest, dat hij in werkelijkheid ging zonder de zon, vers 28. Nergens had hij genoegen in, hij gaf zich over aan voortdurende smart, als iemand die, gelijk Jakob, besloten had om rouwbedrijvende in het graf neer te dalen. Hij ging buiten de zon-zo lezen het sommigen-in donkere schaduwrijke plaatsen, zoals neerslachtige mensen gewoonlijk doen. Als hij naar de vergadering ging om zich met haar te verenigen in de plechtige aanbidding Gods, instede van dan kalm op te staan teneinde om haar gebeden te verzoeken, stond hij op en schreeuwde luidkeels van pijn of van zielesmart, als iemand die half buiten zichzelf is. Als hij in het openbaar verscheen om bezoeken te ontvangen, kon hij als de aanval opkwam zich niet inhouden, de welvoeglijkheid niet inachtnemen, maar stond op en schreeuwde Aldus was hij de draken een broeder en een metgezel van de jonge struisen, zowel in het kiezen van eenzaamheid en afzondering, zoals zij, Jesaja 34:13, als in het maken van die afschuwelijke geluiden, zoals zij ze maken, zijn ondoordachte klachten werden gevoegelijk vergeleken bij hun onduidelijke geluiden.
2. De schrik en ontroering, die zich meester maakten van zijn ziel, waren het ontzettendste van zijn ramp, vers 15, 16.
a. Richtte hij de blik voorwaarts, dan zag hij alles even schrikkelijk voor zich, poogde hij die angsten van zich af te schudden, dan kwamen zij met zoveel te meer heftigheid terug, trachtte hij ze te ontkomen, zij vervolgden zijn ziel zo snel en zo heftig als de wind. In het eerst klaagde hij dat de verschrikkingen Gods zich tegen hem rustten, Hoofdst. 6:4. En nog keerden zij zich tegen hem, waarheen hij zich ook wendde, zij vervolgden hem. Mijn ziel-in het Hebreeuws: mijn voornaamste, mijn vorstin, want de ziel is het voornaamste deel van de mens, zij is onze heerlijkheid, zij is in ieder opzicht voortreffelijker dan het lichaam, en daarom moet hetgeen de ziel vervolgt en bedreigt het meest gevreesd worden. b. Wierp hij de blik achterwaarts, dan zag hij al het goede, dat hij vroeger genoten had, van zich weggenomen, niets ervan overgebleven dan de bittere herinnering eraan, mijn heil is als een wolk voorbijgegaan, mijn welvaren is even plotseling, snel en onherroepelijk verdwenen als een wolk.
c. Zag hij naar binnen, dan bevond hij dat zijn moed weg was, dat hij niet instaat was zijn kwalen en ziekte te dragen, dat hij niet slechts gewoeld was, maar dat zijn ziel in hem was uitgestort, vers 16. Hij was niet slechts zwak als water, maar in zijn gevoel was hij als water dat teloor ging, op de grond was uitgestort, Psalm 22:15. Mijn hart is als was, het is gesmolten in het midden mijns ingewands.
3. Zijn lichaamskrankheid was zeer hevig, want:
a. Hij was vol van pijn, snijdende pijn, pijn die tot zijn beenderen, al zijn beenderen doordrong, vers 17. Het was een doodssteek in zijn beenderen, die hem des nachts doorboorde, als hij verkwikt had moeten worden door de slaap, zijn polsaderen rustten niet. Hij kon niet rusten van de pijn, de slaap week van zijn oogleden. Zijn gebeente was ontstoken, vers 30. Hij had voortdurend koorts, die de vochten opdroogde en tot het merg van zijn beenderen toe verteerde. Zie hoe broos ons lichaam is, dat de zaden van onze ziekte en van de dood in zich draagt.
b. Hij was vol van wonden. Sommigen, die pijnlijk zijn in hun gebeente, slapen toch in een gave huid, maar Satans opdracht tegen Job strekte zich uit tot zijn gebeente en zijn vlees en zo spaarde hij dan geen van beide. Zijn huid was zwart geworden over hem, vers 30. Het bloed stolde en de zweren etterden, waardoor zijn huid zwart werd. Zelfs de kleur van zijn kleren was door het voortdurend etteren van zijn zweren veranderd, en het zachte kleed dat hij placht te dragen, was nu zo stijf geworden, dat zijn kleren waren als de kraag zijns roks, vers 18. Het zou walglijk zijn om de toestand te beschrijven, waarin de arme Job zich bevond uit gebrek aan schoon linnen en goede verpleging, en welke vuile lompen zijn kleren waren. Sommigen denken dat Job bij al zijn andere kwalen ook nog aan keelontsteking leed, waardoor zijn keel gezwollen was, en dat dit het was dat hem als met een stijve halskraag omknelde.
