Ruth 1:19-22
Na menige moeizame voetstap, (maar wij onderstellen dat de vermoeienis van de reis verlicht werd door Naomi's goed onderwijs aan haar bekeerlinge en de goede gesprekken die zij hadden) kwamen Naomi en Ruth eindelijk te Bethlehem. En zij kwamen er juist op tijd, in het begin van de gersteoogst, die de eerste was van hun oogsten, de tarweoogst kwam daarna.
Nu konden Naomi's ogen haar overtuigen van de waarheid van wat zij in het land van Moab had gehoord namelijk dat de Heere Zijn volk bezocht had, gevende hun brood. En Ruth kon dit goede land in zijn beste toestand zien, en nu hadden zij gelegenheid om voorziening te maken voor de winter. Onze tijden zijn in Gods hand, zowel de gebeurtenissen, als de tijd waarin zij plaatshebben.
Er wordt hier nota genomen:
I. Van de ontsteltenis van de naburen bij deze gelegenheid, vers 19.. De gehele stad werd over haar beroerd. Haar oude bekenden verzamelden zich om haar heen, om te vragen naar haar toestand, haar bevinden en haar weer welkom te heten te Bethlehem.
Of misschien werden zij over haar beroerd, vrezende dat zij ten laste van de stad zou komen, want zij zag er zo armoedig uit! Hieruit blijkt dat zij tevoren in welstand had geleefd, want anders zou er niet zoveel notitie van haar genomen zijn. Indien zij, die welvarend zijn geweest en een hoge positie hebben ingenomen, tot armoede of oneer komen, dan is hun val des te meer opmerkelijk. En zij-de naburen-zeiden: Is dit Naomi? De vrouwen van de stad zeiden het, want het oorspronkelijke woord is vrouwelijk. Zij, met wie zij vroeger zeer bekend was, waren verbaasd haar in die toestand te zien, zij was door haar beproevingen zo gebroken zo veranderd, dat zij nauwelijks haar ogen konden geloven, of begrijpen dat dit dezelfde persoon was, die zij tevoren fris en blozend. lieflijk en vrolijk gezien hadden: Is dit Naomi? Zo ongelijk is de roos, als zij verdord is, aan wat zij geweest is, toen zij bloeide.
Welk een erbarmelijk figuur maakt thans Naomi, vergeleken met die zij maakte in haar voorspoed! Indien er waren, die deze vraag in minachting deden, haar haar rampspoeden verwijtende: "Is zij dat, die er geen genoegen mee kon nemen dat het haar ging zoals het haar naburen is gegaan, maar naar een vreemd land moet heenzwerven? Zie nu wat zij er mee gewonnen heeft!" dan waren deze van een lage, onbarmhartige gemoedsgesteldheid. Niets is wreder dan te triomferen over hen, die gevallen zijn. Maar wij kunnen onderstellen dat de meesten het in hartelijk medelijden gevraagd hebben. "Is zij dit, die zo in overvloed heeft geleefd, zo goed een huis heeft gehouden, en zo weldadig was voor de armen? Hoe is het goud zo verdonkerd!" Zij, die de pracht hadden gezien van de eerste tempel, weenden toen zij de geringheid van de tweede aanschouwden, en zo was het ook hier.
Beproevingen zullen in weinig tijds grote en verrassende veranderingen teweegbrengen. Als wij zien hoe ziekte en ouderdom het gelaat en het humeur van de mensen veranderen, dan kunnen wij denken aan wat de Bethlehemieten zeiden: Is dit Naomi? Men zou niet denken dat het dezelfde persoon is. Moge God door Zijn genade ons geschikt maken voor al zulke veranderingen, inzonderheid voor de grote verandering! II. Van Naomi's kalmte van gemoed. Indien sommigen haar haar armoede voor de voeten wierpen, was zij toch niet tegen haar verbitterd zoals zij geweest zou zijn, indien zij arm en hoogmoedig was, maar met groot en Godvruchtig geduld droeg zij deze en alle andere treurige gevolgen van haar beproeving, vers 20 21. Noemt mij niet Naomi, noemt mij Mara, enz. "Naomi betekent lieflijk, of beminnelijk, maar al mijn lieflijke dingen zijn verwoest, noemt mij Mara, bitter, of bitterheid, want ik ben een vrouw, bezwaard van geest." Zo voegt zij zich naar haar toestand, wat wij allen moeten doen, als onze toestand niet in alles met onze wens overeenkomt.
