Job 1:20-22
De duivel had alles gedaan, waarvoor hij verlof had gevraagd om Job te doen, teneinde hem er toe te brengen God te vloeken, hij had aangetast alles wat hij had, het aangetast met kracht en macht. De man, die bij het opgaan van de zon nog de rijkste was van allen, die in het Oosten waren, was voordat de avond viel, spreekwoordelijk arm geworden. Indien zijn rijkdom, zoals Satan te kennen gaf, het enige beginsel was van zijn Godsdienst, dan voorzeker had hij, nu hij zijn rijkdom verloren had ook zijn Godsdienst verloren, maar het bericht dat wij in deze verzen hebben van zijn Godvruchtig gedrag onder zijn beproeving, toont genoegzaam aan, dat de duivel een leugenaar en Job een eerlijk man was.
I. Onder zijn beproevingen hield hij zich als mens, niet stompzinnig en ongevoelig als een stok of een steen, niet onnatuurlijk en onaangedaan door de dood van zijn kinderen en zijn dienstknechten, neen, vers 20, hij stond op, scheurde zijn mantel, en schoor zijn hoofd, dat de gewone uitdrukkingen waren van grote smart, om te tonen dat hij zich wèl bewust was, dat de hand des Heeren tegen hem was uitgegaan, maar hij gaf zich aan geen onbetamelijkheid, aan geen buitengewone hartstochtelijkheid over, hij viel niet in zwijm, maar stond op als een kampioen voor de strijd, hij heeft niet in drift zijn klederen van zich geworpen maar zeer ernstig en bedaard heeft hij, naar de gewoonte van het land, zijn mantel of opperkleed gescheurd, hij heeft zich niet hartstochtelijk de haren uitgerukt, maar met bedaard overleg schoor hij zijn hoofd en uit dit alles bleek dat hij in zijn humeur bleef, kloekmoedig zijn ziel in zijn lijdzaamheid bezat temidden van al die rampen en wederwaardigheden. De tijd, wanneer hij zijn gevoel begon te uiten, is opmerkelijk, het was niet voordat hij van de dood van zijn kinderen hoorde, en toen stond hij op, toen scheurde hij zijn mantel. Een werelds, ongelovig hart zou gezegd hebben: "Nu de spijs weg is, is het maar goed dat de monden ook weg zijn, nu er geen huwelijksgoed is, is het goed dat er geen kinderen zijn, maar Job wist beter, en zou dankbaar geweest zijn indien de Voorzienigheid zijn kinderen had gespaard al zou hij dan ook weinig of niets voor hen gehad hebben, want: JHWH jireh, de Heere zal voorzien. Sommige Schriftverklaarders hebben, bij de herinnering dat het bij de Joden gebruikelijk was om hun klederen te scheuren als zij God hoorden lasteren, de gissing gemaakt dat Job zijn klederen heeft gescheurd in heilige verontwaardiging over de lasterlijke gedachten die Satan hem nu wilde ingeven, hem verzoekende om God te vloeken.
II. Hij gedroeg zich onder zijn beproeving als een wijs en Godvruchtig man, als een oprecht en vroom man, één die God vreesde, en week van het kwaad van de zonde meer dan van het kwaad van uitwendig leed.