Aldus was hij in het slijk geworpen, vers 19, bij slijk vergeleken, volgens sommigen, zijn lichaam geleek meer op een hoop vuil dan op iets anders. Laat niemand hoogmoedig zijn op zijn kleren, noch op de zindelijkheid ervan, men weet niet hoe door de een of andere ziekte die kleren veranderd kunnen worden zelfs in het slijk geworpen kunnen worden waardoor zij walglijk worden voor hem die ze draagt, zowel als voor anderen, "voor specerijen zal er stank zijn," Jesaja 3:24. Wij zijn op zijn best slechts stof en as, en ons lichaam is een vernederd lichaam, maar wij zijn geneigd dit te vergeten, totdat God door de een of andere zware ziekte ons doet gevoelen en weten wat wij zijn. "Ik ben reeds gelijk geworden aan die stof en as, waarin ik weldra ontbonden zal zijn, waar ik ook ga, overal draag ik mijn graf met mij."
5. Wat hem het meest van alles smartte was, dat God zijn vijand scheen te zijn geworden, en tegen hem scheen te strijden. Hij was het, die hem in het slijk wierp, vers 19, en hem daar scheen te vertreden. Dit ging hem meer dan iets anders ter harte.
A. Dat God niet voor hem verscheen, niet voor hem optrad. Hij wendde zich tot Hem maar verkreeg geen verlichting, hij beriep zich op Hem, maar verkreeg geen uitspraak, hij was zeer dringend in zijn smekingen maar het was tevergeefs, vers 20. "Ik schrei tot U als iemand wie het ernst is, ik sta en roep als een die op antwoord wacht, maar Gij hoort niet, voorzoveel ik zie slaat Gij geen acht op mijn geroep." Als op onze vurigste gebeden geen snelle en merkwaardige verhoring volgt, dan moeten wij dit niet vreemd vinden. Hoewel het zaad Jakobs Hem nooit tevergeefs heeft gezocht, hebben zij dit toch wel dikwijls gedacht, gedacht niet slechts dat God doof was, maar toornig was op het gebed Zijns volks, Psalm 80:5.
B. Dat God tegen hem optrad Hier hebben wij een van de slechtste woorden, die Job ooit gesproken heeft, vers 21. Gij zijt veranderd in een wrede tegen mij. Verre zij het van de God van de barmhartigheid en genade, dat Hij jegens iemand wreed zou zijn, Zijn barmhartigheden hebben geen einde, maar inzonderheid dat Hij dit zijn zou voor Zijn eigen kinderen. Job was onrechtvaardig en ondankbaar, toen hij dit van Hem zei, maar harde gedachten te koesteren van God, was de zonde die hem toen lichtelijk heeft omringd. Hier:
a. Dacht hij dat God tegen hem streed, al Zijn kracht tegen hem aanwendde om hem te verderven. Door de sterkte Uwer hand wederstaat Gij mij hatelijk, of zijt Gij mij een tegenstander. Hij had betere gedachten van God, Hoofdst. 23:6, toen hij tot de gevolgtrekking kwam dat Hij naar de grootheid van Zijn macht niet met hem zou twisten. God heeft een volstrekte vrijmacht en een onweerstaanbare kracht, maar noch de een noch de ander gebruikt Hij ooft om iemand te verpletteren of te verdrukken.
b. Hij dacht dat Hij hem hoonde en bespotte, vers 22. Gij heft mij op in de wind, als een veertje, of als kaf, waarmee de wind speelt, zo ongelijk een partij achtte Job zich voor de Almacht, en zo onmachtig was hij om zichzelf te helpen, toen Hij hem niet in triomf, maar in verschrikking, deed rijden op de wind, en de oordelen Gods hem het wezen versmolten, zoals een wolk opgelost en weggedreven wordt door de wind. Het wezen, de substantie, van de mens in zijn beste toestand, is een niets voor de almacht van God, en spoedig versmolten of opgelost.
5. Hij verwachtte niets anders dan dat God door al deze ellende en benauwdheid spoedig een einde aan hem zou maken. "Indien ik moet rijden op de wind, dan kan ik op niets anders rekenen, dan dat ik te pletter zal vallen." En hij spreekt alsof God in Zijn handelingen met hem ook niets anders dan dat bedoelde. "Ik weet dat Gij mij met zoveel temeer verschrikking ter dood brengen zult, ofschoon ik daar zonder al die moeite en last heengebracht had kunnen worden, want het is het huis van de samenkomst aller levenden," vers 23. Het graf is een huis, een eng, donker, koud huis, maar het zal onze woning zijn, waarin wij zullen rusten en veilig zullen wezen, het is ons langdurig tehuis, ons eigen tehuis, want het is de schoot van onze moeder, en daarin worden wij verzameld tot onze vaderen. Het is een huis, dat voor ons bestemd is, door Hem, die de bepalingen van al onze woningen verordineerd heeft. Het is bestemd voor alle levenden. Het is de algemene vergaderplaats, waar rijken en armen elkaar ontmoeten, het is bestemd om de plaats te zijn van de algemene samenkomst, allen moeten wij er binnenkort heengebracht worden. Het is God, die er ons heenbrengt, want de sleutelen des doods en des grafs zijn in Zijn hand, en wij kunnen allen weten dat Hij er ons vroeg of laat zal heenbrengen, het zou goed voor ons wezen zo wij hier behoorlijk over nadachten. De levenden weten dat zij zullen sterven, laat ons, een ieder van ons, het weten met toepassing op onszelf.
