Job 22:1-4
Elifaz geeft hier te kennen dat Job, omdat hij zoveel klaagde over zijn beproevingen, dacht dat God onrechtvaardig was in hem te beproeven, maar die onderstelling was gewrongen, verre was het van Job om dit te denken. Wat Elifaz hier zegt, is dus ten onrechte op Job toegepast, maar op zichzelf is het zeer waar en goed.
1. Dat, wanneer God ons goeddoet, het niet is omdat Hij ons iets verschuldigd is, indien Hij dit wel ware, er zou een schijn van reden zijn om, als Hij ons beproeft, te zeggen: "Hij handelt niet billijk met ons", maar zo iemand beweert dat hij door enigerlei verdienstelijke daad God tot zijn schuldenaar heeft gemaakt laat hem de bewijzen leveren van die schuld, dan zal hij haar gewis niet verliezen, Romeinen 11:35, Wie heeft Hem eerst gegeven, en het zal hem wedervergolden worden. Maar Elifaz toont hier aan dat de gerechtigheid en volkomenheid van de beste mensen ter wereld geen weldaad zijn aan God betoond, Hem geen voordeel opleveren, en derhalve niet geacht kunnen worden iets van Hem te verdienen.
A. Der mensen Godsvrucht is voor God geen voordeel, geen gewin, vers 1, 2. Als er iets was, dat ons bij God verdienstelijk kon maken, het zou onze Godsvrucht zijn, onze rechtvaardigheid en het volmaakt maken van onze wegen. Indien dit ons niet verdienstelijk maakt, dan gewis zal ook niets anders ons verdienstelijk maken. Als een mens God niet tot zijn schuldenaar kan maken door zijn Godsvrucht, zijn eerlijkheid, zijn gehoorzaamheid aan Zijn wetten, veel minder kan hij dit dan door zijn vernuft, zijn geleerdheid en wereldlijke wijsheid. Nu vraagt Elifaz hier, of een mens bij mogelijkheid nuttig kan zijn aan God. Het is zeker dat de mens dat niet kan. Hij kan het in geen enkel opzicht. Maar voor zichzelf zal de verstandige voordelig zijn. Onze wijsheid en ons verstand zijn nuttig en voordelig voor onszelf. "De wijsheid is nuffig om te besturen" Prediker 10:10.. "De Godzaligheid is tot alle dingen nut," 1 Timotheus 4:8 T. "Indien gij wijs zijt gij zijt wijs voor uzelf," Spreuken 9:12. Het gewin van de Godsdienst is oneindig groter dan het verlies, dat er door veroorzaakt wordt, hetgeen blijken zal als zij tegen elkaar worden opgewogen. Maar kan een mens aldus nuttig of voordelig zijn voor God? Neen, want zodanig is de volkomenheid Gods, dat Hij generlei nut of voordeel kan ontvangen van de mens, wat kan toegevoegd worden aan hetgeen oneindig is? En zo groot is de zwakheid en onvolkomenheid van de mens, dat hij Gode generlei nut of voordeel bieden kan. Kan het licht van een kaars nuttig wezen voor de zon, of de droppel aan de emmer voor de oceaan? Hij, die wijs is, is nuttig voor zichzelf, tot zijn eigen leiding en verdediging, nuttig voor zijn eigen eer en gerieflijkheid, en ter verrijking van zichzelf, maar kan hij aldus nuttig zijn voor God? Neen, God heeft ons noch onze diensten nodig. Zonder God zijn wij ongelukkig, voor eeuwig rampzalig, maar zonder ons is Hij gelukkig, gelukzalig tot in eeuwigheid. Is het enigerlei gewin voor Hem, draagt het iets wezenlijks bij tot Zijn heerlijkheid en rijkdom, als wij onze weg volmaken? Gesteld eens dat hij volstrekt volmaakt was, wat is God er te beter om? En nog veel minder dus, als er aan die volmaaktheid nog zo heel veel ontbreekt.
B. Zij is geen genot of genoegen voor Hem. Is het voor de Almachtige behaaglijk dat gij u rechtvaardigt? vers 3 Wel heeft God in Zijn woord gezegd dat Hij een welbehagen heeft in de rechtvaardigen, Zijn aangezicht aanschouwt hen, en Zijn verlustiging is in hen en hun gebeden, maar dit alles voegt niets toe aan het eeuwig welbehagen, dat Hij in zichzelf heeft. God kan genot hebben zonder ons, maar wij kunnen weinig genot hebben zonder onze vrienden. Dit verheerlijkt Zijn neerbuigende goedheid jegens ons, dat Hij, hoewel onze diensten Hem geen wezenlijk nut of vermaak opleveren, ze toch aanmoedigt en aanneemt.
2. Dat, als God ons beteugelt of bestraft, het niet is omdat Hij in gevaar is vanwege ons of in vrees voor ons is, vers 4. "Is het om uw vrees dat Hij u bestraft, u uw voorspoed ontneemt, opdat gij niet te groot of te machtig voor Hem zoudt worden, zoals vorsten het soms voor verstandig beleid hielden, om de toenemende grootheid van een onderdaan te fnuiken, opdat hij niet geducht voor hem zou worden." Satan heeft wel bij onze eerste ouders het denkbeeld opgeworpen, dat God hun de boom van de kennis verboden had, opdat zij niet als goden zouden worden en aldus Zijn mededingers zouden zijn, maar het was een lage aantijging. God bestraft de vromen omdat Hij hen liefheeft, maar nooit bestraft Hij de groten omdat Hij hen vreest. Hij treedt niet in het gericht met de mensen, dat is: Hij zoekt geen twist met hen, zoekt geen gelegenheid tegen hen uit vrees dat zij Zijn eer in de schaduw zouden stellen of gevaarlijk zouden worden voor Zijn belangen. Magistraten straffen misdadigers uit vrees voor hen, Farao verdrukte Israël omdat hij bevreesd voor hen was, het was uit vrees dat Herodes de kinderen van Bethlehem heeft omgebracht, dat de Joden Christus en Zijn apostelen hebben vervolgd. Maar God doet niet, zoals zij gedaan hebben. Hij verkeert het recht niet uit vrees voor wie het ook zij. Zie Hoofdst. 35:5-8.