1. Hij vernederde zich onder de hand van God en schikte zich naar de omstandigheden, waarin hij was gekomen, als één die wist honger te lijden zowel als overvloed te hebben. Toen God riep tot wenen en rouw bedrijven, heeft hij geweend en rouw bedreven, scheurde hij zijn mantel en schoor zijn hoofd, en als één, die zich voor God tot in het stof vernedert, viel hij op de aarde, in een boetvaardig bewustzijn van zonde en een geduldige onderwerping aan de wil van God, een welgevallen hebbende aan de straf van zijn ongerechtigheid. Hiermede toonde hij zijn oprechtheid, want die met het hart huichelachtig zijn, roepen niet als God hen gebonden heeft, Job. 36:13. Hierdoor bereidde hij zich om goed te verkrijgen uit de beproeving, immers, hoe kunnen wij nut en voordeel krijgen uit de smart, die wij niet gevoelen? 2. Hij kalmeerde zich door geruststellende gedachten, teneinde niet ontrust en ontroerd te wezen door die gebeurtenissen en zijn ziel in zijn lijdzaamheid te blijven bezitten. Hij redeneert uit de gewone staat van het menselijk leven, dat hij met toepassing op zichzelf beschrijft: Naakt ben ik, evenals anderen, uit mijn moeders buik gekomen, en naakt zal ik daarheen weerkeren, in de schoot van onze aller moeder, de aarde, zoals het moede of zieke kind zijn hoofd op de borst van zijn moeder nederlegt. "Stof waren wij" in onze oorsprong, en "tot stof zullen" "wij wederkeren" bij ons heengaan, Genesis 3:19, "het stof" "keert wederom tot de aarde," Prediker 12:7, naakt zullen wij heengaan naar de plaats vanwaar wij genomen zijn namelijk naar het leem, Job 33:6. Paulus verwijst naar dit woord van Job, 1 Timotheus 6:7 T "wij hebben niets" van het goed van deze wereld "in de wereld gebracht," maar hebben het van anderen, en "het" "is openbaar, dat wij ook niet kunnen iets daaruit dragen," maar het aan anderen moeten laten. Wij komen naakt in de wereld niet alleen ongewapend, maar ongekleed, hulpeloos, onbeholpen, niet zo goed bedekt en beschut als andere schepselen. De zonde, in welke wij geboren zijn, maakt ons naakt tot onze schande in de ogen van de heilige God. Naakt gaan wij uit de wereld, het lichaam namelijk, maar de geheiligde ziel zal bekleed worden, 2 Corinthiers 5:3. De dood berooft ons van al onze genietingen, klederen kunnen een dood lichaam verwarmen noch versieren. Deze overweging bracht Job tot zwijgen onder zijn verliezen.
a. Hij is slechts waar hij geweest is in de beginne, hij beschouwt zich slechts als naakt, niet als verminkt of gewond, hij was zichzelf nog, hij behoorde zichzelf nog toe, al was er ook niets anders, dat hem toebehoorde, en dus is hij slechts tot zijn eerste, zijn oorspronkelijke toestand teruggebracht. Nemo tam pauper potest esse quam natus est-Niemand kan zo arm wezen als hij was, toen hij geboren werd. Min Felix. Als wij verarmd worden, is ons geen onrecht gedaan, zijn wij ook niet veel gedeerd, want wij zijn slechts zoals wij waren, toen wij werden geboren.
b. Hij is slechts waar hij ten laatste zal moeten zijn, hij is slechts een weinig vroeger dan hij dacht ontkleed, of liever ontlast. Als wij onze klederen afleggen eer wij naar bed gaan, dan brengt dit enig ongerief teweeg, maar dat zal licht geacht kunnen worden, als het dicht bij de tijd is wanneer wij naar bed gaan.
3. Hij gaf eer aan God, en drukte zich bij die gelegenheid uit met grote verering van de Goddelijke voorzienigheid en eerbiedige onderworpenheid aan haar beschikkingen. Wij kunnen ons er wel in verblijden Job in die goede gemoedsstemming te vinden, omdat dit juist de zaak was, waarmee zijn oprechtheid op de proef werd gesteld, hoewel hij het niet wist. De duivel had gezegd dat Job onder zijn beproeving God zou vloeken, maar hij zegende hem en zo deed hij zich dus als een eerlijk, oprecht man kennen.