Merk op:
1. De verandering van haar toestand, en hoe die beschreven wordt met een Godvruchtig achtgeven op Gods voorzienigheid, en zonder hartstochtelijk klagen of murmureren.
a. Het was een zeer treurige verandering. Vol is zij weggetogen, zij achtte zich vol toen zij haar man en haar twee zonen had. Veel van onze volheid in deze wereld komt voort uit lieflijke betrekkingen en bloedverwanten, maar ledig is zij wedergekeerd, een kinderloze weduwe. Waarschijnlijk heeft zij verkocht wat zij had, zodat zij van alles wat zij had medegenomen uit het vaderland, niets meer over had dan de klederen die zij aan het lief had. Zo onzeker is alles wat wij volheid in het schepsel noemen 1 Samuël 2:5 S. Zelfs in de volheid daarvan kunnen wij nog in benauwdheid komen. Maar er is een volheid, een geestelijke en Goddelijke volheid, waarvan wij niet ontledigd kunnen worden, een goed deel, dat van hen die het bezitten niet weggenomen zal worden.
b. Zij erkent Gods hand, Zijn machtige hand, in haar beproeving. "Het is de Heere, die mij ledig heeft doen wederkeren, het is de Almachtige die mij beproefd heeft." Niets kan een Godvruchtige ziel er meer toe brengen, om tevreden te zijn onder beproeving, dan er Gods hand in te zien. Het is de Heere, 1 Samuël 3:18 S. Job 1:21,. inzonderheid te bedenken, dat Hij, die ons beproeft, El Shaddai, de Almachtige is met wie het dwaasheid is te twisten, en aan, wie ons te onderwerpen onze plicht is en ons belang. Het is die naam van God, door welke Hij in verbond treedt met Zijn volk: "Ik ben God, de Almachtige, God, de Algenoegzame", Genesis 17:1. Hij beproeft als een God in verbond, en Zijn algenoegzaamheid kan onze steun en onze voorziening wezen onder al onze beproevingen. Hij, die ons ontledigt van het schepsel, weet ons te vervullen met zichzelf.
c. Zij spreekt met veel gevoel van de indruk die de beproeving op haar had gemaakt: Hij heeft mij grote bitterheid aangedaan. De beker van de beproeving is een bittere beker, en zelfs wat later een vreedzame vrucht van de gerechtigheid geeft, is tegenwoordig geen zaak van vreugde, maar van droefheid, Hebreeën 12:11.. Job klaagt: "Gij schrijft tegen mij bittere dingen", Job 13:26..
d. Zij erkent dat de beproeving van God komt als een twist: de Heere getuigt tegen mij. Als God ons kastijdt, dan getuigt Hij tegen ons, en twist met ons, Job 10:17,. te kennen gevende dat Hij misnoegd op ons is. Iedere roede heeft een stem, de stem van een getuige.
2. De onderworpenheid van haar geest onder deze verandering. "Noemt mij niet Naomi, want ik ben niet meer lieflijk, hetzij voor mijzelf of voor mijn vrienden, noemt mij Mara, een naam die meer overeenkomt met mijn tegenwoordigen toestand. Velen, die verlaagd en verarmd zijn willen toch nog met de ledige eretitels aangesproken worden, die zij vroeger gehad hebben. Naomi wilde dit niet, haar ootmoed verlangt naar geen glorierijken naam in een vervallen toestand, als God haar bitterheid heeft aangedaan, dan voegt zij zich naar Zijn beschikking, en wil Mara, bitterheid, genoemd worden. Als onze toestand naar beneden is gegaan, dan behoort ons hart, ons gemoed, mee naar beneden gebracht te worden. En als wij ons gedragen naar onze beproevingen, dan worden zij aan ons geheiligd, want het is niet de beproeving zelf, maar de beproeving in de rechte gezindheid gedragen, die ons goed doet. "Perdidisti tot mala, si nondum misera esse didicisti-Zoveel rampen zijn aan u verspild, indien gij niet geleerd hebt te lijden." De beproeving werkt lijdzaamheid.