6. Er waren twee dingen, die zijn lijden verzwaarden en het zoveel minder draaglijk maakten. a. Dat het hem in zijn verwachting zozeer had teleurgesteld, vers 26. "Als ik het goede, meer van het goede, verwachtte, of tenminste de voortduur van het goede dat ik had, dan kwam het kwade," zo onzeker zijn al onze wereldlijke genietingen, en zo groot is de dwaasheid om ons met grote verwachtingen ervan te vleien. Zij, die licht verwachten van de spranken hunner lichamelijke genietingen, zullen zich ellendig teleurgesteld zien en zullen hun bed spreiden in de duisternis.
b. Dat het een zeer grote verandering was in zijn toestand, vers 31. "Mijn harp is niet slechts terzijde gelegd en aan de wilgen gehangen, zij is tot een rouwklage geworden, en mijn orgel tot een stem van de wenenden." In zijn voorspoed had Job trommel en harp ter hand genomen en zich verblijd op het geluid des orgels, Hoofdst. 21:12. In weerwil van zijn ernst en genade had hij tijd gevonden om blijmoedig te zijn, maar nu was zijn toon veranderd. Laat hen, die blijde zijn, dus wezen als niet blijde zijnde, want zij weten niet hoe spoedig hun lachen veranderd zal worden in treuren, en hun blijdschap in bedroefdheid. Aldus zien wij over hoeveel Job klaagde, maar:
II. Temidden van dit alles is er iets, waarmee hij zich vertroost, maar het is slechts weinig.
1. Hij voorziet met vertroosting dat de dood een einde zal maken aan al zijn rampen, vers 24. Hoewel God hem thans door de sterkte van Zijn hand wederstaat, zal Hij toch, zegt hij, tot de aardhoop, dat is het graf, Zijn hand niet uitsteken. De hand van Gods toorn zal hem ter dood brengen, maar zal hem niet volgen na de dood, zijn ziel zal veilig en gelukkig zijn in de wereld van de geesten, zijn lichaam veilig en rustig in het stof. Als de mensen stervende zijn, zuchten en kermen en vrezen zij, maar in het graf gevoelen zij niets en vrezen zij niets, daar is alles rustig en kalm. "In de hel, die verderf wordt genoemd, schreeuwen zij, maar niet in het graf en daar ik van de tweede dood verlost ben zal de eerste mij een werkelijke verlichting wezen." Daarom wenste hij in het graf verstoken te zijn, Hoofdst. 14:13.
2. Hij gedenkt met vertroosting aan het medegevoel dat hij altijd in de rampen van anderen heeft betoond, toen het hemzelf nog wèl ging, vers 25. Weende ik niet over hem, die harde dagen had? Sommigen denken dat hij hierin klaagt over God, het zeer hard vindende dat hij, die altijd barmhartigheid heeft betoond aan anderen, nu zelf geen barmhartigheid ontmoet. Ik zou het liever beschouwen als een gedachte, die hem kalmte gaf, zijn geweten getuigde voor hem dat hij altijd medegevoel heeft gehad met mensen, die in kommer en ellende waren, en gedaan heeft wat hij kon om hen te helpen, weshalve hij reden had om te verwachten dat ten laatste zowel God als zijn vrienden medelijden met hem zullen hebben. Zij, die treuren met de treurenden, zullen hun eigen smarten zoveel gemakkelijker kunnen dragen, als het hun beurt is om van de bittere beker te drinken. Brandde mijn ziel niet voor de armen? zo lezen het sommigen, het vergelijkende met hetgeen Paulus zegt, 2 Corinthiers 11:29, "Wie wordt er geërgerd, dat ik niet brande?" Gelijk zij, die hard en onbarmhartig zijn geweest voor anderen, verwachten kunnen er door hun eigen geweten van te zullen horen als zijzelf in benauwdheid zijn, zo zal voor hen, die zich verstandig hebben gedragen jegens de ellendigen en hen hebben geholpen en ondersteund, de herinnering hieraan hun bed zacht en gemakkelijk maken in hun ziekte, Psalm 41:2, 4.