A. Hij erkende de hand Gods beide in de zegeningen, die hij vroeger genoten heeft, en in de beproevingen, die thans over hem gekomen zijn, De Heere heeft gegeven en de Heere heeft genomen. Wij moeten de voorzienigheid Gods erkennen:
a. In al onze zegeningen en voorrechten. God heeft ons het aanzijn gegeven, Hij heeft ons gemaakt, en niet wij, Hij gaf ons onze rijkdom, het was niet ons vernuft en onze vlijt, die ons hebben verrijkt, maar Gods zegen op onze zorg en arbeidzaamheid, Hij gaf ons de macht om rijkdom te verwerven, heeft niet slechts de schepselen voor ons gemaakt maar ons ons deel er van geschonken. b. In ons kruis, ons lijden. Hij, die gaf, heeft genomen, en mag Hij met het Zijne niet doen wat Hij wil? Zie hoe Job heenziet over de werktuigen, en zijn oog gericht houdt op de eerste oorzaak. Hij zegt niet: "De Heere heeft gegeven, en de Sabeërs en Chaldeën hebben genomen, God heeft mij rijk gemaakt, en de duivel heeft mij arm gemaakt," maar "Hij, die heeft gegeven, heeft genomen," en om die reden zwijgt hij en heeft niets te zeggen, want God heeft het gedaan. Hij, die alles heeft gegeven, kan wat en wanneer, hoe en hoeveel Hem behaagt nemen. Seneca heeft aldus kunnen redeneren: Abstulit, sed et dedit-Hij heeft genomen, maar hij heeft ook gegeven, en Epictetus heeft voortreffelijk gezegd, Hoofdst. 15, "Als gij van enigerlei genot wordt beroofd, bijvoorbeeld als u een kind door de dood wordt ontnomen, of als gij een deel van uw bezittingen verliest, zeg dan niet apoolesa auto-ik heb het verloren, maar apedooka-ik heb het de rechte eigenaar teruggegeven. Maar zegt hij, gij zult hier tegen inbrengen kokos ho aphelomenos-hij is een slecht man, die mij beroofd heeft, waarop hij antwoordt-ri de sof melei-wat maakt het u uit door welke hand hij, die geeft, terugeist wat hij gaf?
B. Hij aanbidt God in beide. Toen alles weg was, viel hij ter aarde en aanbad. Beproevingen moeten ons niet afleiden van, maar opwekken tot oefeningen van de Godsvrucht. Het wenen moet het zaaien niet verhinderen, de aanbidding niet verhinderen. Hij zag in zijn beproeving niet slechts op de hand van God, maar op de naam van God, en gaf Hem eer: de naam van de Heere zij geloofd. Hij heeft nog dezelfde grote en goede gedachten van God, die hij altijd van Hem gehad heeft, en is even ijverig als altijd om Zijn lof bekend te maken, hij kan God loven als Hij neemt, evengoed als wanneer Hij geeft. Aldus moeten wij zingen, "beide van goedertierenheid en van recht," Psalm 101:1..
a. Hij looft God voor wat Hij heeft gegeven, of schoon Hij het hem thans ontnomen heeft. Als onze zegeningen en voorrechten van ons weggenomen worden, dan moeten wij God danken dat wij ze gehad hebben, en ze zoveel langer gehad hebben dan wij verdienden. Ja meer,
b. Hij aanbidt God, zelfs in het wegnemen, en geeft Hem eer door een gewillige onderworpenheid, ja hij brengt Hem dank voor het goed, dat in de beproeving voor hem bestemd is, voor Zijn genadige ondersteuning onder de beproeving en de gelovige hoop die hij mag koesteren op een gelukkige uitkomst.
Eindelijk. Hier is het eervolle getuigenis, dat de Heilige Geest geeft van Jobs standvastigheid en goed gedrag onder zijn beproevingen. Hij heeft ze met lof doorstaan, vers 22. In dit alles heeft Job niet verkeerd gehandeld, want hij heeft Gode niets ongerijmds toegeschreven niet getwijfeld aan Zijn wijsheid in hetgeen Hij gedaan heeft. Ontevredenheid en ongeduld schrijven Gode werkelijk ook dwaasheid toe. Tegen de werkingen daarvan heeft Job daarom zorgvuldig gewaakt en dat moeten ook wij, erkennende dat, gelijk God goed en recht gehandeld heeft terwijl wij goddelooslijk hebben gehandeld, God ook wijselijk heeft gehandeld, maar dat wij zottelijk, ja zeer zottelijk hebben gehandeld. Als zij, die onder kruis en beproevingen niet slechts in hun humeur blijven, maar goede gedachten van God blijven koesteren, en lieflijke gemeenschap met Hem onderhouden, dan zal- hetzij zij al of niet door de mensen geprezen worden-hun lof van God zijn, zoals die van Job hier was.